Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:6114

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
09-04-2015
Zaaknummer
200.143.728/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:943, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:6024, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Benoeming vereffenaar, belanghebbende.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 4 211, geldigheid: 2015-04-09
Burgerlijk Wetboek Boek 4 203, geldigheid: 2015-04-09
Burgerlijk Wetboek Boek 4 7, geldigheid: 2015-04-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0165

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 16 december 2014

Zaaknummer: 200.143.728/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/541377 / HA RK 13-135

Beschikking van de meervoudige familiekamer

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

appellante,

advocaat: mr. I. Heijselaar te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.M. de Vries te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk [X] en [Y] genoemd.

1.2.

[X] is op 14 maart 2014 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 20 februari 2014 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/541377 / HA RK 13-135.

1.3.

[Y] heeft op 19 mei 2014 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 1 oktober 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de advocaat van [X];

- [Y], bijgestaan door mr. B.P.R. Milar advocaat te Amsterdam.

1.6.

[X] en de heer [R], (voormalig) vereffenaar in de nalatenschap van [Z] (hierna: [R]), zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

2 De feiten

2.1.

[X] is de dochter van [Z] (hierna ook: erflater), die op 27 mei 2012 is overleden. Erflater heeft niet bij uiterste wil over zijn nalatenschap beschikt. Erflater had tot zijn overlijden een relatie met [Y]. Volgens de verklaring van erfrecht van 10 juli 2012 is [X] enig erfgenaam. [X] heeft bij akte van 27 juni 2012 de nalatenschap aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

2.2.

[Y] heeft op 30 mei 2012 PC Hooft Uitvaartverzorging (hierna: PC Hooft) opdracht gegeven de uitvaart van erflater te verzorgen.

2.3.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 1 juni 2012 is het verzoek van [X], te bepalen dat erflater zou worden begraven in plaats van te worden gecremeerd, afgewezen.

2.4.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 18 december 2012 is, voor zover thans van belang, bepaald dat [X] als enig erfgenaam en vereffenaar van de nalatenschap van erflater de kosten van PC Hooft van € 5.276,- aan [Y] dient te betalen, met bijkomende incasso kosten zoals die door PC Hooft gevorderd worden op het moment van voldoening. Dit vonnis is bij arrest van 30 juli 2013 van dit hof bekrachtigd waarbij [X] is veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

2.5.

Bij vonnis van de kantonrechter van 12 september 2013 is [Y] veroordeeld om aan PC Hooft een bedrag van € 2.777,28 te betalen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 december 2012 en met proceskosten ten bedrage van € 879,17. In een daaropvolgende vrijwaringsprocedure heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 19 december 2013 [X] veroordeeld aan [Y] te betalen datgene waartoe [Y] als gedaagde in de hoofdzaak jegens PC Hooft is veroordeeld vermeerderd met € 467,83 aan kosten. [X] is bij dagvaarding van 19 maart 2014 van deze uitspraak in hoger beroep gekomen bij dit hof.

2.6.

Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 18 september 2014 is de heer [R] (op eigen verzoek) ontslagen als vereffenaar van de nalatenschap van erflater, is het verzoek tot benoeming van een (nieuwe) vereffenaar aangehouden en is de zaak verwezen naar de parkeerrol van 2 april 2015.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is de heer [R] benoemt tot vereffenaar van de nalatenschap van erflater.

3.2.

[X] verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, [Y] niet-ontvankelijk te verklaren in het inleidend verzoek, althans het inleidend verzoek af te wijzen met veroordeling van [Y] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep en voor zover mogelijk [X] te ontslaan uit de eerdere proceskostenveroordelingen uitgesproken door dit hof en de voorzieningenrechter en kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

3.3.

[Y] verzoekt het door [X] in hoger beroep verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen en [X] niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek haar te ontslaan uit de eerdere proceskostenveroordelingen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Het hof volgt [Y] niet in haar betoog dat [X] niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep omdat zij zonder toestemming van de vereffenaar hoger beroep heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking. Het instellen van hoger beroep tegen een beslissing tot benoeming van een vereffenaar kan immers niet beschouwd worden als het beschikken over goederen van de nalatenschap waarvoor ingevolge het bepaalde in artikel 4:211 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de erfgenaam de toestemming van de vereffenaar of de kantonrechter behoeft. [X] is ontvankelijk in het hoger beroep.

