Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:6130

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
11-05-2015
Zaaknummer
200.140.543-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:10094, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schriftelijke aanwijzing met betrekking tot omgang is besluit in zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht; aanwijzing is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en toereikend gemotiveerd, waarbij betrokken belangen voldoende tegen elkaar zijn afgewogen; ook overigens geen strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; vervallenverklaring aanwijzing is niet in belang van minderjarige en dat belang vergt ook geen andere omgangsregeling; moeder niet in staat om bestaande basisomgangsregeling na te komen, zodat uitbreiding van die regeling niet in belang van minderjarige kan worden geacht.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 258
Burgerlijk Wetboek Boek 1 259
Burgerlijk Wetboek Boek 1 263a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 27 mei 2014

Zaaknummer: 200.140.543/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/206329/JU RK 13-925

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. R.F.P. Scheele te Capelle aan den IJssel,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland,

gevestigd te Haarlem,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en BJZ genoemd.

1.2.

De moeder is op 20 januari 2014 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 25 oktober 2013 van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland met kenmerk C/15/206329/JU RK 13-925.

1.3.

BJZ heeft op 13 maart 2014 een verweerschrift ingediend.

1.4.

Mevrouw [y] (hierna: de pleegmoeder) heeft op 4 april 2014 een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zaak is op 7 april 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- Mr. C.C. Sneper, kantoorgenoot van de advocaat van de moeder;

- mevrouw [a], vertegenwoordiger van BJZ, bijgestaan door mr. E. Lam, advocaat te Amsterdam;

- de pleegmoeder en de heer [x] (hierna samen: de pleegouders), bijgestaan door mr. P.K. de Blieck-Willemsen, advocaat te Beverwijk;

- mevrouw [b], vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de Raad).

1.7.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2. De feiten

2.1.

Uit de moeder is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2007. De moeder is met het gezag over [de minderjarige] belast.

2.2

Bij beschikking van de kinderrechter van 22 februari 2010 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 22 februari 2015.

2.3

Bij beschikking van de kinderrechter van 16 juli 2010 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend voor verblijf in een netwerkpleeggezin. De machtiging is nadien verlengd, laatstelijk tot 22 augustus 2014. [de minderjarige] verblijft in het gezin van de zus van de moeder.

2.4.

BJZ heeft op 15 augustus 2013 een schriftelijke aanwijzing aan de moeder gegeven. Daarin is een omgangsregeling vastgesteld waarbij eenmaal in de twee weken op woensdagmiddag begeleide omgang plaatsvindt tussen de moeder en [de minderjarige]. Voorts is vastgesteld dat de moeder de mogelijkheid heeft om op iedere laatste zaterdag van de maand tussen 10.00 en 12.00 uur extra omgang te hebben met [de minderjarige] in het pleeggezin of om initiatief te nemen tot het (onder begeleiding) ondernemen van uitstapjes met [de minderjarige].

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de moeder de aanwijzing van BJZ van 15 augustus 2013 vervallen te verklaren en een nieuwe omgangsregeling vast te stellen, afgewezen.

3.2.

De moeder verzoekt - naar het hof begrijpt - primair, met vernietiging van de bestreden beschikking, de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren en BJZ op te dragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de eisen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en subsidiair een uitgebreidere omgangsregeling vast te stellen.

3.3.

BJZ verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en af te wijzen hetgeen meer of anders is verzocht.

3.4.

De pleegouders verzoeken de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:258 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan BJZ ter uitvoering van haar taak schriftelijk aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Op grond van artikel 1:259 lid 1 BW kan de kinderrechter op verzoek van de met gezag belaste ouder of op verzoek van de minderjarige van twaalf jaar of ouder de aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Op grond van artikel 1:263a lid 1 BW kan BJZ, voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van de minderjarige, voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind beperken. Ingevolge het tweede lid van deze bepaling geldt een dergelijke beslissing als een aanwijzing waarop artikel 1:259 BW van toepassing is, met dien verstande dat de kinderrechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

4.2.

