Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:6133

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-06-2014
Datum publicatie
09-06-2015
Zaaknummer
200.130.345-01 en 200.130.536-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:8880, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenbeschikking; verdeling beperkte en eenvoudige gemeenschap; afwikkeling huwelijkse voorwaarden; vereffening vennootschap onder firma; benoeming deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak:17 juni 2014

Zaaknummers: 200.130.345/01 en 200.130.536/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/187185 / FA RK 11-3972

in de zaak met zaaknummer 200.130.345/01 van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. G.F.H. Velthuizen te Zaandam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.P.M. Voskuil-van Dijk te Amsterdam,

in de zaak met zaaknummer 200.130.536/01 van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. P.P.M. Voskuil-van Dijk te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.F.H. Velthuizen te Zaandam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

1.2

De man is op 17 juli 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 24 april 2013 van de rechtbank Noord-Holland, met hierboven genoemd kenmerk. De vrouw heeft op 28 augustus 2013 een verweerschrift ingediend. Deze zaak is bij het hof bekend onder zaaknummer 200.130.345/01.

1.3

De vrouw is op 19 juli 2013 eveneens in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 24 april 2013. De man heeft op 20 augustus 2013 een verweerschrift ingediend. Deze zaak is bij het hof bekend onder zaaknummer 200.130.536/01.

1.4

Zowel de man als de vrouw heeft op 11 november 2013 – voor beide zaken – nadere stukken ingediend. De vrouw heeft daarbij haar verzoek in de zaak met zaaknummer 200.130.536/01 nader geconcretiseerd en gewijzigd.

1.5

De zaken zijn op 21 november 2013 tegelijkertijd ter terechtzitting behandeld. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2 De feiten

2.1

Partijen zijn [in] 2002 onder het maken van huwelijkse voorwaarden gehuwd. Deze voorwaarden, die dateren van 10 september 2002, houden in dat partijen zijn gehuwd in gemeenschap van inboedel en dat elke andere gemeenschap van goederen tussen hen is uitgesloten. Er is geen verplichting tot verrekening van overgespaard inkomen. Partijen hebben vóór het huwelijk vanaf 1996 samengewoond en hebben indertijd een samenlevingsovereenkomst afgesloten.

2.2

De vrouw is registeraccountant en had sinds 1999 een eenmanszaak, genaamd [de onderneming]. De man is werkzaam in de ICT. In 2006 kreeg de man een opdracht voor ICT-werkzaamheden. Deze opdracht is toen om administratieve redenen “ondergebracht” bij de eenmanszaak van de vrouw, waarna – om fiscale redenen – per 1 januari 2007 een vennootschap onder firma (hierna: de vof) is opgericht van waaruit ieder zijn/haar beroepsmatige werkzaamheden verrichtte. Per 1 mei 2010 is de vof ontbonden en sindsdien wordt deze door de vrouw als eenmanszaak voortgezet.

2.3

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan [adres], waar partijen gedurende het huwelijk woonden. Thans wordt de woning door de vrouw bewoond.

2.4

Het huwelijk is op 14 september 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 5 juni 2012 in de registers van de burgerlijke stand.

2.5.

Tussen partijen bestaat overeenstemming over 1 mei 2010 als peildatum voor verrekening en de omvang van de beperkte gemeenschap, en de datum van (feitelijke) verdeling als peildatum voor de waarde van de beperkte gemeenschap.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1

Bij de bestreden beschikking is partijen bevolen over te gaan tot verdeling van de beperkte en eenvoudige gemeenschap, tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en tot vereffening van de vennootschap onder firma op de wijze die de rechtbank in de rechtsoverwegingen 2.5 tot en met 2.37 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld. Kort samengevat weergegeven heeft de rechtbank het volgende beslist:

  1. De voormalige echtelijke woning dient te worden getaxeerd. De vrouw dient één maand na het uitbrengen van het taxatierapport te kennen te geven of zij de woning wenst over te nemen. Zo niet, dan dient de woning te koop te worden gezet; ieder der partijen komt de helft van de overwaarde toe.

  2. Aan de man komt een gebruiksvergoeding voor de woning toe nu de vrouw het voortgezet gebruik van de woning heeft. De vergoeding bedraagt 2,5% van de helft van de (getaxeerde) overwaarde van de woning en is verschuldigd per 20 januari 2013, doch pas opeisbaar bij levering van de woning.

