Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:622

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
200.127.079
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2013:3537
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

KB-luxzaak. Vervolg van arrest van 24 december 2013. Vergelijkbare zaak met ECLI:NL:GHAMS:2014:501.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.127.079/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland: C/14/144818/KG ZA 13-104

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 februari 2014

inzake

[APPELLANT],

wonend te [woonplaats],

APPELLANT,

advocaat: mr. F. Jagersma te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN, MINISTERIE VAN FINANCIËN< DIRECTORAAT-GENERAAL BELASTINGDIENST,

zetelend te Den Haag,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. W.I. Wisman te Den Haag.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en de Staat genoemd.

Voor het eerder verloop van deze zaak wordt verwezen naar het arrest in het incident van 22 oktober 2013 (hierna: het tussenarrest). In het tussenarrest heeft het hof de incidentele vorderingen van [appellant] afgewezen. Deze vorderingen strekten ertoe dat de Staat niet-ontvankelijk is en dat de tenuitvoerlegging zou worden geschorst. Het hof verwijst ook naar het arrest van 23 december 2013 waarin is beslist op een verzoek van [appellant] tot herstel op de voet van artikel 32a Rv.

Ter voorbereiding op het pleidooi heeft de Staat bij akte nog nadere stukken in het geding gebracht.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 14 januari 2014 doen bepleiten, [appellant] door mr. Jagersma voornoemd, en de Staat door mr. Wisman voornoemd. Beide advocaten hebben gepleit aan de hand van pleitnotities die aan het hof zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft in het principaal appel geconcludeerd - kort samengevat - dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de Staat niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen dan wel die vorderingen zal afwijzen, in beide gevallen met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure, uitvoerbaar bij voorraad.

De Staat heeft in het principaal appel geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

In het incidenteel appel heeft de Staat geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing van de vermeerderde vordering van de Staat, uitvoerbaar bij voorraad, en afwijzing van de gehele vordering van [appellant], beide met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure, eveneens uitvoerbaar bij voorraad.

In het incidenteel appel heeft [appellant] geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenarrest heeft het hof reeds beslist op grief I door uit te spreken dat de Staat ontvankelijk is.

2.2.

Grief VI houdt in dat de voorzieningenrechter ten onrechte is voorbij gegaan aan het verweer dat niet vaststaat dat [appellant] zijn verplichting tot informatieverschaffing niet is nagekomen. [appellant] stelt daartoe dat niet vaststaat dat hij van 1990 tot 2000 rekeninghouder was. [appellant] erkent in dit verband dat in de in het tussenarrest van 22 oktober 2013 onder 2.6 aangehaalde uitspraak van het Hof Amsterdam (van 1 april 2010, nr. 04/03617) is vastgesteld dat [appellant] in de in het geding zijnde periode rekeninghouder was. [appellant] stelt echter dat, ook als het betreffende deel van de uitspraak bij de Hoge Raad in stand is gebleven, de rechter in een civiele procedure daaraan niet is gebonden.

2.3.

Het hof neemt tot uitgangspunt dat door de belastingrechter onherroepelijk is geoordeeld dat de Belastingdienst voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval sprake is van een juiste identificatie, en dat het vermoeden dat rekening(en) werden aangehouden bij de KB-Luxbank niet is weerlegd. Het hof verwijst naar de in het tussenarrest onder 2.6 aangehaalde rechtsoverwegingen 5.1 tot en met 5.2.4 van het arrest van de belastingkamer van het gerechtshof Amsterdam van 1 april 2010; het tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep is op dit punt door de Hoge Raad in het arrest van 12 augustus 2011 (zie tussenarrest onder 2.7) verworpen.

2.4.

Het proces-verbaal van identificatie met betrekking tot [appellant] is gedateerd op 5 december 2002. Dit proces-verbaal bevat een algemene uiteenzetting van de wijze waarop het identificatieonderzoek is verricht en vermeldt als resultaat van het onderzoek ten aanzien van [appellant] het volgende:

“Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant, het volgende:

1. Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor de naam:

[appellant] ou [Y].

2. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt één [Y] voor van het vrouwelijk geslacht..

3. uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt één adres voor, waarbij [Y] en [appellant] staan ingeschreven. Dit betreft [Y], geboren op [geboortedatum] met sofinummer [sofinummer] en [appellant], geboren [geboortedatum], sofinummer [sofinummer].

4. uit de match van het BVR-bestand met het RDW-bestand met betrekking tot deze twee namen zie ik dat de (eerste) voornaam van [Y] is: [Y] en die vamn [appellant]: [appellant].

Conclusie.