4.2.

Ingevolge artikel 4:203 lid 1 sub b BW kan de rechtbank, na aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving, op verzoek van een belanghebbende een vereffenaar benoemen, onder meer en voor zover hier aan de orde, wanneer hij die met het beheer der nalatenschap belast is in ernstige mate in de vervulling van zijn verplichtingen tekortschiet of daartoe ongeschikt is.

4.3.

Volgens [X] heeft de rechtbank [Y] ten onrechte als belanghebbende aangemerkt. [X] stelt dat [Y] het haar, en de door haar benaderde notaris, tot op heden onmogelijk heeft gemaakt de werkzaamheden als vereffenaar uit te voeren door bescheiden en zaken, die in het kader van de vereffening belangrijk waren, niet af te staan. Volgens [X] zijn de kosten van de uitvaart reeds in juni 2012 voldaan via de bankrekening van de grootmoeder van [X] en [Y] heeft dan ook geen vordering op de nalatenschap en is derhalve geen schuldeiser. [X] is voorts van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er voldoende gronden aanwezig zijn om tot benoeming van een andere vereffenaar over te gaan. [X] stelt dat de nalatenschap van erflater een vordering heeft op [Y] ter zake van de terugbetaling van verduisterde gelden.

[Y] heeft de stellingen van [X] betwist en voert aan dat schuldeisers worden aangemerkt als belanghebbende bij de benoeming van een vereffenaar. Volgens [Y] kan uit de door [X] overgelegde verklaring niet worden afgeleid dat de uitvaartkosten in juni 2012 zijn voldaan door de grootmoeder van [X]. In een dergelijk geval zou PC Hooft [X] en [Y] immers niet in rechte hebben aangesproken om de uitvaartkosten te voldoen. [Y] stelt dat wanneer [X] haar taak tot vereffenaar op de juiste wijze zou hebben uitgevoerd, de benoeming van een andere vereffenaar niet nodig was geweest.

4.4.

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 4:7 lid 1 onder b BW vallen de kosten van de lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene, onder de schulden van de nalatenschap. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de kosten in verband met de uitvaart van erflater € 5.276,- bedragen, dat [Y] van dit bedrag een bedrag van € 2.499,- heeft betaald aan PC Hooft, dat [Y] bij vonnis van de voorzieningenrechter van 12 september 2013 is veroordeeld om het resterende deel van € 2.777,28 te betalen aan PC Hooft en dat [X] in de daaropvolgende vrijwaringsprocedure is veroordeeld aan [Y] te betalen datgene waartoe [Y] als gedaagde in de hoofdzaak jegens PC Hooft is veroordeeld. [X] heeft niet weersproken dat [Y] een bedrag van € 2.499,- heeft betaald aan PC Hooft, maar stelt dat de kosten van de uitvaart reeds in juni 2012 via de bankrekening van de grootmoeder van [X] (moeder van erflater) zijn voldaan. [X] onderbouwt deze stelling met een verklaring van mevrouw [H], de tante van [X], van 8 januari 2014. Zij verklaart van haar zus te hebben vernomen dat “[Y] de kosten van de uitvaart van [Z] in juni 2012 (zou) hebben voldaan”. Uit deze enkele verklaring blijkt evenwel geenszins dat de kosten van de uitvaart daadwerkelijk door [Y] in juni 2012 zijn voldaan en volgt evenmin dat zij zijn voldaan met geld van de grootmoeder van [X]. De advocaat van [X] heeft in dit verband ter zitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat hij voor het overige niet beschikt over enige nadere concrete bewijsstukken die dit overtuigend kunnen aantonen. Voorts komt het verklaarde niet overeen met hetgeen in voornoemde procedures als vaststaand is aangenomen. Het Hof acht dan ook niet aannemelijk geworden dat de kosten van de uitvaart reeds in juni 2012 via de bankrekening van de grootmoeder van [X] (moeder van erflater) zijn voldaan. Uit het voorgaande vloeit voort dat [Y] schuldeiser is van de nalatenschap van erflater en dat zij om die reden naar het oordeel van het hof als belanghebbende moet worden aangemerkt.

