Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:6115

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
16-04-2015
Zaaknummer
200.134.999/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie jongmeerderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 29 juli 2014

Zaaknummer: 200.134.999/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/200971 / FARK 13-801

in de zaak in hoger beroep van:

[…]

(hierna te noemen: de vrouw),

optredend voor zichzelf en als gemachtigde van:

[…]

(hierna te noemen: [kind a]),

wonende te […],

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. I.C. de Zwart te Leiden,

tegen

[…]

(hierna te noemen: de man),

wonende te […],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J. de Koning te Lisse.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

De vrouw is, daartoe gemachtigd door [kind a], op 7 oktober 2013 namens [kind a] in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 24 juli 2013 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/200971 / FARK 13-801.

1.2.

De man heeft op 12 december 2013 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.3.

De vrouw heeft op 17 februari 2014 een verweerschrift in het hoger beroep van de man ingediend.

1.4.

De vrouw heeft op 16 oktober 2013, 18 oktober 2013, 6 november 2013, 9 december 2013, 18 februari 2014 en 25 februari 2014 nadere stukken ingediend. De man heeft op 28 februari 2014 en 5 maart 2014 nadere stukken ingediend.

1.5.

De zaak is op 12 maart 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2 De feiten

2.1.

De vrouw en de man zijn [in] 1992 gehuwd. Nadat zij in december 2009 feitelijk uit elkaar waren gegaan, is hun huwelijk op 19 augustus 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 10 augustus 2010 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren […] (hierna: [kind b]) [in] 1995 en [kind a] [in] 1993.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1954. Hij is alleenstaand.

Hij is werkzaam in loondienst bij [bedrijf 1] en [uitzendbureau 1].

Zijn salaris bij [bedrijf 1] bedroeg volgens de salarisspecificaties van week 5 en 6 in 2014 € 413,- bruto (€ 289,- netto) per week.

Blijkens de jaaropgave over 2013 van [uitzendbureau 1] bedroeg het fiscaal loon dat hij in dat jaar daar verdiende € 23.767,-.

Blijkens de jaaropgaven over 2012 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar in totaal € 22.770,-, bestaande uit € 4.720,- ([uitzendbureau 2]), € 12.042,- ([uitzendbureau 1] en € 6.008,- ([bedrijf 1]).

Blijkens de jaaropgaven over 2011 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar in totaal € 6.467,-, bestaande uit € 2.422,- ([uitzendbureau 2]), € 1.236,- ([bedrijf 2]) en € 2.809,- ([bedrijf 1]).

Aan huur/en enige servicekosten betaalde hij tot 1 juli 2013 € 879,- . Hij betaalt thans € 971,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 96,- per maand. Het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden bedraagt € 360,- per jaar.

2.3.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1954. [kind a] en [kind b] wonen bij haar.

Zij is met ingang van 1 augustus 2010 bij [vereniging] werkzaam in loondienst. Haar salaris bedraagt volgens de salarisspecificaties van september 2012 t/m november 2012 € 3.337,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 152,- per maand.

2.4.

Ten aanzien van [kind a] is het volgende gebleken.

Hij volgt met ingang van 30 augustus 2011 een voltijdse MBO-4 opleiding aan het [college] in [a].

Hij werkt met ingang van 22 februari 2010 een aantal dagen per maand in de horeca als afwasser. Zijn salaris bedraagt volgens de salarisspecificatie van februari 2013 circa € 227,- netto per maand. Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 3.200,-.

Hij ontving in 2012 een bedrag aan studiefinanciering van circa € 387,- per maand. Dit bedrag is (met terugwerkende kracht tot 1 januari 2012) teruggebracht naar een bedrag van € 75,- per maand (de basisbeurs), in verband met een gewijzigde ouderbijdrage. Het teveel betaalde moet hij terugbetalen en is dus omgezet in een schuld. Hij ontvangt met ingang van oktober 2012 in het geheel geen studiefinanciering meer omdat zijn studiefinanciering wordt verrekend met deze schuld.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 123,- per maand. De zorgtoeslag in 2014 is berekend op € 865,-.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2010 aan de vrouw en met ingang van [datum] 2011 aan [kind a] als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging respectievelijk uitkering tot levensonderhoud en studie van [kind a] een bedrag dient te voldoen van € 502,92 per maand. De vrouw en [kind a] zijn niet ontvankelijk verklaard in het verzoek voor zover het de periode vanaf [datum] 2014 betreft. Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw en [kind a] te bepalen dat de man aan haar respectievelijk [kind a] een bijdrage dient te betalen van € 502,92 per maand, met ingang van 1 januari 2010 tot de datum waarop [kind a] zijn studie heeft voltooid. De vrouw had voorts verzocht het totaalbedrag met terugwerkende kracht expliciet in het dictum op te nemen.