De moeder betoogt dat BJZ zich bij het geven van de schriftelijke aanwijzing niet gehouden heeft aan de voorwaarden die gelden bij het nemen van een besluit, zoals neergelegd in de Awb. De schriftelijke aanwijzing is niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Zij voert daartoe aan dat BJZ al eerder een schriftelijke aanwijzing had moeten geven en dat BJZ heeft verzuimd de schriftelijke aanwijzing vooraf met moeder te bespreken. Voorts heeft BJZ nagelaten een belangenafweging te maken en heeft zij de gronden voor de aanwijzing pas ter zitting bij de kinderrechter aan de moeder kenbaar gemaakt.

4.3.

BJZ heeft de stellingen van de moeder gemotiveerd betwist. De schriftelijke aanwijzing is voldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd. De schriftelijke aanwijzing is gegeven op het verzoek van de moeder en houdt geen beperking in van de daarvóór geldende en in overeenstemming met de moeder bepaalde omgangsregeling. De moeder heeft nooit aan BJZ kenbaar gemaakt dat zij zich niet langer in deze regeling kon vinden en maakt geen gebruik van de extra omgang die zij met [de minderjarige] kan hebben, aldus BJZ.

4.4.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.5.

Het hof overweegt als volgt. De schriftelijke aanwijzing met betrekking tot de omgang op grond van artikel 1:263a BW dient aangemerkt te worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Door de rechter dient derhalve allereerst getoetst te worden of het besluit zorgvuldig en onder afweging van alle betrokken belangen tot stand is gekomen en toereikend is gemotiveerd. Vervolgens dient beoordeeld te worden of het in het belang van [de minderjarige] is om de aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren.

4.6.

Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting blijkt het volgende.

[de minderjarige] verblijft sinds 16 juli 2010 in het kader van de machtiging uithuisplaatsing in het gezin van de zus van de moeder. In februari 2012 zijn de moeder, de pleegouders en BJZ gezamenlijk een omgangsregeling overeengekomen, waarbij eenmaal in de twee weken op woensdag begeleid omgang plaatsvindt tussen de moeder en [de minderjarige]. Gedurende ongeveer een jaar heeft, conform de overeengekomen regeling, één keer per twee weken begeleide omgang tussen de moeder en [de minderjarige] plaatsgevonden. Vanaf januari 2013 zijn er problemen ontstaan in de uitvoering van de geldende regeling. [de minderjarige] is begin 2013 in het ziekenhuis opgenomen geweest en er is brand geweest in de woning van de moeder. Dientengevolge werden door de moeder afspraken afgezegd en werd de regeling minder goed nagekomen.

Op 6 juni 2013 heeft de advocaat van de moeder BJZ verzocht een door de moeder voorgestelde omgangsregeling “over te nemen” en indien BJZ hiermee niet akkoord gaat een schriftelijke aanwijzing te geven omtrent de omgangsregeling tussen de moeder en [de minderjarige]. BJZ heeft op 15 augustus 2013 een schriftelijke aanwijzing gegeven waarin de bestaande (basis) omgangsregeling gehandhaafd is.

4.7.

Ten aanzien van de totstandkoming van de schriftelijke aanwijzing overweegt het hof als volgt.

