Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:6153

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
25-01-2016
Zaaknummer
K13-0210
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Vrijheid van meningsuiting versus smaad, laster en belediging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

BEKLAGKAMER

Beschikking van op het beklag met het rekestnummer K13/0210 van

[klager],

wonende te [woonplaats],

klager,

gemachtigde: mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam.

1 Het beklag

Het klaagschrift is op 21 februari 2013 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie Noord-Holland om – onder voorwaarden – geen strafvervolging in te stellen tegen klager ter zake van smaad, laster en belediging.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 7 oktober 2013 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven klager niet ontvankelijk te verklaren in het beklag, dan wel het beklag af te wijzen.

3 De voorhanden stukken

Behalve van het klaagschrift met alle daarbij gevoegde stukken en van het verslag heeft het hof kennis genomen van het in deze zaak door de politie opgemaakte proces-verbaal en van het ambtsbericht van de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie Noord-Holland van 24 juni 2013.

4 De behandeling in raadkamer

De daartoe aangewezen raadsheer-commissaris heeft klager in de gelegenheid gesteld op 17 december 2013 het beklag toe te lichten. Klager is, bijgestaan door zijn gemachtigde, in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd. De gemachtigde heeft hiertoe het woord gevoerd aan de hand van door hem overgelegde pleitaantekeningen.

De advocaat-generaal is bij de behandeling in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft hij geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.

5 De beoordeling van het beklag

Kort samengevat stelt klager zich op het standpunt dat hij, wanneer de beschuldigingen van smaad, laster en belediging die in de tegen hem namens de burgemeester van de gemeente Edam-Volendam en anderen gedane aangifte zijn opgenomen, aan de strafrechter zouden worden voorgelegd, hoogstwaarschijnlijk daarvan zou worden vrijgesproken. Nu de officier van justitie heeft nagelaten de zaak te seponeren op de grond dat datgene waarvan klager wordt beschuldigd niet strafbaar is, heeft klager er belang bij dat ten aanzien van hem een last tot vervolging wordt gegeven, opdat dit alsnog door de strafrechter kan worden vastgesteld. Klager meent voorts dat er geen redenen van algemeen belang zijn aan te voeren die aan vervolging in de weg staan. Integendeel, aldus klager, het algemeen belang eist dringend dat burgers de in hun gemeente verantwoordelijke politici kunnen aanspreken op hun beleid, waarbij het in een democratische rechtsstaat de voorkeur verdient dat verschillen van inzicht daarover in een debat worden uitgevochten, waarbij artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) de burger een grote vrijheid geeft.

Het hof heeft in deze zaak allereerst te beoordelen of te verwachten valt dat wanneer de zaak aan de strafrechter wordt voorgelegd deze tot vrijspraak, dan wel ontslag van rechtsvervolging zou komen.

Wanneer het hof aannemelijk acht dat op basis van de stukken in het dossier er vrijspraak, dan wel ontslag van rechtsvervolging zal volgen, dient het hof vervolgens te beslissen of het alsnog instellen van een strafrechtelijke vervolging, gelet op alle omstandigheden, opportuun is.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

In de nasleep van de tragische Nieuwjaarsbrand in Volendam in 2001 is door de burgemeester van Edam-Volendam de indruk gegeven dat de toenmalige brandpreventieambtenaar nalatig zou zijn geweest. Naar aanleiding hiervan is de Stichting rehabilitatie brandpreventieambtenaar [naam ambtenaar] (verder te noemen: de Stichting) opgericht, die ter rehabilitatie van [ambtenaar] onder meer artikelen in lokale weekbladen publiceerde en brieven aan de gemeentelijke instanties verstuurde. Uiteindelijk is [ambtenaar] uit dienst van de gemeente Edam-Volendam getreden in 2009, onder andere wegens een verschil van inzicht tussen werkgever en werknemer omtrent [ambtenaars] functioneren.

Klager is – of was – bestuurslid van de Stichting. Het voorwaardelijk sepot waartegen klager zich thans verzet ziet op door het openbaar ministerie uit citaten uit stukken van [klager] persoonlijk dan wel van de Stichting.

