Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:6139

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-08-2014
Datum publicatie
07-11-2016
Zaaknummer
23-001603-12
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2458, Overig
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

witwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-001603-12

datum uitspraak: 22 augustus 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 april 2012 in de strafzaak onder parketnummer 13-710198-11 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Pakistan) op [geboortedag] 1975,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij in of omstreeks de periode van 11 december 2011 tot en met 14 december 2011 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) een of meerdere voorwerp(en), te weten:

- ( op of omstreeks 11 december 2011) een geldbedrag van ongeveer € 200.000,00, in elk geval enig geldbedrag, en/of

- ( op of omstreeks 12 december 2011) een geldbedrag van ongeveer € 70.150,00, in elk geval enig geldbedrag, en/of

- ( op of omstreeks 14 december 2011) een geldbedrag van ongeveer € 100.000,00, in elk geval enig geldbedrag, en/of

- ( op of omstreeks 14 december 2011) een geldbedrag van ongeveer € 102.435,00, in elk geval enig geldbedrag, en/of

te Landsmeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij verdachte, en/of zijn mededader(s) een of meerdere voorwerp(en), te weten:

- ( op of omstreeks 14 december 2011) een geldbedrag van ongeveer 24.200,00, in elk geval enig geldbedrag, en/of

een of meer andere voorwerp(en) (heeft) verworven en/of voorhanden (heeft) gehad en/of (heeft) overgedragen, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en), dat bovenomschreven geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

subsidiair:
hij in of omstreeks de periode van 11 december 2011 tot en met 14 december 2011 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een of meerdere voorwerp(en), te weten:

- ( op of omstreeks 11 december 2011) een geldbedrag van ongeveer € 200.000,00, in elk geval enig geldbedrag, en/of

- ( op of omstreeks 12 december 2011) een geldbedrag van ongeveer € 70.150,00, in elk geval enig geldbedrag, en/of

- ( op of omstreeks 14 december 2011) een geldbedrag van ongeveer € 100.000,00, in elk geval enig geldbedrag, en/of

- ( op of omstreeks 14 december 2011) een geldbedrag van ongeveer € 102.435,00, in elk geval enig geldbedrag, en/of

te Landsmeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een of meerdere voorwerp(en), te weten:

- ( op of omstreeks 14 december 2011) een geldbedrag van ongeveer € 24.200,00, in elk geval enig geldbedrag, en/of

een of meer andere voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Verweren strekkende tot bewijsuitsluiting

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en dat de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte ten onrechte (op heterdaad) is aangehouden en dat ten onrechte zijn woning is doorzocht, omdat geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan (schuld)witwassen en/of geen sprake was van een geval van ontdekking op heterdaad. Voorts heeft de raadsman daartoe aan de hand van de in artikel 395a, tweede lid, Sv genoemde factoren aangevoerd dat dit moet leiden tot uitsluiting van het bewijs ten aanzien van de bij de verdachte aangetroffen goederen.

Het hof verwerpt dit verweer op de gronden als vermeld in het vonnis van de rechtbank. Daartoe neemt het hof over hetgeen is vermeld in paragraaf 3.4.1 van het vonnis.

Bewezenverklaring

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat uit de stukken in het dossier niet, althans onvoldoende, blijkt dat de verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, geldbedragen van € 200.000,00, € 70.150,00 en € 100.000,00 heeft verworven, voorhanden heeft gehad of heeft overgedragen en dat uit die stukken evenmin blijkt dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf, dan wel dat de verdachte wist dat die geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.

Met de raadsman van de verdachte en anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit de stukken in het dossier niet blijkt dat de verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een geldbedrag van € 100.000,00 heeft verworven, voorhanden heeft gehad of heeft overgedragen. Het hof overweegt daartoe dat uit die stukken niet blijkt dat de verdachte enige feitelijke zeggenschap ten aanzien van dat geldbedrag heeft gehad. De omstandigheid dat het geldbedrag bestemd was voor de verdachte, voor zover dat al uit de stukken in het dossier blijkt, is onvoldoende voor een ander oordeel. Nu niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een geldbedrag van € 100.000,00 heeft verworven, voorhanden heeft gehad of heeft overgedragen, zal het hof de verdachte in zoverre vrijspreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit.

