Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:623

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
200.127.441
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1137, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding. KB- Luxbank. Vergelijkbare zaak met ECLI:NL:GHAMS:2014:624

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.127.441/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/14/144822/ KG ZA 13-107

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 februari 2014

inzake

[APPELLANT],

wonend te [woonplaats],

appellant in het principaal appel,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. A. van Hees te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst),

zetelend te 's-Gravenhage,

geïntimeerde in het principaal appel,

tevens incidenteel appellante,

advocaat: mr. W.I. Wisman te 's-Gravenhage.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en de Staat genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van [onleesbaar] 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 18 april 2013, gewezen tussen de Staat als eiser en [appellant] als gedaagde.

De grieven van [appellant] zijn in de appeldagvaarding opgenomen. Aan de appeldagvaarding zijn producties gehecht. De Staat heeft een memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel ingediend, met producties. [appellant] heeft een memorie van antwoord in incidenteel appel ingediend, met producties.

Ter voorbereiding op het pleidooi heeft de Staat bij akte nog nadere stukken in het geding gebracht.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 13 januari 2013 doen bepleiten, [appellant] door mr. Slighers, advocaat te Meerssen, en de Staat door mr. Wisman voornoemd. Beide advocaten hebben gepleit aan de hand van pleitnotities die aan het hof zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft in het principaal appel geconcludeerd - kort samengevat - dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de Staat niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen dan wel die vorderingen zal afwijzen, in beide gevallen met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure, uitvoerbaar bij voorraad.

De Staat heeft in het principaal appel geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

In het incidenteel appel heeft de Staat geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en, uitvoerbaar bij voorraad, toewijzing van de vermeerderde vordering van de Staat, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.

In het incidenteel appel heeft [appellant] geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het deze zaak gewezen vonnis onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

Waar nodig aangevuld met andere, tussen partijen vaststaande feiten, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

Artikel 4 van Richtlijn 77/799/EEG geeft de mogelijkheid voor bevoegde autoriteiten van lidstaten om op het gebied van de directe belastingen gegevens te verstrekken aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat.

2.3

De Belastingdienst heeft bij brief van 27 oktober 2000 van de Belgische autoriteiten fotokopieën van afgedrukte microfiches verstrekt gekregen. Deze microfiches zijn afkomstig uit de interne administratie van de KB-Luxbank te Luxemburg en hadden betrekking op Nederlandse ingezetenen. Op de betreffende microfiches zijn saldi vermeld op rekeningen bij de KB-Luxbank per 31 januari 1994.

2.4

De Belastingdienst heeft een onderzoek ingesteld naar de op de kopieën van de microfiches vermelde personen en de vermelde saldi. Dit onderzoek staat bekend als het Rekeningenproject.

2.5

Aan de hand van de kopieën van de microfiches heeft de Belastingdienst onderzoek gedaan naar de identiteit van de rekeninghouders. Van deze identificaties zijn processen-verbaal van ambtshandeling Rekeningenproject opgemaakt. Het proces-verbaal van identificatie met betrekking tot [appellant] is gedateerd op 11 maart 2003.

2.6

Het met betrekking tot [appellant] opgemaakte proces-verbaal bevat een algemene uiteenzetting van de wijze waarop het identificatieonderzoek is verricht en vermeldt als resultaat van het onderzoek ten aanzien van [appellant] het volgende:

“Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant, het volgende:

1. Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor de naam:

[X]..

2. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt drie hits naar voren met de naam [X]. gezien de leeftijd van een van deze drie, thans 18 jaar, komt deze persoon niet voor de rekening in aanmerking.

3. Uit de match van het BVR-bestand met het RDW-bestand zie ik dat van de twee overige personen met de naam [appellant] slechts één persoon de voornaam [X] heeft. Dit betreft: [X], [geboortedatum], [sofinummer]."

2.7

[appellant] is als een van de rekeninghouders meermalen aangeschreven voor het eerst in 2002, met het verzoek, dan wel de sommatie, om opgave te doen van (het verloop van) de door hem aangehouden buitenlandse bankrekening(en). De verplichting daartoe vloeit voort uit artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Daarbij is hem gevraagd op het formulier 'Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekeningen(en)' (hierna: het formulier 'Verklaring') in te vullen welke buitenlandse bankrekeningen hij na 31 januari 2004 heeft aangehouden dan wel nog aanhouden. Voorts is hem gevraagd opgaaf te doen van buitenlandse bankrekeningen(en) door middel van het beantwoorden van de vragen op het formulier 'Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)' (hierna: het formulier 'Opgaaf').

