Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:6155

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2014
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
12/00509
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2012:1750, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Taxivrijstelling. Het Hof volgt de rechtbank dat belanghebbende niet is geslaagd in haar bewijslast heeft voldaan aan de voorwaarden voor de taxivrijstelling. Voor wat betreft de boete heeft belanghebbende haar stelling dat zij er alles aan heeft gedaan om wel een zo juist mogelijke administratie te voeren en te voldoen aan de fiscale verplichtingen niet waargemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-0724

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 12/00509

25 september 2014

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X bv] te [Z] , belanghebbende,

gemachtigde: mr. M. Muller (KanPiek Fiscale Advocatuur) te Amsterdam,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 11/2188 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Noord/kantoor Zaandam,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

Met betrekking tot de loop van het geding is in de uitspraak van de rechtbank, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“1.1. Verweerder heeft met dagtekening 13 november 2009 aan eiseres over het tijdvak 27 juli 2007 tot en met 26 juli 2010 een naheffingsaanslag belasting personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd ten bedrage van € 12.873, alsmede bij beschikking een boete van € 6.436 (50% van de nageheven belasting).

1.2.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 maart 2011 de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot € 3.218 (25% van de nageheven belasting).

1.3.

Eiseres heeft daartegen bij fax van 14 april 2011 beroep ingesteld.”

Bij uitspraak van 1 juni 2012 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Het tegen deze uitspraak ingestelde pro forma hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 9 juli 2012, en is nader gemotiveerd bij brieven van 14 september 2012. De zaak is bij het Hof ingeschreven onder kenmerknummer 12/00509.

De brieven van 14 september 2012 bevatten de aanvulling van de hogere beroepen in de volgende zaken:

-hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank in het geding tussen [A bv] en de inspecteur betreffende de navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2005, 2006 en 2007 (kenmerknummers 12/00503 tot en met 12/00505),

-hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank in het geding tussen de fiscale eenheid [A bv] en de inspecteur betreffende naheffingsaanslagen omzetbelasting over de tijdvakken 2005, 2006 en 2007 (kenmerknummers 12/00506 tot en met 12/00508),

-hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank in het geding tussen [X bv] en de inspecteur betreffende een naheffingsaanslag BPM over het tijdvak 27 juli 2007 tot en met 26 juli 2010 (kenmerknummer 12/00509),

-hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank in het geding tussen [X bv] en de inspecteur van de Belastingdienst Centrale Administratie/kantoor Apeldoorn betreffende twee naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting (kenmerknummers 12/00510 en 12/00511),

-hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank in het geding tussen [B bv] en de inspecteur betreffende naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: loonheffingen) over de tijdvakken 2005, 2006 en 2007 (kenmerknummers 12/00512 tot en met 12/00514),

-hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank in het geding tussen [B bv] en de inspecteur betreffende een naheffingsaanslag BPM over het tijdvak 12 januari 2005 tot en met 11 januari 2008 (kenmerknummer 12/00515).

De inspecteur heeft in al deze zaken op 17 oktober 2012 één verweerschrift ingediend. De inspecteur van de Belastingdienst Centrale Administratie/kantoor Apeldoorn heeft zich bij brief van 25 oktober 2012 aan dit verweerschrift gerefereerd.

Alle voornoemde zaken zijn door partijen en door het Hof ook daarna gelijktijdig behandeld in de na te noemen stukken en tijdens de na te noemen zittingen, zodat al hetgeen is gesteld en ingebracht in één van die zaken, als gesteld en ingebracht in alle andere zaken heeft te gelden.

Van belanghebbende is op 25 november 2013 een nader stuk, inhoudende een reactie op het verweerschrift, ingekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft een aanvang genomen op 4 december 2013. Van het verhandelde op die zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij de na te noemen brief van 9 januari 2014 aan partijen is toegezonden.

Bij brief van 9 januari 2014 heeft het Hof partijen op de hoogte gesteld van enige voorlopige oordelen en vaststellingen, de gemachtigde in de gelegenheid gesteld inzage te nemen in door de inspecteur ter zitting van 4 december 2013 overgelegde stukken en de gemachtigde uitgenodigd nader bewijs te leveren.

Bij brief van 29 januari 2014 heeft de griffier de afspraak voor inzage bevestigd. De inzage heeft plaatsgevonden op 3 februari 2014 in de inzagekamer van het Hof.