Vervolgens is aan de orde de vraag of de rechtbank terecht en op goede gronden het verzoek van [Y] tot benoeming van een vereffenaar heeft toegewezen. Gebleken is dat [X], als vereffenaar, thans in meerdere procedures, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, is veroordeeld om de kosten van de uitvaart van erflater, die zoals hiervoor is overwogen vallen onder de schulden van de nalatenschap, uit de nalatenschap te voldoen en dit tot op heden nagelaten heeft. [X] heeft zich dan ook naar het oordeel van het hof niet, althans onvoldoende, ingespannen om als een goed vereffenaar tot de vereffening van de nalatenschap van erflater over te gaan. Daar komt nog bij dat [X] niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en dat zij niet, althans niet afdoende, bereikbaar is voor de schuldeisers van de nalatenschap. Dat [X] een notaris benaderd heeft doet aan het voorgaande niet af, nu gesteld noch gebleken is dat deze notaris inspanningen heeft verricht om de kosten van de uitvaart te voldoen. Ter zitting in hoger beroep heeft [Y] verklaard dat zij alle in haar bezit zijnde administratieve bescheiden die nodig zijn voor de vereffening aan [X] heeft verstrekt. [X] heeft dit betwist, maar daarbij niet aangegeven welke stukken thans nog ontbreken en in hoeverre deze ontbrekende stukken relevant zijn voor nakoming van de eerdere veroordelingen tot vergoeding van de uitvaartkosten. Om die reden wordt aan de stellingen van [X] in dit verband voorbij gegaan. Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat [X] in de uitoefening van haar taak als vereffenaar in ernstige mate tekort is geschoten, terwijl zij bovendien ongeschikt moet worden geacht die taak te vervullen.

4.5.

[X] heeft aangeboden haar stellingen door het horen van getuigen te bewijzen. Zij heeft evenwel naar het oordeel van het hof niet, althans onvoldoende, gespecificeerd ten aanzien van welke standpunten zij welke getuige(n) wil laten horen. Het bewijsaanbod wordt dan ook als onvoldoende gespecificeerd gepasseerd.

4.6.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtbank terecht en op goede gronden het verzoek van [Y] tot benoeming van een vereffenaar heeft toegewezen, en dat die gronden thans nog aanwezig zijn. Nu de door de rechtbank benoemde vereffenaar de heer [R] (op eigen verzoek) op 18 september 2014 ontslagen is als vereffenaar van de nalatenschap van erflater zal het hof een (andere) vereffenaar van de nalatenschap van erflater benoemen. Gelet hierop, is er, anders dan [X] stelt, geen reden om [Y] te veroordelen in de proceskosten. Het hof ziet, evenals de rechtbank, aanleiding om de proceskosten te compenseren. Nog daargelaten de vraag of er een rechtsgrond bestaat om [X] in deze procedure te kunnen ontheffen uit de proceskostenveroordelingen die tot op heden zijn uitgesproken in andere procedures, zal het verzoek van [X] dienaangaande, gelet op de uitkomst van de onderhavige procedure, worden afgewezen.

4.7.

Het hof zal, gelet op hetgeen is opgenomen onder 2.6 en 4.6, de bestreden beschikking vernietigen en mr. J.C.M.C. de Haan, die desgevraagd heeft medegedeeld bereid te zijn in dezen als vereffenaar op te treden, als zodanig benoemen.

4.8.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw rechtdoende:

benoemt mr. J.C.M.C. de Haan

De Haan Hilbers notarissen

Postbus 3086

2001 DB Haarlem

Tel: 023-532 04 32

Fax: 023-532 93 31


tot vereffenaar van de nalatenschap van:

[Z],

Geboren in Williams Lake (Canada) [in] 1958,

laatstelijk wonende in […],

overleden op 27 mei 2012 in Purmerend;

draagt de griffier op de benoeming van deze vereffenaar onverwijld in het boedelregister in te schrijven;

draagt de vereffenaar op de benoeming bekend te maken in de Staatscourant en in een landelijk verspreid dagblad;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

compenseert de proceskosten in zie zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. Leijdekker, M.F.G.H. Beckers en J.W. van Zaane in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2014 en ondertekend door de oudste raadsheer.