Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:6143

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
25-08-2015
Zaaknummer
200.084.861-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hypothecaire geldlening van Bank aan A ter financiering van aankoop woning bevat een ''verghuisregeling''. Een jaar later wenst A in plaats van de eerste een zelfde lening van de bank ter financiering van aankoop van een andere woning. Aan de verhuisregeling kan A geen aanspraak ontlenen op verstrekking door de Bank, zonder nader onderzoek, van die tweede lening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 5, p. 274

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.084.861/01

zaak-/rolnummer rechtbank : 450.836/HA ZA 10- 496

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 september 2014

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. L.M. Slot te Nijmegen,

tegen:

de naamloze vennootschap ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en ING Bank genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 9 februari 2011 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2010, onder bovenvermeld zaak/-rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en ING Bank als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en zijn (vermeerderde) vordering zal toewijzen, met veroordeling van ING Bank in de kosten van het geding in beide instanties. ING Bank heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.

ING Bank heeft bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.4 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1

[appellant] heeft in 2002 een woning in Zijderveld gekocht. De Postbank, een rechtsvoorgangster van ING Bank, heeft hiervoor een hypothecaire geldlening van € 277.000,- verstrekt. De OBP groep was als tussenpersoon betrokken bij de totstandkoming van deze geldlening. Voorts heeft [appellant] een levensverzekeringsovereenkomst afgesloten bij AMEV en de rechten daaruit tot meerdere zekerheid van de nakoming van de hypothecaire geldlening verpand aan de Postbank.

3.1.2

Onderdeel van de hypotheekovereenkomst is een ‘Verhuisregeling’. Deze regeling luidt, voor zover van belang, als volgt:

Verhuizing

“Wanneer u bij verhuizing, binnen zes maanden na aflossing van uw oude hypotheek weer kiest voor een Postbankhypotheek, dan kunt u van de volgende gunstige mogelijkheden van de zogenaamde verhuisregeling van de Postbank profiteren.

Verhuisregeling

1. U kunt uw gehele oude hypotheek boetevrij aflossen. .

2. Uitgaande van een gelijkblijvend hypotheekbedrag bent u geen afsluitprovisie voor een nieuwe Postbankhypotheek verschuldigd.

3. De aan uw hypotheek gekoppelde levensverzekering en het reeds opgebouwde spaarsaldo daarvan blijft intact en kan meegenomen worden naar een nieuwe af te sluiten Postbankhypotheek.

4. Voor het rentepercentage van een nieuwe hypotheek heeft u de keuze uit de zogenaamde dagrente of middelrente. (….)

5. Verder kunt u gebruik maken van het Postbank Verhuiscertificaat, waarmee u uw hypotheekkosten met maar liefst € 450 kunt verlagen. Deze korting wordt met u verrekend in de vorm van een lagere afsluitprovisie of lagere taxatiekosten.

3.1.3

Medio 2003 gaat [appellant] over tot de aankoop van een woning te IJsselstein. De koopprijs bedraagt € 175.000,-. [appellant] wenst de aankoop te financieren met een hypothecaire geldlening van de Postbank. waarbij de OBP groep weer optreedt als tussenpersoon. Bij brief van 19 juni 2003 schrijft [appellant] aan ([X] van) de OBP groep:

“Met u is besproken een offerte van de Postbank naar mij wordt toegezonden voor de aankoop van het woonhuis (...) in IJsselstein met overdrachtsdatum 10 oktober 2003.

Condities:

Kredietsom: Euro 196.875,- bij een aankoopprijs van Euro 175.000,- KK. Een verhuispremie welke wordt geretourneerd door de Postbank van Euro 450,-. Een rentepercentage van 3%. Geen afsluitkosten verschuldigd. 75% van de 90% executiewaarde aflossingsvrij. Overige deel wordt afgelost middels de AMEV levensverzekering, welke wordt verpand aan de postbank.

26 juni a.s. dient een waarborg gesteld te worden van euro 17.500,-- door de hypotheekverstrekker. De offerte zie ik dan ook gaarne spoedig tegemoet.”

3.1.4

ING heeft tot tweemaal toe het verzoek tot het verstrekken van een hypothecaire geldlening voor de woning in IJsselstein afgewezen. [appellant] heeft vervolgens via Fortis een hypothecaire geldlening ten behoeve van de woning in IJsselstein afgesloten.

