Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:6107

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
30-03-2015
Zaaknummer
200.143.418-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante en haar kinderen zijn enige erfgenamen van de vader van appellante. In de nalatenschap valt onder meer een woning. Bij de bestreden beschikking is de bewindvoerder van appellante op zijn verzoek door de kantonrechter gemachtigd om namens appellante mee te werken aan de verkoop van deze woning. Appellante verzoekt in hoger beroep te bepalen dat de vordering tot verdeling van de nalatenschap ter zake van de woning wordt aangehouden voor een periode van vijf jaar. Het hof wijst het verzoek af.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 3:178
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 7 oktober 2014

Zaaknummer: 200.143.418/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: 2479618 BZ 13-7407 tp

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante],

wonende te [woonplaats 1],

appellante,

advocaat: mr. B. Wernik te Haarlem,

tegen

[X] h.o.d.n.Bis-diensten,

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.L. Scheltens te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk [appellante] en de bewindvoerder van [appellante] genoemd.

1.2.

[appellante] is op 13 maart 2014 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 22 januari 2014 van de rechtbank Noord-Holland, Sector Kanton, met kenmerk 2479618 BZ 13-7407 tp.

1.3.

De bewindvoerder van [appellante] heeft op 8 mei 2014 een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op 8 mei 2014 heeft mr. K.D. Smeele namens Stichting Budget een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op 2 mei 2014 heeft mr. J.M. Schaeffer in de hoedanigheid van curator over [kind A] een verweerschrift ingediend.

1.6.

De zaak is op 17 juli 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- [appellante], bijgestaan door haar advocaat;

- de bewindvoerder van [appellante], bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw [A] en mevrouw [B], namens Stichting Budget, bijgestaan door mr. K.D. Smeele, advocaat te Leiderdorp;

- mr. J.M. Schaëffer, curator van [kind A];

- mevrouw [C], namens William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.

2 De feiten

2.1.

[appellante] is geboren [in] 1967. Zij heeft drie kinderen, [kind A], geboren [in] 1995, [kind B] geboren [in] 1999 en [kind C], geboren [in] 2001 (hierna gezamenlijk: de kinderen). Alle kinderen zijn onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst.

2.2.

Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland, sector kanton van 24 januari 2013 is het beschermingsbewind ten aanzien van [appellante] uitgesproken en is de heer [X] h.o.d.n. Bis Bewindvoering benoemd tot bewindvoerder.

2.3.

De vader van [appellante], de heer [Y] (hierna: erflater) is op 12 juli 2013 overleden.

2.4.

Erflater heeft bij testament van 29 november 2007 [appellante] en haar kinderen benoemd tot enige erfgenamen.

In het testament is bepaald dat al hetgeen de kleinkinderen uit de nalatenschap verkrijgen onder bewind wordt gesteld en dat het bewind eindigt als het kleinkind de leeftijd van 21 jaar bereikt.

Daarnaast is de heer ds. [D] in het testament benoemd tot executeur, waarbij is bepaald dat de executeur iemand in zijn plaats kan stellen. [D] heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en mr. M.M. Muller, werkzaam ten kantore van Batenburg Notarissen te Beverwijk aangesteld in zijn plaats.

2.5.

De erfgenamen hebben de nalatenschap op 24 juli 2013 beneficiair aanvaard.

2.6.

Tot de nalatenschap behoort onder meer een woning aan het [adres] te [woonplaats 3]. Op de woning rusten twee hypotheken. De totale hypotheekschuld bedroeg op 12 juli 2013 € 16.957,91. De WOZ-waarde is in 2013 vastgesteld op € 260.000,-.

2.7.

Op 28 oktober 2013 is aan de bewindvoerder van [appellante] machtiging verleend om mee te werken aan de verkoop van voornoemde woning.

2.8.

Bij beschikking van 11 november 2013 van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland is de Stichting Budget benoemd tot testamentair bewindvoerder over het deel dat de kinderen toekomt uit de nalatenschap.

2.9.

Bij beschikking van 8 april 2014 van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland is [kind A] onder curatele gesteld wegens zijn geestelijke of lichamelijke toestand en mr. Jan Matthias Schaeffer benoemd tot curator.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is de bewindvoerder van [appellante] op zijn verzoek door de kantonrechter gemachtigd om namens [appellante] mee te werken aan de verkoop van de woning aan het [adres] te ([woonplaats 3].

3.2.

[appellante] verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat de vordering tot verdeling van de nalatenschap ter zake van de woning wordt aangehouden voor een periode van vijf jaar.

3.3.

De bewindvoerder van [appellante] verzoekt primair [appellante] niet ontvankelijk te verklaren en subsidiair de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Het hof stelt vast dat [appellante] binnen de wettelijke termijn in hoger beroep is gekomen van de bestreden beschikking. [appellante] is derhalve, anders dan de bewindvoerder van [appellante] stelt, ontvankelijk in haar hoger beroep. Het hof zal het hoger beroep van [appellante] hierna inhoudelijk behandelen.