Uit de match van de rekeninghouder(s), zoals vermeld op de microfiches van KB Lux met de Belastingdienst ten dienste staande landelijke bestanden, komt slechts de combinatie [Y] met [appellant] als rekeninghouder in aanmerking, zoals die onder voornoemd punt 3 staat vermeld.."

Voorts stelt het hof vast dat [appellant] in de onderhavige procedure geen inhoudelijke argumenten heeft aangevoerd ten betoge dat de identificatie onjuist is. Hij heeft ook geen bewijsstukken in het geding gebracht die dit zouden kunnen onderbouwen. De aankondiging door [appellant], dat hij een verklaring van de KB-Luxbank zal kunnen verkrijgen waarin wordt bevestigd dat hij geen rekeninghouder is geweest, is onvoldoende. Onder deze omstandigheden gaat het hof er voorshands vanuit dat sprake is van een juiste identificatie en dat de op de microfiche vermelde "[appellant]", [appellant] is.

Dit betekent dat het hof er voorshands ook vanuit gaat dat [appellant] op 31 januari 1994 over tegoeden beschikte bij de KB-Luxbank.

2.5.

Aldus moet worden geoordeeld dat [appellant] willens en wetens geen juiste informatie heeft verstrekt aan de Belastingdienst. Hij heeft immers desgevraagd steeds verklaard niet te beschikken over tegoeden bij de KB-Luxbank. Door aldus opzettelijk onjuiste informatie te verstrekken, heeft [appellant] c.s. niet voldaan aan de op hem ingevolge art. 47 AWR rustende informatieplicht. Het opzettelijk verstrekken van onjuiste inlichtingen moet op één lijn worden gesteld met een weigering om de gevraagde inlichtingen te verstrekken (HR 25 januari 2002, nr. 36063, ECLI:NL:HR:2002:AD8475, BNB 2002/136). Daarmee faalt de grief.

2.6.

Met grief II heeft [appellant] betoogd dat aan toewijzing van de vordering van de Staat in de weg staat dat de Staat ook een informatiebeschikking kan geven. [appellant] voert daartoe aan dat met de invoering van art. 52a van de AWR per 1 juli 2011 de inspecteur de bevoegdheid heeft gekregen om in de gevallen waarin dat zijns inziens nodig is, een informatiebeschikking te nemen. [appellant] stelt dat de Staat had moeten kiezen voor de bestuursrechtelijke weg van de informatiebeschikking, omdat deze weg [appellant] meer rechtsbescherming biedt. De weg van het civielrechtelijk kort geding, zo betoogt [appellant], is alleen bedoeld voor bijzondere gevallen en daarvan is hier geen sprake.

Pas als een informatiebeschikking is uitgevaardigd kan er – aldus [appellant] – sprake van zijn dat de belastingplichtige na het onherroepelijk worden van de informatiebeschikking zijn verplichtingen niet nakomt. Door de handelwijze van de Staat wordt het recht van [appellant] op bezwaar en beroep omzeild. Dit is in strijd met het beginsel van fair play en het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook is sprake van détournement de pouvoir.

2.7.

Het hof overweegt dat art. 52a lid 4 AWR de mogelijkheid openlaat van een civiele procedure als de onderhavige, indien een (vermoedelijk) belastingplichtige niet voldoet aan verplichtingen die voor hem voortvloeien uit (onder meer) art. 47 van die wet. Niet beoogd is om wijzigingen aan te brengen in de reeds bestaande mogelijkheden die de civiele procedure de belastingdienst op dit punt biedt. Die voorheen reeds bestaande mogelijkheden zijn ook niet, zoals is aangevoerd door [appellant], beperkt tot bijzondere gevallen (HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1042).

Reeds hieruit volgt dat de omstandigheid dat niet eerst een informatiebeschikking is genomen jegens [appellant], niet afdoet aan de bevoegdheid van de Belastingdienst om de onderhavige vordering in te stellen.
Van doorkruising van de regeling inzake de informatiebeschikking is bovendien geen sprake, omdat een informatiebeschikking - aangenomen dat deze in rechte in stand blijft - niet leidt tot een resultaat dat vergelijkbaar is met het resultaat van de onderhavige procedure. De informatiebeschikking resulteert alsdan immers slechts tot de zogenoemde 'omkering en verzwaring' van de bewijslast, terwijl de onderhavige procedure moet leiden tot reële informatieverschaffing (afgifte van documenten en een mondelinge toelichting) door [appellant].

Grief II faalt.

2.8.