  3. De stelling van de vrouw dat zij € 61.535,84 van haar spaargeld heeft geïnvesteerd in de echtelijke woning is niet cijfermatig geconcretiseerd en met stukken onderbouwd.

  4. Partijen dienen de vof af te wikkelen. Daarbij dienen zij de schulden van de onderneming ieder voor de helft te voldoen. Ieder heeft recht op de helft van de opbrengst van de vorderingen op de debiteuren en overige vorderingen en de helft van de liquide middelen.

  5. Het banksaldo van de en/of rekening dient per peildatum, 1 mei 2010, bij helfte te worden verdeeld.

  6. Aan de vrouw komt geen vergoedingsrecht toe ten aanzien van een boot, een auto en een motor.

  7. De inboedelgoederen waarover partijen nog geen overeenstemming hebben, worden door de rechtbank verdeeld zonder nadere verrekening.

  8. De levensverzekering Allianz Future is reeds feitelijk verdeeld. De vrouw kan jegens de man over de huwelijkse periode aanspraak maken op de helft van het spaardeel van de (door haar betaalde) premie. De rechtbank begroot dit spaardeel op € 80,-, zodat de man € 3.270,- aan de vrouw dient te vergoeden.

  9. Niet is komen vast te staan dat de lijfrentepolis van de vrouw is betaald met gemeenschappelijk geld, zodat de man op dit punt geen vordering op de vrouw heeft.

  10. Ten aanzien van de kosten van de huishouding hebben partijen onvoldoende stukken overgelegd op basis waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat de één een vordering op de ander zou kunnen hebben. Dit geldt ook voor de vorderingen van na de peildatum.

3.2

In de zaak met zaaknummer 200.130.345/01 heeft de man het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en:

- primair te bepalen dat de verdeling van de winst van de vof zal geschieden naar rato van de omzet van de vennoten, dan wel op basis van een 50-50% verdeling, en tevens de omvang van de vordering van de man op de vrouw in rechte vast te stellen;

- subsidiair te bepalen dat de restwaarde van de vof op de peildatum bij helfte zal worden verdeeld, waarbij de vrouw aan de man dient te vergoeden de helft van de waarde van de vof, door de vrouw in eerste aanleg begroot op € 68.557,- (waarde per 30 april 2010), aldus het bedrag van € 34.278,50;

- de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen:

- € 39.241,- ter zake van de privé inbreng van de man met betrekking tot het
onroerend goed;

- € 15.578,- ter zake van de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

- € 6.579,- ter zake van de ziektekostenverzekering;

- € 4.000,- ter zake van de boete van het UWV;

- € 2.805,- ter zake van de vakantie;

- € 10.301,- ter zake van de lijfrentepolis;

- de vrouw te veroordelen aan de man te betalen de helft van de kosten verbonden aan de eigendom van de voormalig echtelijke woning, vanaf 2012 tot de datum van de verkoop en overdracht van de echtelijke woning;

- de vrouw te veroordelen ter zake de kosten van de huishouding conform artikelen 9.2 en 11 van de huwelijkse voorwaarden, aan de man het bedrag te betalen van € 4.650,-;

- de vrouw te veroordelen aan de man over de huwelijkse periode tot de peildatum, binnen veertien dagen na deze beschikking, afschriften te verstrekken van de gezamenlijke bankrekeningen, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 25.000,-;

- een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de peildatum, dan wel de datum van de echtscheiding.

3.3

De vrouw verzoekt in deze zaak de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel zijn hoger beroep af te wijzen.

3.4

In de zaak met zaaknummer 200.130.536/01 heeft de vrouw het hof verzocht de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en haar oorspronkelijke verzoeken toe te wijzen, rekening houdend met de wijzigingen zoals verwoord in het beroepsschrift. Zoals hiervoor onder 1.4 overwogen, heeft de vrouw nadien, op 11 november 2013, haar verzoek aangepast, althans geconcretiseerd. Het hof zal hieronder – waar nodig – nog terugkomen op dit gewijzigde verzoek.

3.5.

De man verzoekt in deze zaak de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel haar hoger beroep af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1

Beide beroepsschriften richten zich tegen verschillende onderdelen van de bestreden beschikking. Het hof ziet aanleiding de beroepen gezamenlijk te behandelen.