2.8

[appellant] heeft tot op heden ontkend over buitenlandse banktegoeden te beschikken.

2.9

De Belastingdienst heeft aan [appellant] navorderingsaanslagen Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PV) voor de jaren 1990 tot en met 2000 alsmede navorderingsaanslagen vermogensbelasting (VB) over de jaren 1991 tot en met 2000 opgelegd. Voorts zijn over deze periode meerdere boetebeschikkingen opgelegd. Tussen partijen zijn bij de fiscale rechter meerdere procedures gevoerd tot aan de Hoge Raad en er zijn nog steeds procedures aanhangig.

2.10

Na verwijzing door de Hoge Raad heeft de belastingkamer van het gerechtshof te ’s-Gravenhage in een uitspraak van 26 oktober 2012 onder meer het volgende overwogen ten aanzien van de identificatie van [appellant]:

“5.1. Na verwijzing houdt partijen het antwoord op de vraag verdeeld of de Inspecteur is geslaagd in het van hem te verlangen bewijs dat belanghebbende rekeninghouder is geweest bij de KB-Lux en of, zo dat het geval is, het voor elk van de in het geding zijnde jaren aan opzet van de belanghebbende is te wijten dat aanvankelijk van hem te weinig IB/PVV is geheven.

(…)

Beoordeling van het beroep na verwijzing

(…)

7.2

Met betrekking tot de eerste vraag komt het Hof, gelet op de vastgestelde feiten omtrent de – naar het oordeel van het Hof deugdelijk uitgevoerde identificatie alsmede de door de Inspecteur geloofwaardig geachte constatering dat slechts één persoon met de naam [X] bestaat en het door het Hof als aannemelijk te achten feit dat de persoon van destijds 9 jaar oud de naam “[Y]”draagt, tot de conclusie dat belanghebbende op een adequate wijze is geïdentificeerd als degene die een rekening bij de KB-Lux heeft gehouden.”

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om de vraag of, kort samengevat, de Staat gerechtigd is te vorderen dat [appellant] onder oplegging van een dwangsom zal worden bevolen gegevens te verstrekken en een mondelinge toelichting te geven op deze gegevens, met betrekking tot de rekening(en) die [appellant] bij de KB-Luxbank wordt vermoed aan te houden, en zo ja, onder welke voorwaarden dit het geval is.

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Hij heeft de door de Staat gevorderde bevelen aan [appellant] toegewezen, onder oplegging van een dwangsom van € 2.500,-- per dag, gemaximeerd tot een bedrag van € 100.000,--. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen zijn de grieven van [appellant] in het principaal appel gericht.
Het incidenteel appel van de Staat is gericht tegen de hoogte en maximering van de dwangsom.

In het principaal appel

3.2

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de Staat overweegt het hof het volgende.

De inspecteur is aan te merken als een bestuursorgaan. In het burgerlijke proces kunnen echter in beginsel alleen natuurlijke personen of rechtspersonen optreden. Dit betekent dat de inspecteur in beginsel geen procesbevoegdheid heeft in een proces als het onderhavige en dat het de Staat is, van wie de inspecteur een orgaan is, die in deze procedure als procespartij moet optreden. Beoordeeld moet worden of er in dit specifieke geval aanleiding is om een uitzondering aan te nemen op dit uitgangspunt.

3.3.

Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval. Het hof overweegt daartoe dat in art. 52a lid 4 AWR weliswaar gesproken wordt over de mogelijkheid voor de inspecteur om een procedure aanhangig te maken bij de burgerlijke rechter, maar uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet dat hiermee beoogd is een specifieke (bevoegdheids)regeling te scheppen. Met het artikellid is slechts bedoeld de bestaande mogelijkheden van de Belastingdienst te bevestigen en niet om een wijziging in die mogelijkheden aan te brengen (HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1042).

De Staat is derhalve ontvankelijk.

3.4.

Het hof zal eerst aan de orde stellen in hoeverre [appellant] voorshands voldoende als rekeninghouder bij de KB-Luxbank is geïdentificeerd. Met grief 3 en met grief 5 betoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter er ten onrechte van uit is gegaan dat hij als rekeninghouder kan worden aangemerkt.

3.5.