Grief III is gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter, dat de Staat een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Volgens [appellant] is dit spoedeisend belang niet aanwezig. [appellant] voert in dat verband onder meer het volgende aan. De Belastingdienst heeft de mogelijkheid om schattingen te doen en op basis daarvan aanslagen op te leggen. Bovendien kan de Staat eventuele termijnoverschrijding voorkomen door een informatiebeschikking uit te vaardigen. Dat termijnoverschrijdingen dreigen is mede daarom onvoldoende onderbouwd. Eerder heeft de Staat er zelf geen blijk van gegeven deze zaak met spoed te behandelen. De Staat moet bovendien terughoudend zijn bij het gebruik van het kort geding om informatie op te vragen, aldus [appellant].

2.9.

De Staat heeft het spoedeisend belang bij de onderhavige vorderingen voldoende toegelicht, waar hij heeft gesteld dat vanaf 2002 pogingen zijn ondernomen om de benodigde gegevens te verkrijgen van de enkele duizenden geïdentificeerde rekeninghouders; dat in de jaren daarna het overgrote deel daaraan heeft meegewerkt; dat uiteindelijk ongeveer vijftig 'weigeraars' zijn overgebleven, waaronder [appellant]; dat deze thans in kort geding gedagvaard zijn; dat met het verloop van de tijd steeds weer aanslagtermijnen verstrijken en de bewijskracht van de 'startinformatie' uit 1994 afneemt, zodat er een belang is om thans op korte termijn ook van hem de gevraagde informatie te verkrijgen. De Staat heeft voorts toegelicht er spoedeisend belang bij te hebben om thans op korte termijn definitieve aanslagen te kunnen opleggen, zodat de belastingheffing kan worden afgehandeld. Voor het tijdsverloop vanaf de ontdekking van het bestaan van de rekeningen tot het instellen van de onderhavige vorderingen heeft de Staat voldoende toelichting gegeven om te concluderen dat dit niet aan het thans aannemen van spoedeisend belang in de weg staat. De grief faalt.

2.10.

Bij grief IV betoogt [appellant] dat toewijzing van de vorderingen van de Staat in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM en, meer in het bijzonder, met het nemo tenetur beginsel. [appellant] beroept zich in dit verband met grief V op HR 10 februari 1988, nr. 23925, BNB 1988/160, waarbij hij erop wijst dat tussen hem en de Belastingdienst nog procedures aanhangig zijn.

2.11.

Het hof overweegt het volgende.

De Staat heeft belang bij het verkrijgen van informatie over het verloop van de buitenlandse rekening(en) van [appellant]. Deze informatie zal immers kunnen worden gebruikt voor het opleggen van juiste belastingaanslagen in de jaren waarin nog geen aanslagen zijn opgelegd of nog kan worden nagevorderd, alsmede voor alle toekomstige jaren. Dit is een gerechtvaardigd belang van de Staat, nu de Belastingdienst tot nu toe belastingaanslagen heeft moeten opleggen op basis van geschatte gegevens, gelet op de weigerachtige opstelling van [appellant].
Voor zover de Belastingdienst de te verkrijgen informatie zou willen gebruiken in lopende procedures, is het aan de belastingrechter bij wie die procedures aanhangig zijn om te beoordelen of het verkregen materiaal, mede in het licht van BNB 1988/160, kan worden meegenomen. De civiele rechter hoeft daarop thans niet vooruit te lopen, anders dan door het verbinden van een restrictie aan het gebruik van de informatie die voortvloeit uit art. 6 EVRM, zoals hierna zal worden besproken.

2.12.

In verband met art. 6 EVRM overweegt het hof als volgt.

Op 12 juli 2013 is door de Hoge Raad een arrest gewezen (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:BZ3640). In dit arrest heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:

'In zijn uitspraak van 17 december 1996, no. 43/1994/490/572, ECLI:NL:XX:1996:ZB6862, NJ 1997/699 (Saunders tegen Verenigd Koninkrijk), heeft het EHRM overwogen dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie samenhangt met het zwijgrecht, hetgeen meebrengt dat dit verbod zich niet uitstrekt tot het gebruik in strafzaken van bewijsmateriaal dat weliswaar onder dwang is verkregen, maar bestaat onafhankelijk van de wil van de verdachte (hierna: wilsonafhankelijk materiaal). Uit latere rechtspraak van het EHRM blijkt niet dat het van dit uitgangspunt is teruggekomen. Dit brengt mee dat de verkrijging van wilsonafhankelijk materiaal langs de weg van een in kort geding gegeven bevel geen schending van art. 6 EVRM oplevert, ook niet als aan dat bevel een dwangsom wordt verbonden',

en:

“Voor zover sprake is van bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige (hierna: wilsafhankelijk materiaal), geldt het volgende. Voorop staat dat de verkrijging van zodanig materiaal mag worden afgedwongen voor heffingsdoeleinden. Indien niet kan worden uitgesloten dat het materiaal tevens in verband met een “criminal charge” tegen de belastingplichtige zal worden gebruikt (vgl. EHRM 3 mei 2001, no. 31827/96, ECLI:NL:XX:2001:AN6999, NJ 2003/354 (J.B. tegen Zwitserland)), zullen de nationale autoriteiten moeten waarborgen dat de belastingplichtige zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie effectief kan uitoefenen. Aangezien hierop gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt, dient de rechter in de vereiste waarborgen te voorzien'.