De woning

4.2

Geen van beide partijen heeft in zijn/haar beroepschrift het oordeel van de rechtbank omtrent de woning bestreden. Wel heeft de vrouw op 11 november 2013 haar verzoek vermeerderd. Zij heeft verzocht (samengevat weergegeven) de man te veroordelen om onvoorwaardelijk mee te werken aan het feitelijke verkooptraject van de woning, op straffe van het verbeuren van een dwangsom. Het verzoek is echter te laat gedaan; de vrouw is niet-ontvankelijk in dit verzoek.

Gebruiksvergoeding / kosten huishouding

4.3

Grief 1 van de vrouw komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij een gebruiksvergoeding aan de man is verschuldigd. Het hof ziet aanleiding deze grief te behandelen in samenhang met de grieven over de stortingen die partijen op de gezamenlijke rekening hebben gedaan na het verbreken van de samenwoning (grief 5 van de man; grief 6 van de vrouw) en (een onderdeel van) grief 7 van de man omtrent de eigenaarslasten van de woning in 2012/2013.

4.4

Tussen partijen staat vast dat de vrouw, die de woning bewoont, sinds september 2011 alle lasten voor haar rekening neemt hoewel partijen gezamenlijk eigenaar zijn. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat de vrouw geen gebruiksvergoeding voor de woning aan de man is verschuldigd. Grief 1 van de vrouw is dus gegrond. Voor zover de man in zijn zevende grief naar voren brengt dat niet hij, maar de vrouw, de WOZ-lasten van de woning over 2012/2013 dient te betalen, volgt uit het vorenstaande dat deze grief ook gegrond is.

4.5

Nadat de man de echtelijke woning had verlaten, hebben partijen nog ruim anderhalf jaar de gezamenlijke kosten via de gemeenschappelijke rekening laten verlopen. Daartoe hebben zij beide maandelijks een bijdrage op deze rekening gestort. De man is per september 2011 gestopt met betalen; de vrouw heeft nog tot en met december 2011 betaald. Beide partijen menen dat zij te veel hebben betaald:

  • -

    Volgens de man is de vrouw al voor oktober 2011 tekortgeschoten met haar stortingen, zodat de man per saldo € 4.650,- te veel heeft betaald. Hij vordert dit bedrag van de vrouw.

  • -

    De vrouw is daarentegen van mening dat de man, nu zij langer heeft doorbetaald dan hij, aan haar een bedrag verschuldigd is van € 4.055,-.

4.6

Naar het oordeel van het hof heeft de man niet aangetoond dat hij te veel heeft betaald. Zijn stellingen zijn daartoe te onbepaald. Zijn vijfde grief faalt daarom. Evenmin kan de vrouw van de man verlangen dat hij september – december aan haar betaalt. Dat is dan verdisconteerd in het niet opleggen van een gebruiksvergoeding. De zesde grief van de vrouw faalt eveneens .

Investeringen in de woning

4.7

Grief 2 van de vrouw ziet op het oordeel van de rechtbank dat de vrouw geen aanspraak kan maken op het bedrag van € 60.631,59, dat de vrouw in de echtelijke woning zou hebben geïnvesteerd. In eerste aanleg had de vrouw een lijst overgelegd van de door haar verrichte betalingen ten behoeve van de woning (productie 18 bij brief van 9 oktober 2012); de man heeft op verschillende gronden betwist dat hij iets aan de vrouw verschuldigd is. De rechtbank heeft daarop geoordeeld dat op grond van hetgeen partijen ter zitting hebben medegedeeld, de juistheid van de stellingen van de vrouw niet op voorhand is komen vast te staan.

4.8

In hoger beroep verzoekt de vrouw dat het hof zal bepalen dat haar uit hoofde van de door haar gedane investeringen in de voormalige echtelijke woning een bedrag van € 60.631,59 toekomt. Na aflossing van de hypotheek van € 232.265,95, dient dit bedrag te worden betaald uit de overwaarde van de woning, waarna het restant aan overwaarde tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld, aldus de vrouw. Ter onderbouwing van haar vordering wijst de vrouw op het volgende:

  • -

    De woning is in 1996, toen partijen nog niet waren getrouwd, casco opgeleverd. De vrouw heeft in de jaren daarop spaargeld aangewend voor het afbouwen van de woning; de man had toen geen spaargeld. Daarnaast hebben partijen grond verkocht en de opbrengst daarvan in de woning geïnvesteerd.