Het hof verwerpt de overige verweren van de raadsman. De redenen daartoe zijn vervat in de overwegingen van het hof als weergegeven onder ‘bewijsoverwegingen’.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:
hij in de periode van 11 december 2011 tot en met 12 december 2011 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en zijn mededader voorwerpen, te weten:

- op 11 december 2011 een geldbedrag van € 200.000,00, en

- op 12 december 2011 een geldbedrag van € 70.150,00,

verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader wist(en) dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

en

hij op 14 december 2011 te Amsterdam een voorwerp, te weten:

- een geldbedrag van € 102.435,00, en

te Landsmeer,

- een geldbedrag van € 24.200,00, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en op hetgeen hieronder is overwogen.

Bewijsoverwegingen

Verwerven, voorhanden hebben en overdragen van geldbedragen van € 200.000,00 en € 70.150,00

Het hof is, anders dan de raadsman van de verdachte en met de advocaat-generaal, van oordeel dat uit de stukken in het dossier blijkt dat de verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, geldbedragen van € 200.000,00 en € 70.150,00 heeft voorwerven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt voorop dat uit de stukken in het dossier blijkt dat de in het proces-verbaal van de observatie op 11 december 2011 (dossierpagina 40001 tot en met 40006) als NN2 en NN1 en de in het proces-verbaal van de observatie op 12 december 2011 als NN1 (hierna: NN3) en NN1835 aangeduide personen de verdachte respectievelijk de medeverdachte [medeverdachte] betreffen en dat de verdachte degene is die gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 1].

Het voorgaande volgt, voor zover het de verdachte betreft, uit de feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien:

  • -

    dat NN2 en NN3 op 11 en 12 december 2011 gebruik maken van de auto van de verdachte (kentekenbewijs, p. 70042; proces-verbaal van observatie van 12 december 2011, p. 40004 en 40005; proces-verbaal van observeren van 14 december 2011, p. 40007 en 40008),

  • -

    dat NN3 op 12 december 2011 vanuit de woning van de verdachte vertrekt (proces-verbaal van observeren van 14 december 2011, p. 40007),

  • -

    dat de op 11 en 12 december 2011 waargenomen handelingen van NN2 en NN3 aansluiten bij de inhoud van de op die dagen opgenomen telefoongesprekken van de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (overzicht tapgesprekken telefoonnummer [telefoonnummer 1], p. 7008 t/m 7013; proces-verbaal van observatie van 12 december 2011, p. 40004 en 40005; proces-verbaal van observeren van 14 december 2011, p. 40007 en 40008),

  • -

    dat de verbalisant aangeduid als S003 de verdachte heeft herkend van zijn observatie op 11 december 2011 (proces-verbaal van bevindingen herkenning [verdachte] van 13 maart 2012, p. 20279), en

  • -

    dat telefonisch en/of per sms contact is geweest tussen, enerzijds, de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en, anderzijds, de gebruikers van de telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3], terwijl bij de fouillering van de verdachte een notitie is aangetroffen met de tekst ‘[telefoonnummer 2]’ en ‘[telefoonnummer 3]’ (proces-verbaal van bevindingen van 15 februari 2012, p. 20056 t/m 20059).