De man heeft in eerste aanleg geen verweer gevoerd.

3.2.

De vrouw verzoekt namens [kind a] in principaal hoger beroep, met vernietiging, althans met aanvulling van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de bijdragen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 door de man betaald dienen te worden, alsmede vast te stellen dat de achterstand tussen 1 januari 2010 en 1 augustus 2013 € 21.625,56 bedraagt, welk bedrag de man binnen 14 dagen na het in kracht van gewijsde gaan van de beschikking van het hof aan de vrouw dient te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening.

3.3.

De man verzoekt in principaal hoger beroep de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans haar grief af te wijzen. Hij verzoekt in incidenteel hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking, (naar het hof begrijpt) het inleidend verzoek van de vrouw en [kind a] alsnog af te wijzen, althans pas met ingang van 1 augustus 2013 een bijdrage te bepalen op een zodanig bedrag als het hof juist acht.

3.4.

De vrouw verzoekt primair de man in zijn incidenteel hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, en subsidiair het incidenteel hoger beroep van de man geheel af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de man niet-ontvankelijk is in zijn incidenteel hoger beroep, nu hij bij zijn verweerschrift houdende incidenteel hoger beroep geen stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn financiële situatie. Het hof verwerpt dit verweer. Anders dan de vrouw is het hof van oordeel dat het niet overleggen van financiële gegevens niet tot consequentie heeft de man in zijn incidenteel hoger beroep niet ontvankelijk is Het ontbreken van bepaalde stukken kan wel bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken, zoals hierna nog zal blijken.

4.2.

Aan de orde is de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van [kind a]. Tussen partijen is de ingangsdatum van de bijdrage, de behoefte van [kind a] en de draagkracht van de man in geschil.

4.3.

Het hof ziet aanleiding eerst de behoefte van [kind a] te behandelen. De vrouw stelt dat zijn behoefte € 1.017,64 per maand bedraagt, welke behoefte met een kostenoverzicht is onderbouwd.

De man heeft de behoefte van [kind a] en het opgestelde overzicht gemotiveerd betwist. Hij heeft daarbij onder meer opgemerkt dat in de lijst een bedrag is opgenomen van € 502,92, waarbij is uitgegaan van de berekening van het Nibud dat de kosten van een kind 17% van het netto besteedbaar inkomen zijn. Volgens de man berekent het Nibud de totale kosten van een kind. Dat zou betekenen dat de totale behoefte van [kind a] € 502,92 is. In het behoefteoverzicht worden echter nog veel afzonderlijke kosten bij dit bedrag opgeteld.

De man is van mening dat de behoefte van [kind a] tot zijn 18e dient te worden bepaald op grond van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Volgens de man bedroeg dit € 2.500,- per maand en is de behoefte van [kind a] als gevolg hiervan € 170,- per maand. Vanaf de jongmeerderjarigheid dient aansluiting te worden gezocht bij de WSF norm van, volgens de man, afgerond € 473,- per maand, waar de basisbeurs en de eigen inkomsten van [kind a] op in mindering dienen te worden gebracht, aldus de man. De behoefte die overblijft moeten beide ouders in beginsel naar rato dragen.

4.4.

Het hof is van oordeel dat de vrouw het kostenoverzicht van [kind a] tegenover de gemotiveerde betwisting van de man onvoldoende heeft onderbouwd. Met name is niet inzichtelijk geworden waar het bedrag van € 502,92 per maand aan ‘dagelijks onderhoud’ uit bestaat, gelet op de vele andere kosten die daarnaast in het overzicht zijn opgenomen.

Gelet hierop zal het hof de behoefte van [kind a] volgens de gebruikelijke richtlijnen vaststellen. Dit betekent dat het hof voor het bepalen van de behoefte van [kind a] tot zijn 18e jaar zal uitgaan van het netto gezinsinkomen van partijen. De man stelt dat het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen circa € 2.500,- netto per maand bedroeg en heeft dit gebaseerd op het inkomen van de vrouw ten tijde van de echtscheiding. De man stelt dat hij destijds geen inkomen had. De vrouw heeft het door de man gestelde gezinsinkomen in die zin betwist, dat zij stelt dat achteraf is gebleken dat de man al in 2010 inkomsten had, zodat niet slechts van haar inkomen kan worden uitgegaan.