  • -

    In de concept-akte huwelijkse voorwaarden van 28 augustus 2002 is daartoe opgenomen dat de vrouw een bedrag van fl. 60.000,- (€ 27.227,-) meer heeft betaald ter zake van de aankoop van de woning en dat de man dit bedrag in geval van scheiding als schuld aan de vrouw zal voldoen. Deze bepaling is niet in de uiteindelijke akte opgenomen, omdat partijen destijds hebben afgesproken daartoe een afzonderlijke overeenkomst op te stellen, maar dat is niet meer gebeurd.

4.9

Naar het oordeel van het hof is de gegrondheid van de aanspraak van de vrouw nog steeds niet komen vast te staan. De hiervoor weergegeven feiten vormen geen bewijs van de stelling van de vrouw dat zij jegens de man aanspraak kan maken op het bedrag van € 60.631,59 wegens investeringen in de echtelijke woning. Ook niet indien daarbij wordt meegewogen hetgeen de vrouw in eerste aanleg reeds heeft aangevoerd. Een lager bedrag aan investeringen door de vrouw is evenmin komen vast te staan. Daarbij betrekt het hof dat de concept-akte weliswaar een schuld van fl. 60.000,- vermeld, maar deze schuld niet is vermeld in de definitieve akte. Ook de samenlevingsovereenkomst van partijen biedt geen grondslag voor de vordering van de vrouw, nu de vordering geen betrekking heeft op kosten van de huishouding. Grief 2 van de vrouw faalt dus.

4.10

De man heeft in de nrs. 17 en 18 van zijn memorie van grieven aangevoerd dat ook hij in de woning heeft geïnvesteerd. Deze stelling heeft hij echter in het geheel niet onderbouwd. Zijn bewijsaanbod wordt gepasseerd als te vaag. Indien de man terzake stukken had willen overleggen, had hij dit in ieder geval uiterlijk voorafgaand aan de mondelinge behandeling moeten doen.

De vennootschap onder firma

4.11

Beide partijen hebben grieven gericht tegen de beslissing van de rechtbank omtrent de afwikkeling van de vof (grief 3 van de vrouw en de grieven 1, 4 en 7 van de man). Grief 5 van de vrouw heeft betrekking op de huishoudelijke kosten; deze kwestie houdt verband met de vof omdat partijen de huishoudelijke kosten (mede) financierde door onttrekkingen aan de vof.

4.12.1

De eerste kwestie waarover moet worden beslist is hoe de winst van de vof verdeeld moet worden. Partijen zijn geen schriftelijk vennootschapscontract aangegaan en partijen zijn het oneens over de mondelinge afspraken die zij dienaangaande hebben gemaakt. Vaststaat dat de winst in de jaren 2006, 2007 en 2008 is verdeeld volgens de verhouding 40 (man) / 60 (vrouw). Naar het oordeel van het hof is er voor die jaren onvoldoende aanleiding om de feitelijk door de vrouw toegepaste winstverdeling te wijzigen. Daarbij betrekt het hof dat gesteld noch gebleken is dat de man in die jaren bezwaar heeft gemaakt tegen deze verdeling.

4.12.2

In 2009 en 2010 is volgens de vrouw de verdeling aangepast naar een 50/50 verhouding omdat zij toen (veel) minder verdiende dan de man. De man vindt, vanwege de geringe bijdrage van de vrouw in de winst van de vof, een verdeling naar rato van omzet meer voor de hand liggen.

Het hof overweegt als volgt. Of de verhouding 50/50 destijds de goedkeuring van de man had, is niet komen vast te staan. Het hof acht het niettemin redelijk deze verdeling over te nemen, mede gelet op de inbreng van partijen ten tijde van de totstandkoming van de vof en de omstandigheid dat deze situatie uiteindelijk relatief kort heeft geduurd. Een verdeling naar rato van ieders aandeel in de omzet sluit minder goed aan bij de wijze waarop partijen in de eerste drie jaren te werk zijn gegaan.

4.12.3

In zoverre faalt dus de eerste grief van de man.