Voor zover het medeverdachte [medeverdachte] betreft, volgt hetgeen het hof voorop heeft gesteld uit de feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien:

  • -

    dat de op 11 en 12 december 2011 waargenomen handelingen van NN1 en NN1835 aansluiten bij de inhoud van de op die dagen opgenomen telefoongesprekken van de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4], zijnde de medeverdachte (overzicht tapgesprekken telefoonnummer [telefoonnummer 1], p. 7008 t/m 7013; proces-verbaal van observatie van 12 december 2011, p. 40003 en 40005; proces-verbaal van observeren van 14 december 2011, p. 40008; proces-verbaal van relaas van 17 februari 2012, p. 10010), en

  • -

    dat de verbalisant aangeduid als S003 op 11 december 2011 een foto heeft gemaakt van NN1 en gebleken is dat de persoon op die foto medeverdachte [medeverdachte] betreft (proces-verbaal van bevindingen locatie ontmoeting [medeverdachte] en NN89434 op IJburg van 14 februari 2012, p. 20008).

Het hof is, anders dan de raadsman van de verdachte, van oordeel dat uit de stukken in het dossier voorts blijkt dat de medeverdachte op 11 december 2011 een geldbedrag van € 200.000,00 en op 12 december 2011 een geldbedrag van € 70.150,00 aan de verdachte heeft overgedragen. Dit blijkt uit de feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien:

  • -

    dat op 11 december 2011 de verdachte, kort nadat de medeverdachte uit de auto van de verdachte is gestapt, in een telefoongesprek heeft medegedeeld dat hij ‘200’heeft ontvangen en op 12 december 2011 de verdachte, wederom kort nadat de medeverdachte uit de auto van de verdachte is gestapt, in een telefoongesprek heeft medegedeeld dat hij ‘hem’ heeft ontmoet, waarop zijn gesprekspartner heeft medegedeeld dat ‘het’ ‘70150’ is (overzicht tapgesprekken telefoonnummer [telefoonnummer 1], p. 70011 en 7013; proces-verbaal van observatie van 12 december 2011, p. 40005; proces-verbaal van observeren van 14 december 2011, p. 40008),

  • -

    dat de verdachte en de medeverdachte gebruik maken van zogenaamde tokens, waarvan gebruik wordt gemaakt bij de overdracht van (grote) geldbedragen (overzicht tapgesprekken telefoonnummer [telefoonnummer 1], p. 70004, 70009, 70011 en 70012; proces-verbaal van verhoor van [getuige] van 25 maart 2010, p. 10100 en 10101),

  • -

    dat op 11 december 2011 de medeverdachte een gevulde (sport)tas bij zich had, welke tas hij niet meer bij zich had op het moment dat hij uit de auto van de verdachte stapte (proces-verbaal van observatie van 12 december 2011, p. 40003 en 40005),

  • -

    dat bij de verdachte en de medeverdachte contante geldbedragen van in totaal € 126.635,00, waarvan € 102.435,00 in de auto van de verdachte, respectievelijk € 652.785,00 zijn aangetroffen (proces-verbaal van o.a. aantreffen € 102.435,00 in Lexus van verdachte [verdachte] van 15 december 2011, p. 30046 en 30047; proces-verbaal van doorzoeking woning van 15 december 2011, p. 30086 t/m 230088; proces-verbaal van relaas van 17 februari 2012, p. 10014),

  • -

    dat in een bij de medeverdachte aangetroffen schrift getallen zijn vermeld die overwegend tienduizendtallen, honderdduizendtallen en miljoentallen betreffen en in dat schrift boven ’11-12’, waarvan het hof begrijpt dat hiermee de datum 11 december wordt aangeduid, het getal 200.000 wordt afgetrokken van een totaal en boven ’12-12’, waarvan het hof begrijpt dat hiermee de datum 12 december wordt aangeduid, het getal 78.750 wordt afgetrokken van een totaal (proces-verbaal van relaas van 17 februari 2012, p. 10014; kopieën van pagina’s uit het schrift, p. 70024 en 70025), en

  • -

    dat bij de verdachte een geldtelmachine is aangetroffen (proces-verbaal van bevindingen tot aanhouding van 15 december 2011, p. 20002 en 20003).