Bij brief van 14 februari 2014 heeft de gemachtigde gereageerd op de voorlopige oordelen van het Hof en producties overgelegd.

Daarop heeft de inspecteur, mede namens de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratie, gereageerd bij brief van 4 maart 2014.

Op 6 maart 2014 is een nader stuk van de inspecteur ingekomen.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 12 maart 2014. Van het verhandelde op die zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat op de na te noemen zitting van 2 juli 2014 aan partijen is uitgereikt.

Bij brief van 17 maart 2014 heeft het Hof partijen op de hoogte gesteld van enige voorlopige oordelen en heeft het de ter zitting van 12 maart 2014 gemaakte afspraken ter zake van een tussen partijen te beproeven compromis vastgelegd. Bij brief van 19 maart 2014 heeft de griffier twee typfouten in de brief van 17 maart 2014 rechtgezet.

Bij brief met bijlagen van 24 maart 2014 heeft de inspecteur het Hof verzocht uitspraak te doen in alle zaken. Bij brief van de griffier van 4 april 2014 heeft het Hof aan de inspecteur meegedeeld dat de brief niet tot de gedingstukken wordt gerekend en aan de inspecteur wordt geretourneerd.

Bij brief van 4 april 2014 heeft de gemachtigde meegedeeld dat partijen niet tot een compromis zijn gekomen en heeft hij zich nader over de zaken uitgelaten.

Daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, heeft de inspecteur daarop gereageerd bij brief van 22 april 2014.

Het onderzoek ter zitting is afgesloten op 2 juli 2014. Van het verhandelde op die zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

Belanghebbende en de inspecteur hebben, ieder bij faxbericht van 16 juli 2014, het Hof bericht dat het door hen gevoerde nader overleg niet heeft geresulteerd in een compromis.

Van alle voormelde gedingstukken zijn afschriften aan de wederpartij gezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak, waarin belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’, de navolgende feiten vastgesteld.

2.1.Eiseres drijft (tezamen met andere aan haar gelieerde vennootschappen) een onderneming die zich bezighoudt met de exploitatie van een taxibedrijf in de regio [Z] . Eiseres was gedurende de onderhavige periode kentekenhoudster van de personenauto met het kenteken [kenteken 1] (hierna: de auto).

2.2.Op verzoek van eiseres van 25 september 2007 is op grond van artikel 16, tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM) op 3 december 2007 een teruggaaf verleend van € 12.873. De teruggaaf is verleend over de periode 27 juli 2007 tot en met 26 juli 2010.

2.3.In een door [C] ondertekende, maar ongedateerde verklaring is opgenomen:

“ [C] h/o Taxibedrijf [E] , geboren te [Q] (…) verklaart hierdoor vanaf 27 juli 2007 t/m januari 2008 de auto merk Mercedes type S400 met kenteken [kenteken 1] te hebben gehuurd van [B bv] , gevestigd te [Z] (…) en deze auto uitsluitend te hebben gebruikt voor taxivervoer.”

2.4.Verweerder is op 2 juni 2008 een boekenonderzoek gestart naar de aanvaardbaarheid van de aangiften:

-vennootschapsbelasting van het jaar 2005 van [A bv] , kenmerk 8027.02.375;

-loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2007 van [B bv] , kenmerk [fiscaal nummer 2] ;

-omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2007 van de fiscale eenheid [A bv] , [X bv] en [F bv] , kenmerk [fiscaal nummer 1] .

Dit onderzoek is uitgebreid naar de juistheid van de door de kentekenhouders gedane verzoeken tot teruggaven van de belasting op personenauto’s en motorrijwielen, betreffende de auto’s met de volgende kentekens:

[kenteken 2] ;

[kenteken 3] ;

[kenteken 4] ;

[kenteken 5] ;

[kenteken 6] ;

[kenteken 1] ;

[kenteken 7] .

2.5.De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een concept-controlerapport dat op 1 oktober 2009 naar eiseres is verzonden. Het definitieve rapport dateert van 19 oktober 2009 en is op 20 oktober 2009 naar eiseres verzonden. In dit rapport is onder meer het volgende opgenomen:

“8. Belasting van personenauto’s en motorrijwielen

8.1

Wijze van onderzoek

De verklaring van de ondernemer dat de personenauto’s voor ten minste 90% als taxi zijn gebruikt, wordt getoetst aan de hand van de door de ondernemer bijgehouden administratie waarbij in eerste instantie moet worden gedacht aan de vastlegging van het gebruik van de desbetreffende auto, de kilometeradministratie. Getoetst is of de personenauto’s voor ten minste 90% als taxi’s zijn gebruikt.