4.13.1

De tweede kwestie waarover partijen verdeeld zijn, is het antwoord op de vraag of de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de vof nog iets van de man heeft te vorderen.

4.13.2

Het standpunt van de vrouw laat zich als volgt samenvatten.

De vrouw heeft stukken in het geding gebracht die inzicht geven in de wijze waarop zij de administratie heeft verzorgd en waaruit – in de visie van de vrouw – volgt dat de man ter zake van de afwikkeling van de vof nog een bedrag aan haar is verschuldigd. In het bijzonder beroept zij zich op een document “Verloop kapitaalrekening [de onderneming]” (onderdeel van productie 12 in eerste aanleg), welke cijfers zij met onderliggende stukken nader heeft onderbouwd. In hoger beroep heeft zij als productie 35 een overzicht van de boekingen over de jaren 2006-2010 overgelegd, waaruit kan worden afgeleid aan wie zij de onttrekkingen die in die jaren zijn gedaan, heeft toegerekend. Ook zijn bankafschriften in het geding gebracht waarop dit overzicht is gebaseerd.

De door vrouw overgelegde cijfers resulteren in een negatief saldo van € 29.177,- op de kapitaalrekening van de man. De vrouw stelt dat de man haar (althans haar eenmanszaak) dit bedrag dient te voldoen. Daarnaast heeft de man, volgens de vrouw, een bedrag van € 20.017,- aan liquide middelen ontvangen als “voorschot” op de totale afwikkeling. Dit alles heeft ertoe geleid dat de vrouw in hoger beroep heeft verzocht de afwikkeling van de vof te gelasten en te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag verschuldigd is van € 49.194,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2010.

4.13.3

Het standpunt van de man kan als volgt worden samengevat. De man kan zich niet vinden in de wijze waarop de vrouw de administratie heeft gevoerd. Hij voert aan dat hij een kennisachterstand heeft omdat de vrouw nu eenmaal registeraccountant is. Niettemin is hem bij het doorlopen van de administratie een aantal zaken opgevallen.

  1. De man meent dat hem in de zakelijke administratie voor te hoog bedrag aan privé-onttrekkingen is toebedeeld; in werkelijkheid heeft hij niet zo veel onttrekkingen in privé gedaan.

  2. Ook zijn er onttrekkingen geboekt als “gezamenlijke onttrekkingen” terwijl het in werkelijkheid privé-onttrekkingen van de vrouw betroffen. Meer concreet zijn volgens de man (in ieder geval) de volgende betalingen ten onrechte volledig ten laste gekomen van de gezamenlijke zakelijke rekening van partijen:

- de premies van de lijfrentepolis van de vrouw ten bedrage van € 14.612,-;

  • -

    de kosten van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van de vrouw ten bedrage van € 19.189,-;

  • -

    de ziektekostenverzekering van de vrouw ten bedrage van € 7.449,-;

  • -

    de boete van de UWV van € 8.000,-;

  • -

    een bedrag van € 5.611,- ter zake van de gezinsvakantie in 2009.

Voorts wijst de man erop dat het, gegeven zijn aanzienlijk grotere aandeel in de omzet en winst, niet goed te begrijpen is dat zijn kapitaalrekening – in de berekening van de vrouw – uitkomt op een negatief slotsaldo op de peildatum van 1 mei 2010 van € 29.177,-, terwijl de vrouw een positief slotsaldo van € 91.189,- had.

De man zet vraagtekens bij de beginbalans van de vof. Hij begrijpt niet hoe de vrouw haar inbreng in de vennootschap per 1 januari 2007 heeft kunnen stellen op € 84.135,-. Volgens de man was de bruto-omzet van de vrouw in 2006 € 101.000,-, maar was het jaarinkomen dat de vrouw zichzelf voor dat jaar heeft toegekend slechts € 1.972,-, te vermeerderen met uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid ten bedrage van € 13.634,-. De man vermoedt dat de vrouw destijds haar zakelijke vermogen heeft veiliggesteld in een vorm van een oudedag reservering. Het is volgens de man bovendien onjuist dat hij bij aanvang van de vof geen kapitaal inbracht. Uit het door de vrouw opgestelde document “Verloop kapitaalrekening [de onderneming]” blijkt immers dat zijn inbreng € 24.054,- was.

