Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:655

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
20-03-2014
Zaaknummer
200.128.945/01 en 200.128.945/02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:5243, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie, behoefte, draagkracht, geen toepassing van nieuwe richtlijnen ondanks overeenstemming van partijen hierover.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 25 februari 2014

Zaaknummers: 200.128.945/01 en 200.128.945/02

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/195061 / FA RK 12-2729

in de zaak in hoger beroep met zaaknummer 200.128.945/01 van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. E. Tamas te Den Haag,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.M.H. van de Vijver-Aeckerlin te Beverwijk,

en in de zaak met zaaknummer 200.128.945/02 van:

[…],

wonende te […],

verzoeker,

advocaat: mr. E. Tamas te Den Haag,

tegen

[…],

wonende te […],

verweerder,

advocaat: mr. M.M.H. van de Vijver-Aeckerlin te Beverwijk.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant, tevens verzoeker, en geïntimeerde, tevens verweerder, worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 19 juni 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 20 maart 2013 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/195061 / FA RK 12-2729. Hij heeft voorts verzocht de werking van de bestreden beschikking te schorsen totdat op het hoger beroep zal zijn beslist.

1.3.

De vrouw heeft op 13 augustus 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De vrouw heeft op 18 september 2013 nadere stukken ingediend.

1.5.

De man heeft op 30 september 2013 het procesdossier in eerste aanleg ingediend en heeft op 2 oktober 2013 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 10 oktober 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1999 gehuwd. Hun huwelijk is op 14 december 2005 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 23 augustus 2005 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2000. De vrouw oefent het gezag uit over [de minderjarige]. [de minderjarige] verblijft bij de vrouw.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1973. Hij heeft een nieuwe partner met wie hij in Jemen is gehuwd en met wie hij in Nederland samenleeft.

Zijn partner heeft geen eigen inkomsten.

Hij is werkzaam in loondienst bij […]. Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 36.825,-. Zijn salaris bedroeg volgens de salarisspecificatie over juni 2013 € 1.788,- bruto per vier weken, exclusief vakantietoeslag.

Aan huur en enige servicekosten betaalt hij € 447,- per maand.

Hij heeft kosten in verband met de premie voor een zorgverzekering.

Hij betaalt in totaal € 400,- per maand af op leningen.

Hij heeft een schuld aan ING-Interpartes van € 6.083.-.

2.3.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1983. Zij is [in] 2009 gehuwd met de heer [x] (hierna: de stiefvader) en vormt met de stiefvader en [de minderjarige] een gezin.

Zij is van 1 juli 2011 tot 31 juli 2012 werkzaam geweest in loondienst bij [bedrijf 1] Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg haar fiscaal loon in dit verband in dat jaar € 9.321,-.

Zij is van 1 juli 2011 tot en met 31 maart 2012 werkzaam geweest in loondienst bij [bedrijf 2] Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg haar fiscaal loon in dit verband in dat jaar € 5.462,-.

Zij ontving in 2012 een WW-uitkering. Blijkens de jaaropgave ontving zij een fiscaal loon in dit verband in dat jaar van € 5.432,-. Met ingang van 1 april 2013 werkt zij weer in loondienst bij [bedrijf 1]

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door vrouw en de stiefvader bewoonde woning betalen zij € 11.475,- per jaar aan rente. Aan premie voor de levensverzekering die verband houdt met de hypothecaire lening, betalen zij € 173,- per maand. Zij hebben de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is in 2013 vastgesteld op € 259.000,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 158,- per maand.

De vrouw en de stiefvader hebben een lening afgesloten ten behoeve van een auto. De einddatum van deze lening is 1 februari 2014 en zij lossen hierop maandelijks een bedrag af van € 138,88. Voorts hebben zij een persoonlijke lening afgesloten bij ING waarop zij € 94,25 per maand aflossen.

De vrouw heeft twee leningen afgesloten bij haar vader van in totaal € 3.500,- welk bedrag voor eind 2013 moet zijn terugbetaald.

2.4.

Ten aanzien van de stiefvader is verder het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1977.

Hij werkt in loondienst bij de Gemeente […]. Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg zijn fiscaal loon in dit verband in dat jaar € 41.503,-.

Hij werkt in loondienst bij de Brandweer […]. Blijkens de jaaropgave 2012 bedroeg zijn fiscaal loon in dit verband in dat jaar € 2.537,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 127,- per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.128.945/01:

3.1.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vrouw, een door de man met ingang van 1 augustus 2012 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te bepalen van € 230,- per maand, voor wat betreft de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen, toegewezen.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar inleidend verzoek, althans het inleidend verzoek van de vrouw af te wijzen, althans de door de man te betalen kinderbijdrage op nihil te stellen, althans een zodanige door de man te betalen kinderbijdrage vast te stellen als het hof juist acht.

