Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:6116

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
09-06-2015
Zaaknummer
200.129.382-01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2014:6134
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:2443, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Het hof is van oordeel dat de vrouw niet heeft voldaan aan de haar in de tussenbeschikking geboden mogelijkheid haar verweer deugdelijk te onderbouwen. Het voorgaande leidt ertoe dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 1:160 BW is voldaan, zoals de man stelt. Einde alimentatieverplichting.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 160, geldigheid: 2015-06-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 9 september 2014

Zaaknummer: 200.129.382/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: 139376/FA RK 12-600

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. J.M. Neervoort te Den Helder,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. N.A.M. Oor te Julianadorp.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna wederom respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

Het hof verwijst voor de feiten en het verloop van de procedure naar en neemt over hetgeen hieromtrent is opgenomen in zijn tussenbeschikking van 18 maart 2014.

1.3.

Op 15 april 2014 zijn bij dit hof stukken van de zijde van de vrouw binnengekomen, inhoudende een verklaring van de heer [x] van 10 april 2014 en kwitanties ten bewijze van huurbetalingen vanaf 2009. De advocaat van de man heeft bij fax van 20 juni 2014 op deze stukken gereageerd.

2 Nadere beoordeling van het hoger beroep

2.1.

Het hof heeft de vrouw in de gelegenheid gesteld haar verweer dat zij een kamer huurt in de woning van [x], nader te onderbouwen met (financiële) bescheiden waaruit daadwerkelijke huurbetalingen vanaf november 2009 blijken. Het hof heeft daarbij overwogen dat het overleggen van kopie kwitanties zoals de vrouw eerder had gedaan, ter ondersteuning van haar verweer onvoldoende is. De vrouw heeft daarop wederom een aantal kopie kwitanties, nu over de periode van augustus 2009 tot en met mei 2012, in het geding gebracht. Verder heeft zij de onder 1.3. vermelde schriftelijke verklaring van [x] overgelegd, waarin is vermeld dat de vrouw vanaf 1 augustus 2009 een kamer bij hem huurt, dat zij hem de huurpenningen ad € 350,- per maand op zijn verzoek altijd contant betaalt tegen verstrekking van kwitanties als bewijs van betaling, zulks in verband met zijn financiële situatie, en dat hij geen affectieve relatie met haar heeft.

Het hof is van oordeel dat de vrouw hiermee niet heeft voldaan aan de haar in de tussenbeschikking geboden mogelijkheid haar verweer deugdelijk te onderbouwen. Het hof acht met het overleggen van de kopie kwitanties niet aannemelijk gemaakt dat de vrouw iedere maand huur betaalt. De vrouw heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom betaling van de huurpenningen noodzakelijkerwijs altijd contant dient plaats te vinden. De enkele verwijzing door [x] naar zijn financiële situatie is ontoereikend als verklaring daarvoor. Er moet vanuit worden gegaan dat, indien er daadwerkelijk sprake zou zijn van een huurovereenkomst tussen [x] en de vrouw, en de vrouw de huur steeds contant betaalt, andere (financiële) bescheiden als bewijs van daadwerkelijke huurbetalingen (tenminste bankafschriften waaruit de opnamen van contanten blijken) voorhanden zouden zijn. Nu die evenwel niet zijn overgelegd, is niet aannemelijk geworden dat er sprake is van een huurovereenkomst tussen [x] en de vrouw. De schriftelijke verklaring van [x] maakt dat niet anders.

De vrouw heeft in eerste aanleg noch in hoger beroep bewijs aangeboden. Het hof ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding haar ambtshalve toe te laten tot bewijs van haar stelling dat zij een kamer huurt in de woning van [x].

2.2.

Nu vaststaat dat de vrouw, eerder nog dan met ingang van 3 november 2009, op hetzelfde adres als [x] woont en niet aannemelijk is dat sprake is van een huurovereenkomst tussen de vrouw en [x], moet ervan worden uitgegaan dat zij op dat adres samenwonen. Uit de door de man overgelegde verklaring van mevrouw [b] van 20 juni 2013, blijkt bovendien dat de vrouw en [x] de slaapkamer delen. [b] verklaart immers dat zij van de zoon van [x] gehoord heeft dat zijn vader een relatie heeft met […] (de vrouw) en dat hij vertelde over een incident dat had plaatsgevonden bij [x] en de vrouw thuis. [x] lag al op bed en de vrouw had behoorlijk gedronken. De zoon heeft de vrouw moeten helpen om naar boven te komen en heeft haar begeleid naar de slaapkamer, naar zijn vader toe, aldus de verklaring van [b].

Uit de door de man overgelegde overige getuigenverklaringen en bescheiden (Hyves pagina’s van de vrouw en de zoon van [x] alsmede de foto’s van de vrouw en [x] die op vakantie en tijdens uitjes zijn genomen) volgt genoegzaam dat de vrouw en [x] samen op vakantie gaan en dat sinds 3 november 2009 tussen hen een affectieve relatie bestaat. Verder moet, gelet op het hiervoor overwogene, als vaststaand worden aangenomen dat [x] aan de vrouw met ingang van 3 november 2009 onderdak verschaft, waarmee voldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw en [x] een duurzame affectieve relatie hebben die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen. Nu uit de overgelegde bescheiden blijkt dat het huis waarin de vrouw en [x] samenwonen over één keuken beschikt, moet uit het geheel van de overgelegde verklaringen en bewijsstukken worden afgeleid dat de vrouw en [x] een gemeenschappelijke huishouding voeren, waaruit eveneens volgt dat zij elkaar wederzijds verzorgen.

De vrouw heeft de inhoud van de door de man overgelegde getuigenverklaringen en bescheiden weliswaar betwist, maar aan die betwisting moet worden voorbij gegaan. Van de vrouw had, nu zij op hetzelfde adres als [x] woonde en woont, meer mogen worden verwacht dan de betrekkelijk ongemotiveerde betwisting van de stukken van de man waartoe zij zich heeft beperkt. Dat geldt temeer nu zij ter zitting in hoger beroep niet in persoon is verschenen en daarmee de vragen aan de vrouw die de betreffende stukken bij het hof opriepen, onbeantwoord heeft gelaten. Ook de door de vrouw overgelegde verklaring van [x] dat hij geen affectieve relatie met de vrouw heeft en haar zelden in huis treft is ontoereikend, zeker nu niet is komen vast te staan dat sprake is van een huurovereenkomst tussen de vrouw en hem.

2.3.

Uit het voorgaande volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 1:160 BW is voldaan, zoals de man stelt. Het hof ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding de vrouw nog tot tegenbewijs van die stelling toe te laten. Dat leidt tot de conclusie dat de verplichting van de man tot het verstrekken van levensonderhoud aan de vrouw is geëindigd met ingang van 3 november 2009. Hetgeen de vrouw na die datum van de man aan alimentatie heeft ontvangen, dient zij als onverschuldigd betaald aan hem terug te betalen. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en de verzoeken van de man alsnog toewijzen.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende,

bepaalt dat de verplichting van de man tot het verstrekken van levensonderhoud aan de vrouw is geëindigd met ingang van 3 november 2009;

veroordeelt de vrouw tot terugbetaling aan de man van de bedragen die zij sinds 3 november 2009 als uitkering tot haar levensonderhoud van de man heeft ontvangen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. G.J. Driessen-Poortvliet en mr. R.G. Kemmers in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2014.