3.2

[appellant] vordert in deze procedure, na vermeerdering van eis bij memorie van grieven, samengevat, voor recht te verklaren primair dat ING Bank is tekortgeschoten in de nakoming van de verhuisregeling, waardoor zij jegens [appellant] schadeplichtig is vanaf het moment dat hij recht had op toepassing van de verhuisregeling en subsidiair dat ING Bank is tekortgeschoten in haar onderhandelingsplicht ten aanzien van de verhuisregeling, alsmede primair en subsidiair ING Bank te veroordelen tot betaling van:

- de schade uit hoofde van de gedwongen afkoop van de levensverzekering ten bedrage van € 1.377,

- de schade bestaande uit het verschil in rentepercentage tussen de hypothecaire geldlening bij ING Bank en die van Fortis ten bedrage van € 1.238,25,

- de kosten voor het afsluiten van een hypothecaire geldlening bij Fortis ten bedrage van € 1.905,- en

- de schade ontstaan door het tijdelijk moeten financieren uit eigen middelen van de aankoop van de woning in IJsselstein ten bedrage van € 3.455,87,

een en ander met rente en kosten.

[appellant] legt aan zijn vordering ten grondslag, primair dat de Postbank jegens hem tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortspruitend uit, kort gezegd, de verhuisregeling en subsidiair dat de Postbank en [appellant] dusdanig ver waren gevorderd in de onderhandelingen over de nieuwe hypothecaire geldlening dat de Postbank onrechtmatig handelde toen zij de onderhandelingen afbrak. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Ten aanzien van de primaire grondslag heeft de rechtbank overwogen dat de verhuisregeling slechts een beperking of korting geeft op een aantal kosten die verbonden zijn aan het afsluiten van een nieuwe overeenkomst van geldlening alsmede een keuzemogelijkheid voor de verschuldigde rente over een nieuw af te sluiten hypotheek. Een recht of mogelijkheid om een reeds bestaande hypothecaire financiering, na verkoop van de woning ten behoeve waarvan deze was verstrekt, mee te nemen en aan te wenden voor een andere woning zoals door [appellant] gesteld, valt in de verhuisregeling echter niet te lezen. Ten aanzien van de subsidiaire grondslag heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] zijn stelling dat hij met de Postbank in een vergevorderd stadium van onderhandeling was onvoldoende heeft onderbouwd, zodat dat niet is komen vast te staan. Tegen de beslissing van de rechtbank en de motivering die daaraan ten grondslag ligt, komt [appellant] met twee grieven op.

3.3

[appellant] heeft bij memorie van grieven zijn eis vermeerderd met de in 3.2 genoemde verklaringen voor recht. ING Bank heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering. Nu deze niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde zal het hof recht doen op de vermeerderde eis.

3.4

De eerste grief strekt ten betoge, zo begrijpt het hof, dat [appellant] redelijkerwijs aan de verhuisregeling de betekenis heeft mogen geven dat de Postbank, zonder nader onderzoek, gehouden was aan [appellant] op dezelfde voorwaarden een nieuwe hypothecaire financiering te verstrekken en dat de Postbank er redelijkerwijs rekening mee heeft moeten houden dat een klant als [appellant] de verhuisregeling in die zin zou begrijpen.

3.5

[appellant] stelt dat de verhuisregeling onderdelen bevat waaruit blijkt dat deze voor meerdere uitleg vatbaar is. [appellant] noemt de volgende onderdelen (mvg onder 5.5):

1. [appellant] kon slechts van de verhuisregeling gebruik maken indien hij binnen zes maanden na de koop van een nieuwe woning hierop een beroep zou doen.

2. Punt 3 van de verhuisregeling geeft aan dat de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering intact blijft en kan worden meegenomen bij een nieuwe woning.

3. Uit punt 4 van de verhuisregeling blijkt dat de gemiddelde rente van de oude hypotheek kon worden meegenomen naar de nieuwe woning.

[appellant] stelt dat genoemde onderdelen aanknopingspunten zijn waardoor hij redelijkerwijs een andere betekenis aan de verhuisregeling mocht toekennen dan waarop de Postbank in eerste aanleg kennelijk doelde. Immers een onderdeel als het meenemen van een levensverzekering onder dezelfde voorwaarden impliceert dat de verhuisregeling ziet op het afsluiten van een hypotheek onder dezelfde voorwaarden als de voorgaande hypotheek. De levensverzekering was slechts afgesloten als opgelegde verplichting door de Postbank bij het afsluiten van de voorgaande hypotheek, aldus [appellant].

3.6

ING Bank brengt daartegen in dat [appellant] niet uitlegt waarom de periode van zes maanden, waarbinnen hij een beroep kon doen op de voordelen van de verhuisregeling, een aanknopingspunt zou zijn voor zijn uitleg van de verhuisregeling. Het ‘meenemen’ van de aan de oude hypotheek gekoppelde levensverzekering voorkomt uitsluitend dat de levensverzekering moet worden afgekocht. Het afkopen van een levensverzekering was destijds in de regel kostbaar. De mogelijkheid om een bestaande levensverzekering aan een nieuw te sluiten hypotheek te koppelen (lees: verpanden) zegt echter helemaal niets over een verplichting voor de Postbank om een nieuwe hypotheek onder dezelfde voorwaarden aan te bieden. Ook van het ‘meenemen’ van rente is geen sprake. [appellant] kon kiezen voor een nieuwe rente op basis van de dagrente of de middelrente. De dagrente, de op dat moment geldende rente voor nieuw af te sluiten gelijksoortige Postbankhypotheken, en de middelrente, het gewogen gemiddelde van de oude hypotheekrente en de op dat moment geldende dagrente, is niet dezelfde rente als die voor de oude hypotheek, zodat ook dit niet een nieuwe hypotheek onder dezelfde voorwaarden impliceert, aldus nog steeds ING Bank.