Het hof neemt tot uitgangspunt dat door de belastingrechter onherroepelijk is geoordeeld dat de Belastingdienst voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval sprake is van een juiste identificatie, en dat het vermoeden dat rekening(en) werden aangehouden bij de KB-Luxbank niet is weerlegd. Het hof verwijst naar de hierboven bij r.o. 2.10 aangehaalde rechtsoverwegingen 5.1 en 7.2 van het arrest van de belastingkamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 oktober 2012. Tegen dat onderdeel van die uitspraak is, zo is tijdens het pleidooi gebleken, geen cassatie ingesteld.
[appellant] heeft in de onderhavige procedure geen inhoudelijke argumenten heeft aangevoerd ten betoge dat de identificatie onjuist is. Hij heeft ook geen bewijsstukken in het geding gebracht die dit zouden kunnen onderbouwen. Hij heeft in dit verband volstaan met de enkele stelling dat de identificatie onjuist is.
Onder deze omstandigheden gaat het hof er voorshands vanuit dat sprake is van een juiste identificatie en dat de op de microfiche vermelde "[X]" [appellant] is. De grieven falen.

3.4.

Bij grief 1 betoogt [appellant] dat de Staat geen belang heeft bij verkrijgen van informatie over vermogen dan wel inkomen dat vóór 1 januari 2001 is gehouden, zodat de vorderingen van de Staat voor die periode hadden moeten worden afgewezen. [appellant] stelt voorts dat de termijn waarbinnen de Belastingdienst informatie aan hem kan vragen is verstreken.

3.5.

[appellant] heeft onvoldoende gemotiveerd bestreden dat mutaties op zijn rekeningen in de periode vanaf 1994 nog steeds van belang kunnen zijn voor de belastingheffing met betrekking tot de periode waarover de Belastingdienst kan navorderen. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien het vermogen bij de KB-Luxbank voor 2001 is verplaatst naar een andere buitenlandse rekening, waarvan het saldo voor de belastingdienst onzichtbaar is gebleven.

3.6.

Het hof overweegt voorts dat de in art. 47 AWR neergelegde informatieplicht niet gebonden is aan termijnen. Dit betekent dat deze informatieplicht in beginsel ook geldt voor de ver in het verleden liggende jaren vanaf 1994. Dat daarmee termijnen worden overschreden die gelden voor de bewaarplicht van administratieplichtigen, maakt dit niet anders, ook omdat een administratieve bewaarplicht niet op één lijn te stellen is met de informatieplicht die in deze procedure aan de orde is.
Denkbaar is dat het opvragen van informatie over jaren die zo ver in het verleden liggen onder omstandigheden in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In het onderhavige geval is dat echter niet het geval, nu er in dit geding – mede gelet op het hiervoor gegeven oordeel over de identificatie - vanuit moet worden gegaan dat [appellant] opzettelijk informatie over hun tegoeden bij de KB-Luxbank hebben achtergehouden en zij bovendien reeds vanaf 2002 geconfronteerd zijn met expliciete vragen naar de tegoeden bij de KB-Luxbank.

De grief faalt.

3.7

Met grief 2 stelt [appellant], kort weergegeven, dat toewijzing van de vorderingen van de Staat in strijd is met artikel 6 EVRM. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte zijn verweer heeft verworpen dat het de Belastingdienst niet is toegestaan om gedurende de loop van een rechtsgeding buiten de rechter om met toepassing van art. 47 AWR, hem ertoe te dwingen mee te werken aan de op de Belastingdienst zelf rustende bewijslast. [appellant] verwijst in dit verband naar de conclusie van Advocaat-generaal mr. P.J. Wattel van 1 maart 2013, gepubliceerd op 15 maart 2013 (LJN: BZ3640) en wijst erop dat tussen hem en de Belastingdienst nog procedures aanhangig zijn, zowel met betrekking tot de informatiebeschikkingen als met betrekking tot de boetebesluiten.

3.8

Het hof overweegt het volgende.

Ook los van de lopende fiscale procedures heeft de Staat belang bij het verkrijgen van informatie over het verloop van de buitenlandse rekening(en) van [appellant]. Deze informatie zal immers kunnen worden gebruikt voor het opleggen van juiste belastingaanslagen in de jaren waarin nog geen aanslagen zijn opgelegd of nog kan worden nagevorderd, alsmede voor alle toekomstige jaren. Dit is een gerechtvaardigd belang van de Staat, nu de Belastingdienst tot nu toe belastingaanslagen heeft moeten opleggen op basis van geschatte gegevens, gelet op de weigerachtige opstelling van [appellant].
Voor zover de Belastingdienst de te verkrijgen informatie zou willen gebruiken in lopende procedures, is het aan de belastingrechter bij wie die procedures aanhangig zijn om te beoordelen of het verkregen materiaal, mede in het licht van BNB 1988/160, kan worden meegenomen. De civiele rechter hoeft daarop thans niet vooruit te lopen, anders dan door het verbinden van een restrictie aan het gebruik van de informatie die voortvloeit uit art. 6 EVRM, zoals hierna zal worden besproken.