De schriftelijke aanwijzing is gegeven op het verzoek van de moeder, omdat BJZ de bestaande regeling wenst te handhaven en niet aan het verzoek tot uitbreiding van de omgangsregeling zoals gedaan in de brief van 6 juni 2013 tegemoet wilde komen. Gelet op deze gang van zaken kon de moeder redelijkerwijs begrijpen dat er een schriftelijke aanwijzing met betrekking tot de omgang zou worden gegeven. De inhoud van de aanwijzing komt overeen met de op dat moment geldende omgangsregeling, waarvan naar het oordeel van het hof voldoende is gebleken dat die regeling destijds in overleg met de moeder is vastgesteld en waarmee de moeder zich akkoord heeft verklaard. Hieruit kan worden afgeleid dat de moeder in voldoende mate bekend was met de uitgangspunten die aan die regeling ten grondslag lagen. Ook het feit dat de regeling gedurende een jaar zonder problemen is uitgevoerd wijst erop dat de moeder zich in deze regeling kon vinden. De omgangsregeling is de eerste helft van 2013 minder soepel verlopen, maar niet gebleken is dat de moeder zich vóór 6 juni 2013 tot BJZ heeft gewend en te kennen heeft gegeven dat zij zich niet langer in de bestaande omgangsregeling kon vinden. Het was voor BJZ tot het moment van het verzoek van de advocaat derhalve redelijkerwijs niet kenbaar dat de moeder niet langer akkoord ging met de aanvankelijk bepaalde omgangsregeling, zodat ook geen aanleiding bestond om vóór 6 juni 2013 een aanwijzing te geven, zoals de moeder stelt. Voorts heeft BJZ ter zitting in hoger beroep onweersproken verklaard dat er na ontvangst van de brief van 6 juni 2013 en vóór het geven van de aanwijzing telefonisch contact is geweest tussen BJZ en de advocaat van moeder over de te geven aanwijzing. Het hof is van oordeel dat, gelet op het hierboven overwogene, moet worden geconcludeerd dat de aanwijzing voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De omstandigheid dat BJZ het besluit ter zitting bij de rechtbank nader heeft toegelicht maakt dit niet anders. Het tijdsverloop tussen het verzoek van de advocaat van de moeder en de totstandkoming van de aanwijzing is weliswaar lang, maar niet zodanig dat dit kan leiden tot een ander oordeel.

4.8.

Het hof is voorts van oordeel dat de aanwijzing toereikend is gemotiveerd. In de schriftelijke aanwijzing zijn de argumenten om de bestaande regeling te handhaven genoemd. Hierbij heeft BJZ er onder meer op gewezen dat de moeder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om naast de omgang op woensdagmiddag meer tijd met [de minderjarige] door te brengen of gebruik te maken van de extra contactmogelijkheden via skype. Voorts is gewezen op het feit dat [de minderjarige] niet goed heeft gereageerd op onbegeleide omgang. Voldoende kenbaar is dat het volgens BJZ om deze redenen niet voor de hand lag om een uitbreiding van de bestaande regeling toe te staan.

4.9.

Ten slotte is het hof van oordeel dat BJZ de betrokken belangen voldoende tegen elkaar heeft afgewogen om tot de bestreden aanwijzing te kunnen komen en dat de belangen van [de minderjarige] niet vergen dat deze aanwijzing vervallen verklaard behoort te worden. Duidelijk is dat de moeder vanaf januari 2013 moeite heeft om de basisregeling, waarin er één keer per twee weken op woensdagmiddag omgang is, na te komen. Zo blijkt zowel uit het rapport van de Raad van 25 maart 2014 als uit de mededelingen van de pleegouders ter zitting in hoger beroep dat de moeder in 2013 en aanvang 2014 voor veel woensdagmiddagen de bezoekafspraken heeft afgezegd. Ook heeft de moeder geen gebruik gemaakt van de haar geboden mogelijkheid om extra omgang te hebben op de laatste zaterdag van de maand of om het initiatief te nemen tot uitstapjes met [de minderjarige]. Om [de minderjarige] te behoeden voor teleurstellingen als haar moeder niet op de afgesproken woensdagen verschijnt, is inmiddels afgesproken dat de moeder op de voorafgaande dinsdag bij de pleegmoeder meldt of zij al dan niet op woensdag zal komen. Nu de moeder niet in staat is om de geldende basisregeling na te komen, kan een uitbreiding van die regeling niet in het belang van [de minderjarige] geacht worden, omdat een dergelijke uitbreiding het risico meebrengt dat zij nog vaker dan voorheen door haar moeder teleurgesteld zal worden.

4.10.

Uit hetgeen hiervoor overwogen volgt dat de schriftelijke aanwijzing voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en toereikend is gemotiveerd, waarbij de betrokken belangen voldoende tegen elkaar zijn afgewogen. Ook overigens is de aanwijzing niet in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Nu vervallenverklaring van de aanwijzing voorts niet in het belang van [de minderjarige] is en dat belang ook geen andere omgangsregeling vergt, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen en het in hoger beroep meer of anders verzochte afwijzen.

4.11.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. M.F.G.H. Beckers en mr. R.G. Kemmers in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2014.