2.13.

In het onder 2.12 aangehaalde arrest is ‘wilsafhankelijk materiaal’ omschreven als bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige. In concrete situaties zal moeten worden bepaald of sprake is van dergelijk materiaal.

2.14.

In het licht van het arrest van de derde kamer van de Hoge Raad van 27 juni 2001, nr. 35889, ECLI:NL:HR:2001:AB2314 (BNB 2002/27) - waarin onder meer werd overwogen 'dat een verklaring die de betrokkene heeft afgelegd ter voldoening aan die verplichting [hof: de verplichting ingevolge artikel 47 AWR], niet mag worden gebruikt ten behoeve van de boeteoplegging' - moet echter worden aangenomen dat hieronder in ieder geval dienen te worden begrepen de van [appellant] gevorderde verklaringen en mondelinge toelichting.

2.15.

Naar 's hofs oordeel moet voorts worden aangenomen dat de door de Staat gevorderde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de door [appellant] aangehouden buitenlandse bankrekeningen over de periode vanaf 1994 tot heden alsmede, indien van toepassing, bewijs van de opheffing van de bankrekening(en) alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing, in de gegeven omstandigheden zijn aan te merken als wilsafhankelijk materiaal. Het hof neemt hiertoe het volgende in aanmerking.

Het gaat hier om bescheiden die de Staat zonder medewerking van betrokkenen niet kan verkrijgen en die de Staat onder druk van een op te leggen dwangsom van hen beoogt te verkrijgen. De omstandigheid dat ter verkrijging van het materiaal enige actieve participatie van de betrokkenen is vereist brengt op zichzelf niet mee dat het gebruik van dat materiaal in een ‘criminal charge’ strijd oplevert met artikel 6 EVRM (vergelijk Hoge Raad, 21 maart 2008, nr. 43050, ECLI:NL:HR:2008:BA8179, BNB 2008/159, overweging 3.3.2). Voorts is niet elke dwangmaatregel verboden. Dit volgt onder meer uit EHRM 4 oktober 2005, nr. 6563/03 (Shannon), waarin werd overwogen: 'the Court recalls that not all coercive measures give rise to the conclusion of an unjustified interference with the right not to incriminate oneself'.

Het gebruik van onder dwang verkregen bescheiden levert echter wel strijd op met artikel 6 EVRM indien de mate van druk, de uitgeoefende dwang, dermate groot is dat het wezen van het in artikel 6 EVRM begrepen ‘privilege against self-incrimination’ op onaanvaardbare wijze geweld wordt aangedaan. Mede in het licht van de arresten van het EHRM van 25 februari 1993, nr. 10828/84 (Funke), 3 mei 2001, nr. 31827/96 (J.B.) en 5 april 2012, nr. 11663/04 (Chambaz), is het hof van oordeel dat gelet op de mate van druk die uitgaat van de op te leggen dwangsom, die in het onderhavige geval als substantieel is te kwalificeren, zich in dezen een situatie voordoet waarbij het gebruik van de bescheiden als bewijs tegen [appellant] ten behoeve van bestuurlijke boeteoplegging of strafvervolging in strijd zou komen met artikel 6 EVRM.

2.16.

Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat alle informatie die in dit geding door [appellant] moet worden verstrekt, als wilsafhankelijk materiaal moet worden beschouwd, in de zin van HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640.

Dit betekent dat het hof aan het gebruik van deze gegevens een restrictie zal verbinden als nader in het dictum te bepalen.

De grieven IV en V slagen in zoverre. Voor de met grief VII bepleite beperking tot de jaren die niet onder de rechter zijn, bestaat gelet op dit oordeel geen aanleiding, zodat de grief faalt.

2.17.

Uit het onder 2.16. gegeven oordeel volgt dat ook grief VIII, waarmee [appellant] stelt dat een eventuele veroordeling tot het geven van informatie moet worden beperkt, in zoverrre slaagt dat het hof de onder 2.16. genoemde restrictie zal aanbrengen.