3.3.

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

In de zaak met zaaknummer 200.128.945/02:

3.4.

De man verzoekt de schorsing van de werking van de bestreden beschikking te bevelen.

3.5.

De vrouw verzoekt het schorsingsverzoek af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Aan de orde is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige]. Partijen zijn verdeeld over de behoefte van [de minderjarige], de draagkracht van de man en de wijze waarop de behoefte van [de minderjarige] moet worden verdeeld over de man, de vrouw en de stiefvader.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat als ingangsdatum van de eventueel door de man te betalen bijdrage 1 augustus 2012 dient te gelden. Nu de nieuwe richtlijnen kinderalimentatie ten aanzien van de berekening van de behoefte van een kind en de draagkracht van de alimentatieplichtige op respectievelijk 1 januari 2013 en 1 april 2013 in werking zijn getreden en niet is gesteld dat zich na 1 april 2013 een relevante wijziging in de draagkracht heeft voorgedaan, ziet het hof geen aanleiding tot toepassing van de nieuwe richtlijnen.

Behoefte

4.3.

De man stelt dat de behoefte van [de minderjarige] de Nibud-norm niet overstijgt. De man heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake is van extra hoge schoolkosten. De kosten voor de danslessen vallen daar niet onder en worden volgens de man bovendien gecompenseerd door de kinderbijslag. De man betwist voorts de noodzaak van oppaskosten, aangezien de vrouw niet werkt en zij bovendien samenwoont. De man is van mening dat de overige kosten, voor zover geen sprake is van bijzondere kosten, de volgens de Nibudtabel geldende behoefte niet verhogen.

4.4.

De vrouw stelt dat de behoefte van [de minderjarige] nog niet eerder werd vastgesteld. Ten tijde van de echtscheiding hadden partijen een inkomen op bijstandsniveau. Volgens de vrouw hebben partijen thans beiden een hoger inkomen en dient [de minderjarige] van deze inkomensverbetering te profiteren. Volgens de vrouw dient bij de vaststelling van de behoefte van [de minderjarige] te worden uitgegaan van een netto besteedbaar inkomen van de man van € 2.172,- per maand en van de vrouw van € 1.331,- per maand, hetgeen neerkomt op een fictief netto besteedbaar gezinsinkomen van € 3.503,- per maand. Dit leidt tot een behoefte van [de minderjarige] van € 515,- per maand, waarbij de kosten vanwege de dansopleiding van ongeveer € 100,- per maand dienen te worden opgeteld, zodat de behoefte van [de minderjarige] € 615,- per maand bedraagt.

4.5.

Het hof overweegt, in navolging van de geldende richtlijnen, als volgt. Verhoging van het inkomen van een van de ouders voor zover dit hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk behoort in beginsel invloed uit te oefenen op de vaststelling van de behoefte van het kind. Immers, indien het huwelijk zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging een positieve invloed hebben uitgeoefend op het bedrag dat ten behoeve van het kind zou zijn uitgegeven. In een dergelijk geval is het hogere inkomen van die ouder de maatstaf voor de bepaling van de kosten van het kind. Vast staat dat het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van hun uiteengaan op bijstandsniveau lag en dat het huidige inkomen van de man hoger is dan dat gezinsinkomen. Het hof gaat bij de bepaling van de behoefte van [de minderjarige] derhalve uit van het netto maandinkomen van de man in 2012. De man had toen een fiscaal loon van € 36.825,- hetgeen neerkomt op een netto inkomen van € 2.021,- per maand. Hiervan uitgaande bedraagt de behoefte van [de minderjarige] volgens de gebruikelijke tabellen € 264,- per maand. Anders dan de vrouw wil, ziet het hof geen aanleiding om ook het thans hogere inkomen van de vrouw bij de behoeftebepaling van [de minderjarige] in aanmerking te nemen, gelet op de geldende richtlijnen en nu partijen niet meer samenwonen.

Ten aanzien van de door de vrouw opgevoerde extra kosten in verband met de gespecialiseerde dansopleiding van [de minderjarige] stelt het hof voorop dat de NIBUD-tabel kosten kinderen uitgaat van standaardbedragen voor posten als voeding, kleding en ontspanning. Slechts uitzonderlijke kosten kunnen leiden tot een bijstelling van de behoefte. Het hof is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat in het onderhavige geval sprake is van zodanig uitzonderlijke kosten dat deze structureel bij de behoefte van [de minderjarige] dienen te worden opgeteld, zodat het hof de behoefte van [de minderjarige] in 2012 bepaalt op € 264,- per maand.

Draagkracht man

4.6.

Het hof gaat bij de bepaling van de draagkracht van de man uit van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 2.2 weergegeven, behoudens voor zover in het navolgende hiervan zal worden afgeweken.