De man heeft een Excel-sheet in het geding gebracht waarin hij de geldstromen in kaart heeft gebracht en waaruit volgens hem blijkt dat hij over de huwelijkse periode een bedrag van € 244.568,- heeft bijgedragen aan de gezamenlijke kosten, tegenover een bedrag van € 176.069,- door de vrouw. Hieruit volgt volgens hem dat hij nog een vordering op de vrouw heeft.

4.13.4

De stellingen van de man komen erop neer dat voor hem onvoldoende controleerbaar is of de financiële administratie die door de vrouw werd bijgehouden, juist is. Hij wenst de benoeming van een deskundige om – kort gezegd – de administratie te controleren en is bereid het voorschot van de declaratie van de deskundige voor zijn rekening te nemen. Naar het oordeel van het hof heeft de man zoveel vragen opgeworpen over de juistheid van de administratie dat er aanleiding is om tot benoeming van een deskundige over te gaan. Het hof is voorlopig van oordeel dat de deskundige een accountant / accountant administratieconsulent dient te zijn. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de persoon van de deskundige. Daarbij verzoekt het hof partijen om – indien mogelijk – met een gezamenlijk voorstel te komen.

4.13.5

Grief 5 van de vrouw ziet, zoals gezegd, op de kosten van de huishouding, de vrouw stelt dat uit de door haar opgestelde stukken, in het bijzonder het stuk dat zij als productie 40 bij haar beroepsschrift in het geding heeft gebracht, een vordering op de man heeft wegens te veel betaalde huishoudelijke kosten. Zij stelt dat zij vanaf 2002 een bedrag van € 58.673 te veel heeft betaald. De deskundige zal worden verzocht bij zijn onderzoek tevens te betrekken of dit overzicht juist is. Voor zover de vrouw te veel betaalde huishoudelijke kosten over de periode 1996 – 12 september 2002 terugvordert, gaat het hof hieraan voorbij. Aan de orde in deze procedure is de afrekening tussen partijen over hun huwelijkse periode. Over hun voorhuwelijkse periode worden zij geacht reeds bij ten tijde van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden een regeling te hebben getroffen.

4.13.6

Wat betreft de aan de deskundige te stellen vragen, stelt het hof zich voor dat in ieder het volgende aan de orde moet komen:

  • -

    De vraag of de bedragen die op de beginbalans de vof uit 2006 staan juist zijn, met name de inbreng van de vrouw ten bedrage van € 84.135,-.

  • -

    De vraag of de privé-onttrekkingen aan de vof juist zijn geadministreerd, gelet op de achterliggende stukken. Daarbij gaat het vooral om de vraag of er onttrekkingen zijn geweest die ten onrechte als onttrekking van de man (in plaats van een gezamenlijke onttrekking) zijn geboekt, en aan de vraag of er onttrekkingen zijn geweest die ten onrechte als gezamenlijke onttrekking (in plaats van een onttrekking van de vrouw) zijn geboekt. De deskundige zal in het bijzonder aandacht moeten besteden aan de stellingen van de man omtrent de lijfrenteverzekering van de vrouw (grief 4 van de man) de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de ziektekostenverzekering, de boete UWV en de gezinsvakantie in 2009 (zie grief 7 van de man).

  • -

    De vraag of de kapitaalsaldi op de slotbalans juist zijn.

  • -

    De vraag of het overzicht van de vrouw over de door ieder van partijen betaalde kosten van de huishouding juist is.

Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld op deze – voorgenomen – vragen te reageren en deze – desgewenst – aan te vullen met eigen vragen.

De en/of rekening

4.14

Grief 2 van de man klaagt dat de vrouw heeft verzuimd inzicht te geven in de banksaldi. Naar het hof tijdens de mondelinge behandeling heeft begrepen, heeft de vrouw de desbetreffende stukken inmiddels overgelegd. Voor zover er nog stukken zouden ontbreken, wordt de man verzocht bij akte zo precies mogelijk toe te lichten welke stukken hij nog mist. De vrouw zal deze dan alsnog aan de man moeten toezenden.