8.2

Het gebruik van de auto

(…)

De auto’s met het kenteken:

(…);

- [kenteken 1] ;

(…)

werden gedurende de gecontroleerde periode verhuurd aan een andere ondernemer dan wel particulier.

(…)

8.4

Controle op het gebruik (90%-criterium)

Uit de bijgehouden rittenkaarten is gebleken dat niet voldaan is aan het 90%-criterium. Dit blijkt uit het volgende:

- Per kenteken is vastgesteld hoeveel kilometers niet is onderbouwd met een rittenkaart.

- Van de auto met het kenteken (…) en [kenteken 1] zijn geen rittenkaarten overgelegd (…).

(…)

8.5

Conclusie

90%-criterium

Zoals uit dit rapport blijkt, is er geen sprake van een juiste en controleerbare kilometeradministratie en geeft ook de overige bedrijfsadministratie geen aanknopingspunten om overtuigend te kunnen aantonen dat met de auto’s voor tenminste 90% taxivervoer heeft plaatsgehad. Omdat er geen sluitende kilometeradministratie aanwezig is, zijn de teruggaven BPM voor de eerste en/of tweede en/of derde termijn ten onrechte verleend.

Op grond van artikel 16 lid 4 BPM is de teruggaven aan belastingplichtige als kentekenhouder verleend. Deze teruggaven zullen worden gecorrigeerd middels op te leggen naheffingsaanslagen.

(…)

Niet aannemelijk maken van het 90%-criterium:

Kenteken Tijdvak Maatstaf van heffing Naheffing

(…)

[kenteken 1] 27-7-07 t/m heden € 12.873 € 12.873

(…)”

2.6.Op grond van de bevindingen van het boekenonderzoek is de in geding zijnde naheffingsaanslag opgelegd en de boetebeschikking gegeven. Op basis van de bevindingen van het boekenonderzoek zijn voorts ook andere naheffingsaanslagen opgelegd aan enkele aan eiseres gelieerde vennootschappen, zoals naheffingsaanslagen loonbelasting, vennootschapsbelasting en omzetbelasting. Die aanslagen zijn mede gebaseerd op de conclusie in het rapport dat in de gecontroleerde jaren sprake is van 771.831 aan ontbrekende kilometers in de administratie. Bij de uitspraken op bezwaar betreffende onder meer de naheffingsaanslagen loonbelasting, vennootschapsbelasting en omzetbelasting is dit aantal ontbrekende kilometers teruggebracht tot 324.944.

2.2.

Nu tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, als hiervoor vermeld, door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat ook het Hof van die feiten uit. Het Hof merkt daarbij op dat het tijdvak na naheffing 27 juli 2007 tot en met 26 juli 2010 niet is vermeld op de naheffingsaanslag maar wel op de uitspraak op bezwaar.

2.3.

Voorts voegt het Hof toe dat in de ‘Toelichtingen op de uitspraken [b]ezwaren’ met betrekking tot de boete bij de onderhavige naheffingsaanslag het volgende is vermeld:

“Ik heb aanleiding gevonden om de kwalificatie in grove schuld te wijzigen. Het boetepercentage bedraagt 25% op basis van paragraaf 25 en 28 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998. De auto is verhuurd met de bedoeling van partijen om de auto voor personenvervoer te gebruiken. De auto is als zodanig ingericht. Voor het leveren van het bewijs is de eigenaar verantwoordelijk, doch hij werd in casu belemmerd door het niet verstrekken van de vereiste informatie door de huurder. Er is geen sprake van opzet. De eigenaar heeft nagelaten om deze informatie tijdig veilig te stellen en heeft eerst tijdens het onderzoek actie ondernomen de noodzakelijke informatie te achterhalen. Er is sprake van grove schuld”.

3 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Voorts is de opgelegde boete in geschil.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft met betrekking tot de enkelvoudige belasting als volgt overwogen:

BPM

4.1.