Bij de vraag waar de grens van de in artikel 10 van het EVRM gegarandeerde vrijheid van meningsuiting ligt, dient het toetsingskader gevonden te worden in het Nederlandse recht (waaronder de door de gemachtigde in raadkamer aangehaalde rechterlijke uitspraken), waarbij de uitleg van de relevante bepalingen mede gezien moet worden in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM).

Blijkens vaste rechtspraak van het EHRM moet er in een democratie in beginsel ook ruimte zijn voor uitlatingen die kwetsen, choqueren of verontrusten; in een democratie mag uit het kwetsende karakter van bepaalde uitlatingen niet te snel een rechtvaardiging voor een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting worden afgeleid. Dit geldt – eveneens naar vaste rechtspraak van het EHRM – te meer indien de uitingen politici of bestuurders betreffen.

Bezien in het licht van deze rechtspraak, en uitsluitend oordelend over de door het openbaar ministerie in diens schriftelijke beslissing tot voorwaardelijk sepot geselecteerde uitingen en de context waarin deze uitlatingen zijn gedaan – zoals door de raadsman ter zitting uiteengezet – acht het hof het niet uitgesloten dat een strafrechter, oordelend over deze uitingen, tot vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging zou komen.

Gelet hierop heeft klager er, mede gezien de gronden waarop het openbaar ministerie de zaak tegen klager (voorwaardelijk) heeft geseponeerd en het feit dat een persbericht dit sepot vergezelde, persoonlijk belang bij dat de zaak alsnog aan de strafrechter wordt voorgelegd.

Een algemeen belang voor voorlegging van deze zaak aan de strafrechter als door klager genoemd, namelijk dat burgers de in hun gemeente verantwoordelijke politici moeten kunnen aanspreken op hun beleid, ziet het hof in deze niet, nu dit aanspreken al heeft plaatsgevonden en klager hiervan verder geen strafrechtelijke gevolgen heeft ondervonden. Evenmin is het naar het oordeel van het hof voor de rechtsontwikkeling noodzakelijk of aangewezen dat een openbaar oordeel van de strafrechter volgt ter waarborging van de vrijheid van meningsuiting.

Gezien de conclusie dat reeds op grond van de jurisprudentie ten aanzien van artikel 10 van het EVRM het niet uitgesloten lijkt dat vervolging in deze in een vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging zal eindigen, laat het hof buiten bespreking wat door en namens klager nog verder is aangevoerd ten aanzien van het al dan niet van toepassing zijn van de in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) neergelegde rechtvaardigingsgrond en de bewijsbaarheid van de ten laste gelegde feiten als zodanig. Daarnaast is het hof van oordeel, voor zover het openbaar ministerie zich op het standpunt heeft willen stellen dat beklag ex artikel 12 Sv niet mogelijk is waar het een voorwaardelijk sepot betreft, dat in dit geval niet op zou gaan.

Het hof is echter vervolgens en tevens van oordeel dat in dit geval het alsnog instellen van een strafrechtelijke vervolging, gelet op alle omstandigheden, niet opportuun is. Zoals al eerder vermeld vindt het geschil tussen klager en aangevers zijn oorsprong in de Nieuwjaarsbrand van 2001 te Volendam. Deze gebeurtenis en alles wat daaromheen en daarna in verband daarmee is gebeurd, wordt ook nu nog door velen als een groot trauma ervaren. Een rechtszaak als door klager gewenst zal dit trauma niet doen afnemen en mogelijk nog weer vernieuwen. Dit zal het verwerkingsproces van de destijds direct of indirect betrokkenen niet ten goede komen. Nu voorts in raadkamer is gebleken dat de Stichting inmiddels is opgeheven, is het hof van oordeel dat in deze het algemeen belang als zojuist geschetst moet prevaleren boven het eveneens door het hof erkende en hiervoor geschetste persoonlijke belang van klager. Slechts om die reden kan het hof de beslissing van het openbaar ministerie om in deze van strafrechtelijke vervolging af te zien, billijken.

Het hof zal het beklag daarom afwijzen.

6 De beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op

door mrs. P.C. Kortenhorst, voorzitter, N. van der Wijngaart en J.L. Bruinsma, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. S.G.J. Berk, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.