3.9

In verband met art. 6 EVRM overweegt het hof als volgt.

In een recent arrest (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:BZ3640) heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:

'In zijn uitspraak van 17 december 1996, no. 43/1994/490/572, ECLI:NL:XX:1996:ZB6862, NJ 1997/699 (Saunders tegen Verenigd Koninkrijk), heeft het EHRM overwogen dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie samenhangt met het zwijgrecht, hetgeen meebrengt dat dit verbod zich niet uitstrekt tot het gebruik in strafzaken van bewijsmateriaal dat weliswaar onder dwang is verkregen, maar bestaat onafhankelijk van de wil van de verdachte (hierna: wilsonafhankelijk materiaal). Uit latere rechtspraak van het EHRM blijkt niet dat het van dit uitgangspunt is teruggekomen. Dit brengt mee dat de verkrijging van wilsonafhankelijk materiaal langs de weg van een in kort geding gegeven bevel geen schending van art. 6 EVRM oplevert, ook niet als aan dat bevel een dwangsom wordt verbonden',

en:

“Voor zover sprake is van bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige (hierna: wilsafhankelijk materiaal), geldt het volgende. Voorop staat dat de verkrijging van zodanig materiaal mag worden afgedwongen voor heffingsdoeleinden. Indien niet kan worden uitgesloten dat het materiaal tevens in verband met een “criminal charge” tegen de belastingplichtige zal worden gebruikt (vgl. EHRM 3 mei 2001, no. 31827/96, ECLI:NL:XX:2001:AN6999, NJ 2003/354 (J.B. tegen Zwitserland)), zullen de nationale autoriteiten moeten waarborgen dat de belastingplichtige zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie effectief kan uitoefenen. Aangezien hierop gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt, dient de rechter in de vereiste waarborgen te voorzien'.

3.10

In het onder 3.8 aangehaalde arrest is ‘wilsafhankelijk materiaal’ omschreven als bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige. In concrete situaties zal moeten worden bepaald of sprake is van dergelijk materiaal.

3.11

In het licht van het arrest van de derde kamer van de Hoge Raad van 27 juni 2001, nr. 35889, ECLI:NL:HR:2001:AB2314 (BNB 2002/27) - waarin onder meer werd overwogen 'dat een verklaring die de betrokkene heeft afgelegd ter voldoening aan die verplichting [hof: de verplichting ingevolge artikel 47 AWR], niet mag worden gebruikt ten behoeve van de boeteoplegging' - moet echter worden aangenomen dat hieronder in ieder geval dienen te worden begrepen de van [appellant] gevorderde verklaringen en mondelinge toelichting.

3.12

Naar het oordeel van het hof moet voorts worden aangenomen dat de door de Staat gevorderde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de door [appellant] aangehouden buitenlandse bankrekeningen over de periode vanaf 1994 tot heden alsmede, indien van toepassing, bewijs van de opheffing van de bankrekening(en) alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing, in de gegeven omstandigheden zijn aan te merken als wilsafhankelijk materiaal. Het hof neemt hiertoe het volgende in aanmerking.

Het gaat hier om bescheiden die de Staat zonder medewerking van betrokkenen niet kan verkrijgen en die de Staat onder druk van een op te leggen dwangsom van hen beoogt te verkrijgen. De omstandigheid dat ter verkrijging van het materiaal enige actieve participatie van de betrokkenen is vereist brengt op zichzelf niet mee dat het gebruik van dat materiaal in een ‘criminal charge’ strijd oplevert met artikel 6 EVRM (vergelijk Hoge Raad, 21 maart 2008, nr. 43050, ECLI:NL:HR:2008:BA8179, BNB 2008/159, overweging 3.3.2). Voorts is niet elke dwangmaatregel verboden. Dit volgt onder meer uit EHRM 4 oktober 2005, nr. 6563/03 (Shannon), waarin werd overwogen: 'the Court recalls that not all coercive measures give rise to the conclusion of an unjustified interference with the right not to incriminate oneself'.