3.7

Voor de beantwoording van de vraag hoe de verhuisregeling moet worden uitgelegd komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de verhuisregeling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, het zogenoemde Haviltexcriterium. Dienaangaande geldt het volgende.

3.8

In de verhuisregeling is niet met zoveel woorden opgenomen dat de Postbank, zonder nader onderzoek, gehouden was om een nieuwe hypothecaire financiering onder dezelfde voorwaarden te verstrekken. De door [appellant] genoemde onderdelen van de verhuisregeling zijn, anders dan hij stelt, niet voor meerdere uitleg vatbaar en dus ook niet voor de door hem bepleite uitleg dat de Postbank, zonder enige toetsing aan haar interne acceptatiecriteria/richtlijnen, de nieuwe woning moet financieren. De uitleg van [appellant] is ook niet te rijmen met de in de verhuisregeling opgenomen bepaling dat [appellant] gebruik kan maken van het Postbank verhuiscertificaat, waarmee hij tot een beloop van € 450,- kan besparen op (onder meer) de taxatiekosten. In de uitleg die [appellant] aan de verhuisregeling geeft zou taxatie van de nieuwe woning overbodig zijn. De Postbank moet in de visie van [appellant] immers altijd de aankoop van de nieuwe woning op dezelfde voorwaarden financieren. Al met al is het hof van oordeel dat [appellant] aan de verhuisregeling niet de zin mocht toekennen dat de Postbank verplicht was aan hem, zonder enige interne toetsing, op dezelfde voorwaarden een nieuwe hypothecaire geldlening voor de aankoop van de woning te IJsselstein te verstrekken. Evenmin valt in te zien dat de Postbank er redelijkerwijs rekening mee heeft moeten houden dat een klant als [appellant] de verhuisregeling in die zin zou begrijpen. Dat betekent dat geen ruimte is voor een interpretatio contra proferentem. De stelling dat mondelinge toezeggingen zijn gedaan (mvg onder 5.7) is dermate vaag dat zij reeds daarom [appellant] niet kan baten. De eerste grief is mitsdien tevergeefs voorgedragen.

3.9

Met grief II betoogt [appellant] dat de rechtbank in het bestreden vonnis onder 4.4 ten onrechte voorbij is gegaan aan het verweer van [appellant] dat de onderhandelingen tussen partijen in een dusdanig stadium verkeerden dat het afbreken hiervan door de Postbank als onrechtmatig dient te worden beschouwd. De grief faalt.

3.10

Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat uit de brief van 19 juni 2003 van [appellant] aan OBP groep weliswaar valt op te maken dat hij met de tussenpersoon heeft gesproken over aspecten van een financiering voor de nieuwe woning, maar dat uit deze brief al blijkt dat de Postbank geen partij was bij die bespreking. Uit de brief volgt juist dat zowel [appellant] als de tussenpersoon ervan uitgingen dat er nog een schriftelijke offerte van de Postbank zou volgen, oftewel dat de onderhandelingen tussen partijen nog moesten beginnen. Ook overigens heeft [appellant] in hoger beroep zijn stelling dat hij met de Postbank in een vergevorderd stadium van onderhandeling was niet nader onderbouwd, zodat het hof evenals de rechtbank aan die stelling als onvoldoende toegelicht voorbijgaat.

3.11

In deze grief stelt [appellant] zich ook op het standpunt dat de verhuisregeling een plicht tot onderhandelen met zich meebrengt. Die plicht vloeit voort uit de voorwaarde dat er binnen zes maanden een beroep op de verhuisregeling moet worden gedaan, aldus [appellant].

3.12

Voor zover [appellant] met dit onderdeel van de grief bedoelt te zeggen dat de Postbank hem een offerte, oftewel een aanbod om te financieren, had moeten doen, gaat het hof daaraan voorbij. Het hof heeft bij grief I reeds geconcludeerd dat de verhuisregeling de Postbank niet de verplichting oplegt de nieuwe woning te financieren, hetgeen impliceert dat evenmin sprake kan zijn van een verplichting tot het uitbrengen van een offerte.

3.13

Beide grieven falen. Het vonnis waarvan beroep moet worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van ING Bank begroot op € 649,- aan verschotten en € 632,- voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, A.S. Arnold en E.J.H. Schrage en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 september 2014.