Naar het oordeel van het hof volgt uit het voorgaande dat kan worden bewezen verklaard dat de verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, geldbedragen van € 200.000,00 en € 70.150,00 heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen. Hetgeen de raadsman in dit kader heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Afkomstig uit enig misdrijf en wetenschap verdachte

Het hof is, anders dan de raadsman van de verdachte en met de advocaat-generaal, voorts van oordeel dat uit de stukken in het dossier blijkt dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte en/of de medeverdachte dat wist(en). Daartoe overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt voorop dat uit de stukken in het dossier niet blijkt uit welk (concreet) misdrijf de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen afkomstig zijn.

Uit die stukken blijkt naar het oordeel van het hof wel dat sprake is van een bewijsvermoeden dat de geldbedragen - middellijk of onmiddellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dit bewijsvermoeden volgt uit de feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien:

  • -

    dat in de auto en in de woning van de verdachte aanzienlijke contante geldbedragen zijn aangetroffen (proces-verbaal van o.a. aantreffen € 102.435,00 in Lexus van verdachte [verdachte] van 15 december 2011, p. 30046 en 30047; proces-verbaal van doorzoeking woning van 15 december 2011, p. 30086 t/m 230088),

  • -

    dat de verdachte en de medeverdachte elkaar in het openbaar hebben getroffen voor de overdracht van contante geldbedragen van € 200.000,00 en € 70.150,00 (overzicht tapgesprekken telefoonnummer [telefoonnummer 1], p. 70007 tot en met 7013; proces-verbaal van observatie van 12 december 2011, p. 40003 tot en met 40005; proces-verbaal van observeren van 14 december 2011, p. 40008),

  • -

    dat de verdachte en zijn gesprekspartners in de telefoongesprekken over de geldbedragen van € 200.000,00 en € 70.150,00 gebruik maken van versluierd taalgebruik (overzicht tapgesprekken telefoonnummer [telefoonnummer 1], p. 70004 en 70011),

  • -

    dat de verdachte het advies krijgt een andere telefoon te nemen, als blijkt dat iemand een afspraak met de verdachte niet nakomt (overzicht tapgesprekken telefoonnummer [telefoonnummer 1], p. 70017 tot en met 70020), en

  • -

    dat de geldbedragen die de verdachte voorhanden heeft gehad zich niet verhouden tot het bij de Belastingdienst bekende inkomen en vermogen van de verdachte (proces-verbaal van bevindingen belastinggegevens [verdachte] 10 januari 2012, p. 20061 tot en met 20063).

Gelet op de voornoemde feiten en omstandigheden mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen (HR 13 juli 2010, NJ 2010, 456).

In dit kader heeft de verdachte in zijn eerste verhoor bij de politie verklaard, kort en zakelijk weergegeven, dat het geldbedrag van € 17.500,00 dat is aangetroffen in zijn woning spaargeld betreft en dat hij niets weet van het geldbedrag van € 6.500,00 dat eveneens is aangetroffen in zijn woning (proces-verbaal van verhoor van 15 december 2011, p. 50006 en 50007). In zijn tweede verhoor bij de politie heeft de verdachte in dit kader verklaard, kort en zakelijk weergegeven, dat het geldbedrag van € 6.500,00 ook spaargeld betreft, dat dit geldbedrag al ongeveer anderhalf jaar in een bureaulade heeft gelegen, dat hij het geldbedrag dat is aangetroffen in zijn woning heeft gespaard in een periode van één jaar, dat hij daartoe geld heeft opgenomen van zijn bankrekening, dat hij coupures van (onder meer) € 50,00 en € 100,00 bij winkels, restaurants en/of cafés heeft gewisseld in coupures van € 500,00 en dat hij niet (meer) weet in welke cafés hij de coupures heeft gewisseld (proces-verbaal van verhoor van 12 maart 2012, p. 50012 en 50013). Voor het overige heeft de verdachte zich in dit kader op zijn zwijgrecht beroepen.