Het gebruik van onder dwang verkregen bescheiden levert echter wel strijd op met artikel 6 EVRM indien de mate van druk, de uitgeoefende dwang, dermate groot is dat het wezen van het in artikel 6 EVRM begrepen ‘privilege against self-incrimination’ op onaanvaardbare wijze geweld wordt aangedaan. Mede in het licht van de arresten van het EHRM van 25 februari 1993, nr. 10828/84 (Funke), 3 mei 2001, nr. 31827/96 (J.B.) en 5 april 2012, nr. 11663/04 (Chambaz), is het hof van oordeel dat gelet op de mate van druk die uitgaat van de op te leggen dwangsom, die in het onderhavige geval als substantieel is te kwalificeren, zich in dezen een situatie voordoet waarbij het gebruik van de bescheiden als bewijs tegen [appellant] ten behoeve van bestuurlijke boeteoplegging of strafvervolging in strijd zou komen met artikel 6 EVRM.

3.13

Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat alle informatie die in dit geding door [appellant] moet worden verstrekt, als wilsafhankelijk materiaal moet worden beschouwd, in de zin van HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640.

Dit betekent dat het hof aan het gebruik van deze gegevens een restrictie zal verbinden als nader in het dictum te bepalen.

De grief slaagt in zoverre.

3.14

Met grief 4 stelt [appellant] dat de vorderingen van de Staat hadden moeten worden afgewezen omdat, kort weergegeven, de Staat zelf de mogelijkheid heeft de betreffende informatie in Luxemburg te verkrijgen.

3.15

De Staat heeft daartegenover gesteld dat het verkrijgen van de betreffende informatie pas vanaf 2011 mogelijk is en dat dergelijke verzoeken door de Luxemburgse autoriteiten in dit geval bovendien niet worden gehonoreerd. Gelet op deze betwisting door de Staat, acht het hof voorshands aannemelijk dat de Staat de benodigde informatie niet langs andere weg kan verkrijgen. Ook indien dit anders zou zijn, doet dat niet af aan de verplichting van [appellant] uit hoofde van artikel 47 AWR om de betreffende informatie te verschaffen. De grief slaagt niet.

3.16

Grief 6 is gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter, dat de Staat een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. [appellant] stelt onder meer dat de Staat voldoende wordt gecompenseerd door een gunstige bewijspositie en de mogelijkheid om aanslagen op te leggen op basis van schattingen en navorderingen op te leggen.

3.17

De Staat heeft het spoedeisend belang bij de onderhavige vorderingen voldoende toegelicht, waar hij heeft gesteld dat vanaf 2002 pogingen zijn ondernomen om de benodigde gegevens te verkrijgen van de enkele duizenden geïdentificeerde rekeninghouders; dat in de jaren daarna het overgrote deel daaraan heeft meegewerkt; dat uiteindelijk ongeveer vijftig 'weigeraars' zijn overgebleven, waaronder [appellant]; dat deze thans in kort gedagvaard zijn; dat met het verloop van de tijd steeds weer aanslagtermijnen verstrijken en de bewijskracht van de 'startinformatie' uit 1994 afneemt, zodat er een belang is thans op korte termijn ook van hem de gevraagde informatie te verkrijgen. Voor zover [appellant] zich er ook in dit verband op beroept dat de Staat zelf de benodigde informatie kan verkrijgen, verwijst het hof naar het hierboven gegeven oordeel dat, kort gezegd, onvoldoende aannemelijk is dat die mogelijkheid in dit geval daadwerkelijk tot resultaat zou leiden. Ook overigens acht het hof het belang van de Staat om zo snel mogelijk tot zo nauwkeurig mogelijke belastingheffing over te gaan voldoende spoedeisend.

De grief faalt.

3.18

Met grief 7 komt [appellant] op tegen het opleggen van een dwangsom. [appellant] verwijst ter onderbouwing naar de hiervoor onder 3.7 aangehaalde conclusie van Wattel en stelt dat de voorzieningenrechter de uitkomst van de betreffende procedure bij de Hoge Raad had moeten afwachten. Nu in die procedure inmiddels uitspraak is gedaan en bovendien het vonnis van de voorzieningenrechter voor wat betreft dit onderdeel wordt vernietigd, heeft [appellant] bij behandeling van deze grief geen belang.