Het hof overweegt dat voor het vaststellen van de behoefte van kinderen wordt uitgegaan van het netto gezinsinkomen ten tijde van de samenleving. De vrouw heeft niet betwist dat de man geen inkomen had toen partijen in 2009 feitelijk uit elkaar gingen, zoals ook blijkt uit haar aanvullend verzoek in eerste aanleg. Daarnaast heeft de vrouw ter zitting in hoger beroep verklaard dat de man gedurende het huwelijk jarenlang niet heeft gewerkt. Gelet hierop acht het hof het redelijk om voor het bepalen van de behoefte van [kind a] uit te gaan van het door de man gestelde netto gezinsinkomen van € 2.500,- per maand. Het hof volgt de man echter niet in zijn stelling dat de behoefte van [kind a] op grond van dit gezinsinkomen € 170,- per maand bedraagt. Op grond van de ‘Tabel eigen aandeel kosten kinderen’ voor het jaar 2009 bedroeg de behoefte van beide kinderen in het gezin in totaal € 505,- per maand. De behoefte van [kind a] bedroeg tot zijn 18e verjaardag derhalve afgerond € 253,- per maand.

Met ingang van [datum] 2011 (de datum waarop [kind a] 18 jaar is geworden) zal het hof bij het vaststellen van de behoefte van [kind a] aansluiten bij de (afgeronde) WSF-normen per 1 januari 2012 voor een thuiswonende student hoger beroepsonderwijs, te weten, anders dan de man stelt, € 549,- per maand. [kind a] ontving in 2011 nog een basisbeurs van € 75,– en een aanvullende beurs van € 309,- per maand, welke in mindering wordt gebracht op zijn behoefte. Zijn behoefte bedroeg met ingang van [datum] 2011 derhalve € 165,- per maand.

Uit een overgelegd bericht van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van 23 oktober 2012 blijkt dat DUO voor het jaar 2012 nieuwe ouderbijdragen heeft vastgesteld, waarbij de bijdrage van de vrouw op € 156,70 is bepaald en de bijdrage van de man op € 154,33. Als gevolg hiervan is de studiefinanciering van [kind a] met ingang van 1 januari 2012 verlaagd. Zijn aanvullende beurs is komen te vervallen. De door [kind a] teveel ontvangen studiefinanciering is door DUO omgezet in een schuld en het teveel ontvangen bedrag wordt verrekend met de nog te ontvangen studiefinanciering. Dit heeft ertoe geleid dat [kind a] met ingang van 1 januari 2012 nog slechts voor de basisbeurs in aanmerking kwam en met ingang van 1 oktober 2012 feitelijk helemaal geen studiefinanciering meer ontvangt.

Het hof stelt de behoefte van [kind a] over de periode van 1 januari 2012 tot 1 oktober 2012 vast op het normbedrag minus de basisbeurs, hetgeen neerkomt op € 474,- per maand. Per 1 oktober 2012 komt de behoefte van [kind a] overeen met het volledige normbedrag van € 549,- per maand.

[kind a] heeft naast zijn studie een bijbaantje in de horeca. Zijn inkomsten bedragen circa € 227,- netto per maand. Het hof acht het redelijk de inkomsten van [kind a] bij het vaststellen van zijn behoefte buiten beschouwing te laten, nu het geen substantiële inkomsten betreft en [kind a] een voltijdse studie volgt.

4.5.

Thans is de draagkracht van partijen, de verdeling van de kosten van [kind a] en de ingangsdatum van de door de man te betalen bijdrage aan de orde.

De man stelt dat hij geen draagkracht heeft (gehad) om enige bijdrage te voldoen. Indien er toch een door hem te betalen bijdrage wordt vastgesteld, verzoekt de man de ingangsdatum daarvan te bepalen op augustus 2013. De vrouw betwist dat de man geen draagkracht heeft. Zij is van mening dat hij onvoldoende stukken heeft overgelegd. Volgens haar heeft de man vanaf begin 2010 inkomsten gehad en dient de bijdrage dus met ingang van 1 januari 2010 in te gaan.

4.6.

Het hof overweegt als volgt. Op de man rust een wettelijke onderhoudsplicht jegens zijn kinderen, in elk geval zolang deze de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt. De man stelt dat dat hij bij gebrek aan draagkracht niet in staat is (geweest) zijn onderhoudsplicht na te komen. Het ligt op zijn weg deze stelling nader te onderbouwen, onder meer door het overleggen van stukken waaruit zijn financiële situatie blijkt.