Levensverzekering Allianz

4.15

Grief 4 van de vrouw ziet op de beslissing van de rechtbank over de Levensverzekering Allianz. Volgens de vrouw heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat deze verzekering een kruiselingse verzekering betreft en dat de splitsing ervan feitelijk al heeft plaatsgevonden en dat ieder der partijen de waarde van hun deel toekomt. De levensverzekering dateert van 1996 en is onlosmakelijk verbonden aan de hypotheek; de verzekering loopt nog steeds en had op 31 december 2012 een waarde van € 27.545,07. Voorts heeft de rechtbank, aldus de vrouw, ten onrechte geoordeeld dat de man slechts de helft van de door de vrouw betaalde premies vanaf de huwelijkssluiting tot 1 mei 2010 dient te vergoeden. De vrouw betoogt dat ook de premies over de voor-huwelijkse periode en de periode na de peildatum dienen te worden gedeeld.

4.16

Naar aanleiding van deze grief heeft de vrouw haar vordering nader geconcretiseerd en heeft zij het hof verzocht:

  • -

    primair te bepalen dat de levensverzekering bij Allianz Future (ten name van de man en de vrouw) zonder nadere verrekening met de man aan de vrouw wordt toebedeeld;

  • -

    subsidiair te bepalen dat de levensverzekering bij Allianz Future (ten name van de man en de vrouw) zal worden gesplitst onder de voorwaarde dat de man aan de vrouw zal voldoen het bedrag van € 8.160,- aan premies.

4.17

De polis (versie van 20 juli 2007) is in eerste aanleg overgelegd als productie 15 bij de brief van 29 maart 2012 van de zijde vrouw. Hieruit blijkt het volgende.

  • -

    De polis, die een looptijd heeft van 5 juli 1996 tot 5 juli 2026 vermeldt de man en de vrouw als verzekeringsnemers. Als eerste begunstigden van de verzekeringsuitkering worden genoemd: de man en de vrouw ieder voor een gelijk deel.

  • -

    De overeenkomst is een beleggingsverzekering, waarvoor maandelijks premies zijn verschuldigd, welke premies (na aftrek van diverse kosten) participaties in het Allianz Holland Selectie Fonds worden aangekocht. Overeengekomen is dat de vrouw de premies voldoet.

  • -

    Aan het eind van de looptijd zal de waarde van de “toegewezen participaties” worden uitgekeerd aan beide verzekeringnemers, mits zij op dat moment beiden nog in leven zijn. Bij overlijden van een van beide verzekeringnemers tijdens de looptijd van de verzekering, wordt de verzekering beëindigd en wordt aan de langstlevende verzekeringnemer een bedrag van € 110.972,- uitgekeerd.

4.18

Gezien het feit dat beide partijen verzekeringnemer en begunstigde zijn en zij beiden gelijkelijk aanspraak kunnen op de verzekeringsuitkering, ziet het hof onvoldoende aanleiding om de verzekering uitsluitend aan de vrouw toe te delen zonder nadere verrekening met de man. In zoverre faalt haar grief.

4.19

Echter, naar de vrouw stelt, heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat de verzekering feitelijk al is verdeeld; deze duurt volgens de vrouw (ongewijzigd) voort. Indien juist, zal het hof een beslissing dienen te nemen over de verdeling van de polis. De man zal in de gelegenheid worden gesteld bij akte te reageren op de stelling van de vrouw dat verdeling nog niet heeft plaatsgevonden. Voor zover hij meent dat dat juist is, zal hij in de gelegenheid worden gesteld zijn visie over de wijze van verdeling te geven. De vrouw zal daarop bij akte kunnen reageren. De beslissing over de door de vrouw gevorderde bijdrage in de premies over de jaren 1996 tot en met (september) 2002 en in de premies na de peildatum, zal worden aangehouden.

Overig

4.20

In grief 3 van de man wordt onder meer erover geklaagd dat de man de contact-grill / tosti-ijzer niet van de vrouw heeft gekregen. Nu de vrouw zegt dat de grill niet meer aanwezig is, dient zij de schade te vergoeden, aldus de man. Deze grief faalt. De man heeft onvoldoende toegelicht waarom hij de vrouw aansprakelijk zou kunnen houden voor de “verdwijning” van de grill en welke schade hij dientengevolge heeft geleden. Dit had, gelet op de aard van de vordering en de stand van het geding, wel op zijn weggelegen.