In het incidenteel appel

3.19

Bij grief 1 in het incidenteel appel voert de Staat aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte de gevorderde dwangsom heeft gesteld op € 2.500,-- per dag of gedeelte van een dag dat [appellant] in gebreke blijven om aan de hoofdveroordeling te voldoen, met een maximering van de dwangsom op € 100.000,--.
De Staat wenst toewijzing van een dwangsom op € 5.000,-- per dag of gedeelte van een dag en geen maximering, althans maximering op een hoger bedrag dan

€ 100.000,--.

3.20

Nu er in dit geding voorshands vanuit moet worden gegaan dat [appellant] opzettelijk onjuiste informatie heeft verschaft over aan hem toebehorende banksaldi bij de KB-Luxbank, is toewijzing van een dwangsom op zijn plaats. Deze dwangsom moet een voldoende prikkel zijn om hem te bewegen alsnog de gevorderde informatie te verstrekken. Het hof ziet hierin aanleiding de dwangsom te maximeren op een hoger bedrag, namelijk op € 500.000,--. Hierbij is op te merken dat, bij gebreke aan gegevens over de financiële situatie van [appellant], voor het hof niet te beoordelen is of dit bedrag onredelijk hoog is. Dit dient echter voor risico van [appellant] te komen.
Het per dag of gedeelte van een dag verbeurde bedrag zal worden gehandhaafd op

€ 2.500,--.

In het principaal en in het incidenteel appel

3.21

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de grieven in het principaal appel falen, met dien verstande dat een restrictie aan het gebruik van de te verstrekken informatie zal worden verbonden als hierna in het dictum te bepalen. De grief in het incidenteel appel slaagt.


3.22 Gelet op de omstandigheid dat de op te leggen restrictie in enige mate is aangescherpt, althans verduidelijkt - mede in samenhang met r.o. 3.20 van dit arrest - ten opzichte van de door de voorzieningenrechter opgenomen restrictie, zal het hof het dictum van het bestreden vonnis voor zover gewezen in conventie vernietigen en voor dat deel een nieuw dictum formuleren. Er kan dan geen onduidelijkheid bestaan over de vraag welk gebruik van de te verstrekken informatie is toegestaan, zulks mede met het oog op de hoogte van de op te leggen dwangsom. Om die reden zal de ingangsdatum van de dwangsom worden gesteld op een tijdstip dat gelegen is na het wijzen van dit arrest.

3.23

Als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van de procedure, zowel in het principaal appel als in het incidenteel appel.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in het principaal en het incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover het betreft de conventie en bekrachtigt het vonnis voor zover het betreft de reconventie;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

1. veroordeelt [appellant] om op het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” te verklaren welke buitenlandse bankrekening(en) hij na 31 januari 1994 bij de KB-Luxbank – en bij eventuele andere buitenlandse banken – heeft aangehouden dan wel nog aanhoudt;

2. veroordeelt [appellant] opgaaf te doen van zijn buitenlandse bankrekeningen door middel van het beantwoorden van de vragen op het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en het verstrekken van de op laatstgenoemd formulier vermelde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de betreffende buitenlandse bankrekeningen over de periode 1994 tot heden, daaronder begrepen, indien van toepassing, bewijs van de opheffing van de bankrekening(en), alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing;

3. veroordeelt [appellant] een mondelinge toelichting te geven op de onder 1 en 2 omschreven gegevens, inlichtingen en/of verklaringen binnen een door de inspecteur nader te bepalen termijn;

4. bepaalt dat [appellant] aan de hiervoor onder 1 en 2 vermelde veroordelingen dient te voldoen binnen 30 dagen na betekening van dit arrest, en aan de hiervoor onder 3 vermelde veroordeling binnen de door de inspecteur te bepalen termijn, op straffe van een dwangsom van € 2.500,-- per dag of gedeelte van een dag dat [appellant] na ommekomst van genoemde termijn in gebreke blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van € 500.000,-- is bereikt;

5. bepaalt dat de Staat, in het bijzonder doch niet uitsluitend de Belastingdienst, de onder 1 tot en met 3 bedoelde gegevens en inlichtingen alleen mag gebruiken voor de belastingheffing;

6. veroordeelt [appellant] in de proceskosten, welke aan de zijde van de Staat tot op heden worden begroot op:

in het principaal appel: € 683,-- voor verschotten en € 2.682,-- voor salaris te vermeerderen met nasalaris ter hoogte van € 131,--, indien betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en [appellant] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan;

in het incidenteel appel: € 1341,-- voor salaris;

7. verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

8. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, M.J. Leijdekker en J.C. Toorman en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2014.