4.7.

De man stelt dat hij geen draagkracht heeft om de in de bestreden beschikking bepaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te betalen. De huidige partner van de man is onlangs uit Jemen in Nederland komen wonen, spreekt de taal nauwelijks, heeft geen in Nederland erkende opleiding en kan dan ook niet in haar eigen levensonderhoud voorzien. De man is van mening dat in dit verband rekening moet worden gehouden met de bijstandsnorm voor een gezin, dan wel dat rekening wordt gehouden met de volledige huurlasten, de premie zorgverzekering van in totaal € 218,- per maand voor hemzelf en zijn partner en de aflossing van € 400,- per maand op schulden die hij in verband met zijn huwelijk in Jemen en de overkomst naar Nederland van zijn echtgenote genoodzaakt was te maken.

4.8.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Zij voert aan dat de onderhoudsverplichting jegens [de minderjarige] voorrang heeft op de onderhoudsverplichting jegens de echtgenote van de man. De vrouw betwist voorts de door de man gestelde leningen. Subsidiair voert de vrouw aan dat de man op geen enkele wijze inzichtelijk maakt waarom deze leningen bij familieleden van de man zijn afgesloten en wat de restschuld is, en geen bewijzen van de aflossingen heeft overgelegd.

4.9.

Het hof overweegt dat volgens de gebruikelijke richtlijnen inzake kinderalimentatie de man voor de bepaling van zijn draagkracht wordt aangemerkt als alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70 zal worden gehanteerd. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de nieuwe partner van de alimentatieplichtige in beginsel wordt geacht in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Gelet hierop houdt het hof slechts rekening met de door de man te betalen premie van zijn eigen zorgverzekering van € 108,- per maand. Gelet op het feit dat de partner van de man onlangs naar Nederland is gekomen, de Nederlandse taal nog niet spreekt en nog geen eigen inkomsten heeft, gaat het hof er evenwel vanuit dat de man zijn woonlasten thans nog niet met haar kan delen, zodat het hof bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening zal houden met zijn volledige woonlast.

4.10.

Ten aanzien van de door de man opgevoerde schulden overweegt het hof dat als uitgangspunt geldt dat ingeval van kinderalimentatie alleen rekening wordt gehouden met de noodzakelijke lasten, die ten opzichte van het kind als redelijke uitgaven kunnen worden beschouwd. Wat schulden betreft vallen hieronder de schulden die uit het huwelijk van partijen stammen, omdat die schulden ook een druk op het gezinsbudget zouden hebben gelegd als partijen niet uit elkaar zouden zijn gegaan. Overige schulden hebben in beginsel geen voorrang op de onderhoudsverplichting jegens het kind. Dat is slechts anders indien sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden die een uitzondering op dat beginsel rechtvaardigen. Zodanige feiten of omstandigheden zijn in het onderhavige geval niet gebleken. Het gegeven dat de man getrouwd is met een vrouw uit Jemen waardoor hij kosten heeft moeten maken is zijn eigen keuze geweest en vormt derhalve naar het oordeel van het hof geen bijzondere omstandigheid zoals hiervoor bedoeld. Het hof zal de door de man opgevoerde aflossingen op de betreffende na-huwelijkse schulden dan ook niet bij de bepaling van zijn draagkracht in aanmerking nemen.

4.11.

Het hof gaat bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw en de stiefvader uit van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor respectievelijk onder 2.3 en 2.4 weergegeven. Gelet op hetgeen hierboven onder 4.10 is overwogen, zal het hof ook aan de zijde van de vrouw en de stiefvader geen rekening houden met de door hen opgevoerde aflossingen op leningen nu ten aanzien van deze leningen evenmin gebleken is van bijzondere feiten of omstandigheden.

4.12.

Het hof zal de behoefte van [de minderjarige] verdelen over de man, de vrouw en de stiefvader, naar rato van de draagkracht van ieder van hen.

4.13.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is een door de man met ingang van 1 augustus 2012 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van € 118,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

4.14.

Gelet op de aard en de uitkomst van de procedure, is er geen aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten, zoals door de vrouw is verzocht.

5 Beoordeling van het verzoek tot schorsing

Nu het hof in het voorgaande heeft beslist in de hoofdzaak, heeft de man geen belang meer bij zijn verzoek de werking van de bestreden beschikking te schorsen. Het hof zal dit verzoek derhalve afwijzen.

6 Beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.128.945/01:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man bij vooruitbetaling te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang van 1 augustus 2012 op € 118,- (HONDERD ACHTTIEN EURO) per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

in de zaak met zaaknummer 200.128.945/02:

wijst het schorsingsverzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. van Haeringen, C.E. Buitendijk en A.A. van Berge in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2014.