Op grond van artikel 16 van de Wet BPM wordt – kort gezegd – teruggaaf van belasting verleend voor personenauto’s die zijn bestemd om geheel of nagenoeg geheel te worden gebruikt voor het verrichten van taxivervoer. In artikel 16 van de Wet BPM is – voor zover van belang – in dat verband het volgende opgenomen:

“1. Teruggaaf van belasting wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag verleend voor personenauto's die zijn bestemd om geheel of nagenoeg geheel te worden gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer 2000.

2. De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het kenteken is gesteld.

(…)

4. De aanspraak op teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop aan de voorwaarden en beperkingen voor teruggaaf als bedoeld in het eerste lid wordt voldaan.

(…)

7. Indien over het eerste, tweede of derde jaar na het in het vierde lid bedoelde tijdstip bezien uitsluitend niet is voldaan aan de voorwaarde dat de personenauto geheel of nagenoeg geheel wordt gebruikt voor het in het eerste lid bedoelde vervoer, wordt telkens een derde deel van het teruggegeven bedrag als belasting verschuldigd. De verschuldigd geworden belasting wordt op aangifte voldaan binnen een maand na afloop van het desbetreffende jaar.”

4.2.

Gelet op de tekst van de Wet BPM rust in eerste instantie op eiseres de last om aannemelijk te maken dat de auto voor ten minste 90% ten behoeve van taxivervoer is gebruikt. Eiseres is vrij in de wijze waarop zij dit bewijs levert. Het niet voldoen aan de administratieverplichting van artikel 52 van de AWR heeft – anders dan verweerder meent – geen gevolg voor de bewijslastverdeling op dat punt. De bewijslast om aannemelijk te maken dat de auto voor ten minste 90% als taxi is gebruikt, rust immers al op de belastingplichtige (vgl. HR 3 februari 2006, BNB 2006/204, LJN: AV0821).

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto geheel of nagenoeg geheel voor taxivervoer is gebruikt, nu zij noch ten tijde van de controle door de Belastingdienst, noch nadien in bezwaar of beroep rittenstaten van de auto heeft overgelegd of enig ander bewijs op grond waarvan kan worden gecontroleerd op welke wijze de auto gedurende de onderhavige periode is gebruikt. Hierdoor is het onmogelijk te controleren welk aandeel de als taxivervoer te kwalificeren kilometers daadwerkelijk hebben gehad in het totale gebruik van de auto. De enkele verklaring van [C] (als vermeld onder 2.3) dat hij de auto in de periode 27 juli 2007 tot en met januari 2008 alleen heeft gebruikt voor taxivervoer, is daartoe onvoldoende. De stelling van eiseres dat de Belastingdienst een deel van het tijdvak 27 juli 2007 tot en met 26 juli 2010 niet heeft gecontroleerd, zodat verweerder hieruit niet de conclusie kan trekken dat niet aan het 90%-criterium is voldaan, maakt het voorgaande niet anders, nu het immers aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij aan het 90%-criterium heeft voldaan. Voor zover eiseres heeft gesteld dat voor een aantal andere auto’s die mede in het boekenonderzoek zijn betrokken de teruggaven in stand blijven, en de Belastingdienst daarmee indirect aangeeft dat de auto voor ten minste 90% als taxi werd gebruikt, kan die stelling niet slagen. Dat voor andere auto’s aannemelijk is gemaakt dat deze wel voor ten minste 90% zijn gebruikt voor taxivervoer, zegt immers niets over het gebruik van de onderhavige auto.

4.4.