4.21

Als onderdeel van grief 7 stelt de man dat hij jegens de vrouw aanspraak kan maken op een bedrag van € 39.241,-. De man voert aan dat hij in 2009 uit privé-middelen investeringen heeft gedaan in gemeenschappelijk bezit, te weten enkele percelen weiland en de aanleg van beschoeiing. De man stelt dat hij te dier zake een vergoedingsrecht heeft. Hij heeft stukken overgelegd die zijn vordering nader onderbouwen (productie 21).

4.22

Uit de door de man overgelegde stukken blijkt het volgende. Partijen hebben het weiland op 25 februari 2009 gezamenlijk in eigendom verkregen voor een koopprijs van € 22.500,-. Op 24 februari 2009 is er een bedrag van € 25.285,78 overgemaakt vanaf de betaalrekening van de man naar de derdengeldrekening van de notaris, zijnde een bedrag gelijk aan de koopprijs vermeerderd met de overdrachtsbelasting en de kosten. Op 31 maart 2009 is er vanaf dezelfde betaalrekening van de man een bedrag van € 5.000,- overgemaakt aan de verkoper van het weiland onder de vermelding “betaling ivm weiland beschoeiing”. Voorts heeft de man vanaf de zijn betaalrekening een bedrag van € 8.954,75 overgemaakt aan Timmerbedrijf […]. Volgens de man betreft dit een nota voor de aanleg van beschoeiing.

4.23

Uit de stukken die de man heeft overgelegd, zou kunnen worden afgeleid dat de man zowel de aankoopprijs als de benodigde investeringen voor zijn rekening heeft genomen, maar dit leidt er niet zonder meer toe dat de vrouw dat bedrag thans volledig dient te vergoeden aan de man. Het hof constateert namelijk dat partijen niet hebben toegelicht of het weiland nog steeds hun gezamenlijk eigendom is. In eerste aanleg is er over het weiland – voor zover het hof kan overzien – niet gedebatteerd en de rechtbank heeft dan ook niet (expliciet) een oordeel gegeven over het weiland en de daarin gedane investeringen. Voor de beoordeling van de grief van de man is van belang of partijen thans nog gezamenlijk eigenaar zijn. Zo ja, dan is van belang om te weten of aan deze situatie een einde zal worden gemaakt. Zo nee, dan wenst het hof te vernemen wat er precies is voorgevallen, zoals: is het weiland verkocht? Wat was de verkoopprijs? Aan wie is deze verkoopprijs ten goede gekomen? De man zal in de gelegenheid worden gesteld het hof hierover nader in te lichten. De vrouw zal hierop vervolgens kunnen reageren.

4.24

Grief 7 van de vrouw heeft geen zelfstandige inhoud en behoeft geen bespreking.

Conclusie

4.25

De volgende grieven slagen: grief 1 van de vrouw, en (deels) grief 7 van de man. De volgende grieven falen: grief 2 van de vrouw, (deels) grief 1 van de man, grief 3 van de man, grief 5 van de man en grief 6 van de vrouw.

4.26

Het hof is voornemens een deskundige te benoemen in verband met de behandeling van de grieven 3 en 5 van de vrouw en de grieven 1 (deels), 4 en (deels) 7 van de man. Partijen – eerst de man, daarna de vrouw – worden in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. Het hof verwijst in dit verband naar de rechtsoverwegingen 4.13.4, 4.13.5 en 4.13.6. De man heeft geen belang meer bij de behandeling van zijn zesde grief, waarin hij erover klaagt dat de rechtbank heeft nagelaten een deskundige te benoemen. Nog daargelaten dat het aan het beleid van de rechter is overgelaten of hij al dan niet over gaat tot benoeming van een deskundige.

4.27

De man zal in verband met de behandeling van grief 2 van de man (rechtsoverweging 4.14), grief 4 van de vrouw (rechtsoverweging 4.19) en (deels) grief 7 van de man (rechtsoverweging 4.23) in de gelegenheid worden gesteld nadere inlichtingen te verschaffen. De vrouw zal vervolgens hierop kunnen reageren.

4.28

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5 Beslissing

Het hof:

stelt de man in de gelegenheid binnen vier weken na heden bij brief te reageren op de hiervoor onder 4.25 en 4.26 bedoelde kwesties;

stelt de vrouw in de gelegenheid binnen drie weken na de dagtekening van de brief van de man hierop te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A. Joustra, C.G. Kleene-Eijk en W.J. van den Bergh in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. van Boheemen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2014.