2.18.

Grief IX heeft geen zelfstandige betekenis.



In het incidenteel appel

3.19.

Bij grief 1 in het incidenteel appel voert de Staat aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte de gevorderde dwangsom heeft gesteld op € 2.500,-- per dag of gedeelte van een dag dat [appellant] in gebreke blijft om aan de hoofdveroordeling te voldoen, met een maximering van de dwangsom op € 100.000,--.
De Staat wenst toewijzing van een dwangsom op € 5.000,-- per dag of gedeelte van een dag en geen maximering, althans maximering op een hoger bedrag dan

€ 100.000,--.

3.20.

Nu er in dit geding voorshands vanuit moet worden gegaan dat [appellant] opzettelijk onjuiste informatie heeft verschaft over aan hem toebehorende banksaldi bij de KB-Luxbank, is toewijzing van een dwangsom op zijn plaats. Deze dwangsom moet een voldoende prikkel zijn om hem te bewegen alsnog de gevorderde informatie te verstrekken. Het hof ziet hierin aanleiding de dwangsom te maximeren op een hoger bedrag, namelijk op € 500.000,--. Hierbij is op te merken dat, bij gebreke aan gegevens over de financiële situatie van [appellant] en de huidige hoogte van hem toekomende buitenlandse banktegoeden, voor het hof niet te beoordelen is of dit bedrag onredelijk hoog is. Dit dient echter voor risico van [appellant] te komen.
Het per dag of gedeelte van een dag verbeurde bedrag zal worden gehandhaafd op

€ 2.500,--.

In het principaal en in het incidenteel appel

3.21.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de grieven in het principaal falen, met dien verstande dat een restrictie aan het gebruik van de te verstrekken informatie zal worden verbonden als hierna in het dictum te bepalen. De grief in het incidenteel appel slaagt.
Gelet op de omstandigheid dat een restrictie wordt aangebracht, zal het hof het dictum van het bestreden vonnis voor zover gewezen in conventie vernietigen en voor dat deel een nieuw dictum formuleren. Er kan dan geen onduidelijkheid bestaan over de vraag welk gebruik van de te verstrekken informatie is toegestaan, zulks mede met het oog op de hoogte van de op te leggen dwangsom. Om die reden zal de ingangsdatum van de dwangsom worden gesteld op een tijdstip dat gelegen is na het wijzen van dit arrest.

3.22.

Als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van de procedure, zowel in het principaal appel als in het incidenteel appel.

3 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in het principaal en het incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover het betreft de conventie en bekrachtigt het vonnis voor zover het betreft de reconventie;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

1. veroordeelt [appellant] om op het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” te verklaren welke buitenlandse bankrekening(en) hij na 31 januari 1994 bij de KB-Luxbank – en bij eventuele andere buitenlandse banken – heeft aangehouden dan wel nog aanhoudt;

2. veroordeelt [appellant] opgaaf te doen van zijn buitenlandse bankrekeningen door middel van het beantwoorden van de vragen op het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en het verstrekken van de op laatstgenoemd formulier vermelde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de betreffende buitenlandse bankrekeningen over de periode 1994 tot heden, daaronder begrepen, indien van toepassing, bewijs van de opheffing van de bankrekening(en), alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing;

3. veroordeelt [appellant] een mondelinge toelichting te geven op de onder 1 en 2 omschreven gegevens, inlichtingen en/of verklaringen binnen een door de inspecteur nader te bepalen termijn;

4. bepaalt dat [appellant] aan de hiervoor onder 1 en 2 vermelde veroordelingen dient te voldoen binnen 30 dagen na betekening van dit arrest, en aan de hiervoor onder 3 vermelde veroordeling binnen de door de inspecteur te bepalen termijn, op straffe van een dwangsom van € 2.500,-- per dag of gedeelte van een dag dat [appellant] na ommekomst van genoemde termijn in gebreke blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van € 500.000,-- is bereikt;

5. bepaalt dat de Staat, in het bijzonder doch niet uitsluitend de Belastingdienst, de onder 1 tot en met 3 bedoelde gegevens en inlichtingen alleen mag gebruiken voor de belastingheffing;

6. veroordeelt [appellant] in de proceskosten, welke aan de zijde van de Staat tot op heden worden begroot op:

in het principaal appel: € 683,-- voor verschotten en € 2.682,-- voor salaris te vermeerderen met nasalaris ter hoogte van € 131,--, indien betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden [appellant] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan dit arrest heeft voldaan;

in het incidenteel appel: € 1341,-- voor salaris;

7. verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

8. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, R.H. de Bock en M.J. Leijdekker en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2014.