Ter zake van de door eiseres gestelde onzorgvuldigheid bij de totstandkoming van het controlerapport heeft het volgende te gelden. Nog daargelaten of onzorgvuldig handelen van verweerder moet leiden tot de consequentie die eiseres daaraan verbindt, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van onzorgvuldig handelen aan de kant van de Belastingdienst. Met betrekking tot de genoemde korte reactietermijn die eiseres is gegund om op het concept-controlerapport te reageren overweegt de rechtbank dat het boekenonderzoek is gestart op 2 juni 2008, dat gedurende het onderzoek vele gesprekken tussen verweerder en eiseres hebben plaatsgevonden, dat eiseres in de periode vanaf het begin van het onderzoek tot aan de verzending van het concept-rapport een en ander maal is verzocht de administratie, waaronder ook de rittenstaten, over te leggen en dat regelmatig aan eiseres is verzocht om een reactie te geven op herberekeningen aan de hand van de op dat moment door eiseres overgelegde gegevens, tussentijdse constateringen en conclusies van verweerder. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres na het eindgesprek op 20 augustus 2009 geen gegevens meer heeft verstrekt noch op enige andere wijze op de standpunten en de berekeningen van de Belastingdienst heeft gereageerd, hoewel dat bij het eindgesprek was afgesproken en eiseres dat nadien nog tweemaal heeft toegezegd. Bij die stand van zaken acht de rechtbank de handelwijze van verweerder, waarbij op 1 oktober 2009 een concept-rapport aan eiseres wordt toegezonden en op 20 oktober 2009 het definitieve rapport, niet onzorgvuldig. Dat verweerder geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van eiseres op 16 oktober 2009 om haar zes weken uitstel te verlenen voor een reactie op het concept-rapport, wat daar ook van zij, acht de rechtbank in het licht van het voorgaande evenmin onzorgvuldig. Verweerder heeft bovendien bij brief van 20 oktober 2009 gemotiveerd aangegeven waarom hij geen aanleiding zag het onderzoek op te schorten en het uitbrengen van het definitieve controlerapport uit te stellen.

De stelling van eiseres dat de naheffingsaanslagen moet worden vernietigd omdat het rapport op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen aangezien het in het controlerapport vastgestelde aantal ontbrekende kilometers in bezwaar drastisch is verlaagd, kan de rechtbank evenmin volgen. De verlaging van het vastgestelde aantal ontbrekende kilometers vloeit immers louter voort uit het feit dat eiseres eerst in de bezwaarfase – door verweerder al tijdens het boekenonderzoek gevraagde – relevante bescheiden heeft overgelegd op basis waarvan verweerder steeds nieuwe berekeningen heeft gemaakt. De omstandigheid dat verweerder in de controlefase niet over de later overgelegde stukken beschikte, kan ook geenszins worden toegerekend aan verweerder. Op eiseres rust immers, op grond van artikel 52, zesde lid, van de AWR, de verplichting de administratie zodanig in te richten en de daarbij behorende bescheiden en gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat controle daarvan door verweerder binnen redelijke termijn mogelijk is. Bovendien geldt dat eiseres tijdens de controlefase en daarna, ondanks dat daarom is gevraagd geen enkele kilometeradministratie van de auto heeft overgelegd, noch enig ander bewijs waaruit kan worden afgeleid dat werd voldaan aan het 90%-criterium ter zake van de auto. Niet valt in te zien dat verweerder bij het opstellen van het controlerapport ter zake van onderhavige naheffingsaanslag onzorgvuldig zou hebben gehandeld.

4.5.

Verweerder heeft gezien hetgeen hiervoor is overwogen, de naheffingsaanslag BPM terecht opgelegd.”

4.2.

In het hogerberoepschrift heeft belanghebbende gesteld dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingebracht en dat de zaak dient te worden teruggewezen naar de rechtbank. Tijdens de zitting van 2 juli 2014 heeft de gemachtigde deze stellingen evenwel ingetrokken, zodat zij geen behandeling behoeven.

4.3.

Voor zover belanghebbende in hoger beroep haar in eerste aanleg ingenomen standpunt dat de inspecteur zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld, dat dit tot vernietiging van de naheffingsaanslag moet leiden, heeft gehandhaafd, verwerpt het Hof dat standpunt op overeenkomstige gronden als de rechtbank in 4.4 van haar uitspraak heeft gebezigd.

4.4.

Naar op zichzelf niet in geschil is, heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd ter zake van het feit dat belanghebbende niet de uit hoofde van artikel 16, lid 7, van de Wet BPM verschuldigd geworden belasting heeft voldaan.

4.5.

Bij de beoordeling stelt het Hof voorop – rechtbank en partijen hebben dit punt over het hoofd gezien – dat belanghebbende ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag op 13 november 2009 nog niet in verzuim kan zijn geweest met betrekking tot de belasting over het jaar 27 juli 2009 tot en met 26 juli 2010 (hierna: het derde jaar). Verschuldigdheid van die belasting kan immers niet eerder zijn ontstaan dan na ommekomst van een maand na afloop van dat derde jaar. De naheffingsaanslag dient uit dezen hoofde met ⅓ te worden verminderd. Het Hof zal beoordelen of de naheffingsaanslag in stand blijft voor zover hij betrekking heeft op de jaren 27 juli 2007 tot en met 26 juli 2009 (hierna: de eerste twee jaren). Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat (in die jaren) aan de voorwaarden voor de taxivrijstelling werd voldaan.