Uit de door hem overgelegde aanslag Inkomstenbelasting over 2010 blijkt dat hij over dat jaar geen aangifte heeft gedaan, als gevolg waarvan de belastingdienst zijn verzamelinkomen heeft geschat op € 24.581,-, geheel bestaand uit inkomen in Box 1. Uit deze aanslag blijkt dat bij de man geen loonheffing is ingehouden, zodat het geschatte inkomen van de man kennelijk geheel bestaat uit winst uit onderneming of uit inkomsten uit overige werkzaamheden. Ter zitting in hoger beroep heeft de man desgevraagd beaamd dat hij in het verleden een onderneming heeft gehad en ook thans nog zich beschikbaar stelt als zzp-er. De man heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze ambtshalve aanslag, ondanks het feit dat hij stelt in dat jaar in het geheel geen inkomen te hebben gehad. Een aangifte of aanslag inkomstenbelasting over 2011 ontbreekt. Uit de door de man overgelegde jaaropgaven over 2011 volgt dat zijn fiscaal inkomen in dat hele jaar slechts € 6.467,- was. Hij heeft in voornoemde jaren evenmin een uitkering ontvangen. Ter zitting in hoger beroep heeft de man desgevraagd verklaard dat hij destijds is rondgekomen door in te teren op zijn vermogen - hij heeft circa € 50.000,- uit de echtscheiding ontvangen -, en dat hij geld heeft geleend van vrienden. Deze stellingen zijn door hem echter op geen enkele wijze onderbouwd. Hij heeft geen stukken overgelegd ten aanzien van zijn onderneming, zijn eventuele inkomsten als zzp-er of zijn vermogen, noch ten aanzien van de door hem gestelde leningen.

Met betrekking tot de jaren 2012 en 2013 heeft de man gegevens over zijn inkomen overgelegd zoals hiervoor vermeld onder 2.3. Het hof constateert dat met betrekking tot 2012 andermaal aangiftes en (voorlopige) aanslagen ontbreken. Ook over deze jaren heeft de man geen gegevens overgelegd van zijn onderneming en/of zijn inkomsten als zzp-er.

Het hof is van oordeel dat de man al met al onvoldoende gegevens heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij geen draagkracht heeft. Nu de man onvoldoende inzicht in zijn financiële situatie heeft gegeven, is het voor het hof niet mogelijk zijn draagkracht vast te stellen. Dit dient voor zijn rekening en risico te komen. Onder deze omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat de man voldoende draagkracht had om een bijdrage ten behoeve van [kind a] te voldoen. Bij deze stand van zaken gaat het hof er bovendien van uit dat de man zijn onderhoudsplicht jegens [kind a] heeft verzaakt, door geen openheid te geven over zijn financiële situatie. Om die reden zal het hof de ingangsdatum van de bijdrage op 1 januari 2010 bepalen. Nu door toedoen van de man niet kan worden vastgesteld hoe de draagkracht van de man zich verhield tot de draagkracht van de vrouw zal het hof, met de vrouw, ervan uitgaan dat de man voor de helft in die behoefte kan voorzien.

4.7.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind a] in de periode van 1 januari 2010 tot [datum] 2011 van € 127,- en een door de man te betalen uitkering in het levensonderhoud en studie van [kind a] voor de periode van [datum] 2011 tot 1 januari 2012 van € 83,- per maand, voor de periode van 1 januari 2012 tot 1 oktober 2012 van € 237,- per maand en met ingang van 1 oktober 2012 van € 275,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

4.8.

Voorts is nog aan de orde het verzoek van de vrouw om de achterstand van de man in de bijdrage over de periode van 1 januari 2010 tot 1 augustus 2013 expliciet vast te stellen. De vrouw verzoekt die achterstand te bepalen op € 21.625,56, zijnde 43 maal het door haar verzochte maandelijkse bedrag van € 502,92. Dit verzoek zal worden afgewezen. In hoger beroep stelt het hof andere door de man te betalen bijdragen vast dan de rechtbank bij de bestreden beschikking heeft gedaan. Uit het dictum van deze beschikking kan worden afgeleid hoeveel de man vanaf 1 januari 2010 verschuldigd is geworden. Uit de stukken van het dossier blijkt evenwel dat de vrouw het LBIO heeft ingeschakeld, waardoor onduidelijk is hoe groot de feitelijke achterstand van de man thans nog is.

Het hof overweegt ten overvloede dat, zoals hierna in het dictum wordt bepaald, over het verleden verschuldigde bijdragen bij vooruitbetaling voldaan moesten worden, zodat de man telkens met ingang van de eerste dag van de desbetreffende maand in verzuim is, indien hij de bijdrage over die maand nog niet had voldaan.

4.9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

In principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt de beschikking waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind a] met ingang van 1 januari 2010 tot [datum] 2011 op € 127,- (HONDERD ZEVENENTWINTIG EURO) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw;

bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind a] met ingang van [datum] 2011 tot 1 januari 2012 op € 83,- (DRIEËNTACHTIG EURO) per maand, vanaf 1 januari 2012 tot 1 oktober 2012 op € 237,- (TWEEHONDERD ZEVENENDERTIG EURO) per maand en vanaf 1 oktober 2012 op € 275,- (TWEEHONDERD VIJFENZEVENTIG EURO) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen aan [kind a];

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kemmers, mr. A.V.T. de Bie en mr. M. Meerman-Padt in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2014.