Gelet op het feit dat de verdachte geen verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de geldbedragen van € 200.000,00, € 70.150,00 en € 102.435,00, terwijl dit wel van hem mag worden verlangd, en gelet op de voornoemde feiten en omstandigheden waaruit het bewijsvermoeden volgt, dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte en/of de medeverdachte, voor zover het de geldbedragen van € 200.000,00 en € 70.150,00 betreft, dat wist(en).

Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte niet een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken herkomst van het geldbedrag van € 24.200,00 heeft gegeven. Daartoe overweegt het hof dat onaannemelijk is dat de verdachte dit geldbedrag heeft gespaard, gelet op het bij de Belastingdienst bekende inkomen en vermogen van de verdachte, dat de verdachte tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over een deel van dit geldbedrag en dat de verklaring van de verdachte dat hij eerst geld heeft opgenomen van zijn bankrekening en vervolgens een deel van dat geld bij winkels, restaurants en/of cafés heeft gewisseld voor coupures van € 500,00, als volslagen onwaarschijnlijk moet worden aangemerkt. Aan dat oordeel kan niet afdoen het door de verdediging aan de rechtbank toegezonden overzicht van geldopnames, te meer nu een volledige onderbouwing van dat overzicht ontbreekt.

Gelet op het feit dat verdachte niet een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken herkomst van het geldbedrag van € 24.200,00 heeft gegeven en gelet op de voornoemde feiten en omstandigheden waaruit het bewijsvermoeden, dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat ook dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dat wist.

Naar het oordeel van het hof volgt uit het voorgaande dat wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard dat de geldbedragen van € 200.000,00, € 70.150,00, € 102.435,00 en € 24.200,00 - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte en/of de medeverdachten dat wist(en).

Gewoontewitwassen

Het hof is van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte van het plegen van witwassen, voor zover het de bedragen van € 200.000,00 en € 70.150,00 betreft, een gewoonte heeft gemaakt. Daartoe overweegt het hof, gelet ook op hetgeen hiervoor is overwogen, dat de verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, in een periode van twee dagen twee (aanzienlijke) geldbedragen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en daarmee heeft witgewassen, terwijl uit de opgenomen telefoongesprekken van de verdachte blijkt dat die verwerving en overdracht op een voor de verdachte gebruikelijke wijze heeft plaatsgevonden.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van gewoontewitwassen,

en

witwassen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de rechtbank geldbedragen van € 57.435,00 en € 45.000,00 verbeurd verklaard.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 102.435,00 zal verbeurd verklaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met een ander witwassen van geldbedragen € 200.000,00 en € 70.150,00, terwijl hij daarvan een gewoonte heeft gemaakt, en het witwassen van geldbedragen van € 102.435,00 en € 24.200,00. Door zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de integriteit van het financiële en economische verkeer. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Het hof heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 juli 2014, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Het hof is met de advocaat-generaal en de rechtbank van oordeel dat de ernst van het feit noopt tot oplegging van een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf. Anders dan de raadsman van de verdachte is het hof voorts van oordeel dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet van dien aard zijn dat deze nopen tot oplegging van een andere of lagere dan te noemen straf.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, passend en geboden.

Het hof stelt vast dat dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden met ongeveer vier maanden. Nu die overschrijding niet is te wijten aan de ingewikkeldheid van de zaak of aan de invloed van de verdediging op het procesverloop en die overschrijding niet meer dan zes maanden bedraagt, zal het hof (het onvoorwaardelijke gedeelte van) de gevangenisstraf verminderen en een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, opleggen.

In beslag genomen en nog niet teruggeven voorwerp

Het primair ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met betrekking tot het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een geldbedrag van € 102.435,00.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. D. Radder en mr. R.A.F. Gerding, in tegenwoordigheid van mr. C. Beuze, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 augustus 2014.

Mr. E. Mijnsberge, mr. R.A.F. Gerding en mr. C. Beuze zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.