4.6.

Nu het geschil in wezen draait om de vraag of belanghebbende gedurende het naheffingstijdvak heeft voldaan aan de voorwaarden voor de taxivrijstelling, brengt – reeds bij toepassing van het regime van de vrije bewijsleer – een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende aannemelijk dient te maken dat de taxi gedurende de eerste twee jaren voor ten minste 90% ten behoeve van taxivervoer is gebruikt. Het Hof volgt in zoverre het door de rechtbank in 4.2 van haar uitspraak gegeven oordeel. Tevens volgt het Hof het door de rechtbank in 4.3 van haar uitspraak gegeven oordeel dat belanghebbende niet is geslaagd in haar bewijslast, voor zover het de eerste twee jaren betreft.

4.7.

Het Hof merkt – ten overvloede – nog op dat het de rechtbank niet kan volgen voor zover zij in 4.2 van haar uitspraak uitgaat van de (onjuiste) rechtsopvatting dat het niet voldoen aan de administratieverplichting van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) niet kan leiden tot de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast. Het Hof zal evenwel, nu omtrent de ter zake van de taxivrijstelling te stellen administratieve verplichtingen in dit geding onvoldoende is komen vast te staan, in het midden laten of sprake is geweest van een administratieverzuim dat de zware sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast met betrekking tot de onderhavige naheffingsaanslag zou rechtvaardigen. Voor de beslissing maakt dit geen verschil, nu belanghebbende reeds bij toepassing van de normale bewijslastverdeling (het regime van de vrije bewijsleer) niet aan haar bewijslast heeft voldaan.

4.8.

De rechtbank heeft met betrekking tot de boete als volgt overwogen:

Boete

4.6.1.Verweerder heeft de vergrijpboete in bezwaar verlaagd tot 25% wegens grove schuld. Op grond van artikel 67f van de AWR in samenhang met de paragrafen 25 en 28 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 kan verweerder een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete als het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige te wijten is dat de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald. Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt de grondslag voor de boete gevormd door het bedrag van de belasting dat niet of niet tijdig is betaald, voor zover dat bedrag als gevolg van opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige niet (tijdig) is betaald.

4.6.2.Eiseres heeft een verzoek tot vrijstelling van BPM ingediend op 25 september 2007, op welk moment de auto al was verhuurd. Ondanks dat haar bekend was dat aan die vrijstelling de voorwaarde verbonden was dat de auto voor 90% diende te worden gebruikt voor taxivervoer, heeft eiseres nagelaten om bij de huurder van de auto informatie veilig te stellen op basis waarvan zij kon controleren of aan die voorwaarde werd voldaan. Aldus is het aan grove schuld van eiseres te wijten dat de (op de voet van artikel 16, zevende lid, van de Wet BPM) verschuldigde belasting niet is voldaan.

4.6.3.Het betoog van eiseres dat zij, gelet op het gehele feitencomplex, een pleitbaar standpunt heeft ingenomen omdat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het standpunt van verweerder niet houdbaar is, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Als pleitbaar standpunt wordt beschouwd een stelling waarvoor aanknopingspunten kunnen worden gevonden in de toepasselijke regelgeving of jurisprudentie. Daarvan is in casu geen sprake.

4.6.4.Eiseres heeft ter zitting nog aangevoerd dat de continuïteit van de onderneming in het geding is indien de aanslag inclusief de boete wordt gehandhaafd. De rechtbank ziet in deze niet nader onderbouwde stelling geen aanleiding om de opgelegde boete vanwege de financiële omstandigheden van eiseres te matigen.

4.6.5.De rechtbank acht de opgelegde vergrijpboete van 25% zowel absoluut als relatief passend en geboden.

4.6.6.Tot slot dient de rechtbank nog te beoordelen of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. In het arrest van 22 april 2005, nr. 37.984, LJN: AO9006, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een boetezaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn behoort te leiden tot vermindering van de boete.

De rechtbank is van oordeel dat deze termijn is aangevangen op 2 oktober 2009. Op die datum is tezamen met het concept-controlerapport, de kennisgeving van de boetes op grond van artikel 67k van de AWR aan eiseres verzonden. Sindsdien zijn, gerekend tot de datum van deze uitspraak, 2 jaar en 8 maanden verstreken, hetgeen betekent dat de redelijke termijn met 8 maanden is verstreken. Verweerder heeft aangevoerd dat van dit procesverloop een periode van 20 weken (bijna 5 maanden) na 8 februari 2010, de datum waarop de gronden van het bezwaar hadden moeten zijn ingediend, alsmede een periode van 12 weken (3 maanden) na 1 december 2010, waarin het doen van uitspraak op bezwaar is vertraagd omdat eiseres alsnog stukken wenste aan te leveren, in betekenende mate door eiseres is beïnvloed, welke vertraging aan haar dient te worden toegerekend.

Eiseres heeft erkend dat de periode van 8 februari 2010 tot het indienen van de motivering van het bezwaar op 29 juni 2010, aan haar is te wijten. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze periode van 5 maanden dan ook aan eiseres te worden toegerekend.

Met betrekking tot de periode van 12 weken heeft verweerder gesteld dat hij als gevolg van de uitgebreide behandeling van het bezwaarschrift en de diverse berekeningen voorafgaand aan het hoorgesprek op 1 december 2010, in beginsel direct daarna uitspraak op bezwaar had kunnen doen, ware het niet dat eiseres wederom in de gelegenheid gesteld wenste te worden nadere stukken in te dienen. Ten gevolge hiervan dateert de motivering van de uitspraak op bezwaar pas van 17 februari 2011. De rechtbank begrijpt dat verweerder daarmee stelt dat de uitspraak op bezwaar hierdoor ook eerst op 17 februari 2011 kon worden gedaan (feitelijk is dit op 10 maart 2011 gebeurd). Eiseres heeft deze gang van zaken niet weersproken. Om de door verweerder genoemde reden is de vertraging van drie maanden ontstaan door toedoen van eiseres en dient deze periode daarom eveneens aan haar te worden toegerekend.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat in casu geen aanleiding bestaat de boete te verminderen.”

4.9.

Het Hof maakt deze oordelen en de gronden waarop zij berusten, tot de zijne. Belanghebbende heeft haar stelling dat “[zij] er alles aan [heeft] gedaan om wél een zo juist mogelijke administratie te voeren en te voldoen aan de fiscale verplichtingen” niet waargemaakt. Op de hiervoor in 4.5 aangegeven gronden dient de boete evenwel met ⅓ te worden verminderd.

4.10.

Het Hof ziet geen aanleiding tot vermindering van de boete wegens undue delay in de appelfase. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat de onderhavige zaak onderdeel uitmaakt van een complex en omvangrijk geheel van met elkaar samenhangende, gelijktijdig behandelde zaken (waarmee de onderhavige boetezaken verknocht zijn) en dat tijd gemoeid is geweest met de inhoudelijke behandeling ervan in hoger beroep . Het tijdsverloop tussen het doen van uitspraak door de rechtbank en het doen van de onderhavige uitspraak kan tegen die achtergrond niet als onredelijk worden aangemerkt. Ook in het totale tijdsverloop tussen de indiening van het bezwaar en de onderhavige uitspraak ziet het Hof geen undue delay.

Slotsom

4.11.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof de uitspraak op bezwaar vernietigen en de naheffingsaanslag en de boete met ⅓verminderen.

5 Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Onder verwijzing naar de uitspraak van heden in de zaak met kenmerk 12/00503 tot en met 12/00505 kent het Hof aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toe van € 1.795,20. Deze vergoeding heeft tevens betrekking op de zaken van belanghebbende met kenmerk 12/00510 en 12/00511.

6 Beslissing

Het Hof:

-vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

-verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond,

-vernietigt de uitspraak op bezwaar,

-vermindert de naheffingsaanslag tot een naar een bedrag van € 8.582,

-vermindert de boete tot € 2.145,

-veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.795,20 en

-gelast dat de inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze voor de behandeling van het beroep (€ 302) en het hoger beroep (€ 466) betaalde griffierecht van in totaal € 768.

De uitspraak is gedaan door mrs. J. den Boer, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. B.J.E. Lodder, als griffier. De beslissing is op 25 september 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.