4.2.

[appellante] is het niet eens met de bestreden beschikking waarbij aan haar bewindvoerder machtiging is verleend om namens haar mee te werken aan de verkoop van de woning aan het [adres] te [woonplaats 3].

De stellingen van [appellante] in hoger beroep komen er kort gezegd op neer dat het in haar belang en in het belang van de andere erfgenamen (haar kinderen) is dat de verkoop (en daarmee de verdeling) van de woning voor een periode van vijf tot tien jaar wordt aangehouden, gedurende welke periode zij zelf, eventueel met de kinderen, in het huis kan wonen. Op grond van artikel 3:178 lid 3 BW, zou de verdeling (steeds) voor een periode van drie jaar kunnen worden aangehouden, aldus [appellante]. Het verkopen van de woning op dit moment is volgens [appellante] geen doelmatige belegging. [appellante] voert hiertoe aan dat de woning naar verwachting over vijf à tien jaar veel meer zal opbrengen. Zij erkent dat er onderhoudswerkzaamheden aan de woning dienen te worden verricht, maar zij acht zichzelf in staat deze grotendeels zelf te verrichten en zij kan eventueel daarnaast een (kleine) hypothecaire lening afsluiten. De door de bewindvoerder ingeschatte kosten van onderhoud van € 50.000, - zijn volgens haar veel te hoog.

Voorts stelt [appellante] dat haar bijstandsuitkering zal worden beëindigd wanneer zij haar aandeel na verkoop van de woning ontvangt. Als de woning niet wordt verkocht wordt de uitkering omgezet in een lening die zij pas hoeft af te lossen bij verkoop van de woning.

Daarnaast heeft [appellante] belang bij het woongenot van de woning, zij is opgegroeid in deze woning en zij woont thans in een flat in een achterstandswijk.

De advocaat van [appellante] heeft hier ter zitting in hoger beroep aan toegevoegd dat de verwachting is dat alle kinderen van [appellante] in uitkeringssituaties terecht komen en dat het derhalve niet in hun belang is dat de woning op korte termijn wordt verkocht als gevolg waarvan zij hun uitkering kwijt raken. Als de woning over vijf of tien jaar zal worden verkocht zullen de kinderen ook een groter bedrag ontvangen dan nu. De advocaat verwacht voorts dat [appellante] zonder problemen een kleine hypotheek zal kunnen afsluiten van circa € 20.000,-, gelet op de overwaarde van de woning.

4.3.

De bewindvoerder van [appellante] is van mening dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om de op 28 oktober 2013 verleende machtiging tot verkoop van de woning te heroverwegen. Volgens de bewindvoerder is de wens van [appellante] om in de woning aan de [adres] te gaan wonen, hoe begrijpelijk deze wens ook is, strijdig met zijn taak om over haar vermogen te waken. Hij benadrukt hierbij dat [appellante] haar uitkering om niet verliest of de woning nu verkocht wordt of niet. Als de woning niet wordt verkocht zal zij de uitkering als lening ontvangen.

Voorts rust er wel degelijk een hypothecaire inschrijving op de woning en stelt [appellante] de liquiditeitspositie van de nalatenschap veel te gunstig voor volgens de bewindvoerder. Gebleken is dat de in de nalatenschap vallende bankrekeningen sterk slinken. De notaris komt terecht tot de conclusie dat er zeker onvoldoende middelen zijn om alle onkosten uit de nalatenschap te voldoen. [appellante] zelf heeft ook schulden ter hoogte van circa € 4.500,- en ze zou nog veel geld moeten lenen om het achterstallig onderhoud van de woning te kunnen bekostigen. Gelet op de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van [appellante] acht de bewindvoerder [appellante] niet voldoende in staat om zelf de woning op te knappen.

De WOZ-waarde van de woning is (na bezwaar) vastgesteld op € 260.000,-. De bewindvoerder verwacht niet dat het zin heeft om jaren te wachten met verkoop van de woning. Daarbij komt dat [appellante] de nalatenschap moet delen met haar kinderen. Eerst zal zij geld moeten lenen om de onkosten van de nalatenschap en het achterstallig onderhoud aan de woning te voldoen, terwijl zij een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand geniet. Als de woning verkocht wordt heeft [appellante] geen recht op een bijstandsuitkering en zal zij waarschijnlijk weer op de wachtlijst komen voor een sociale huurwoning. Het is namelijk de vraag of zij dan een woning zou kunnen kopen. Als [appellante] in de woning zou gaan wonen betekent dit dat zij nieuwe schulden gaat maken en dat haar woonsituatie in gevaar komt, aldus de bewindvoerder.

4.4.

Ook Stichting Budget heeft zich tegen het verzoek van [appellante] verweerd. Stichting Budget is van mening dat het in het belang van de kinderen is dat de woning wordt verkocht.

Stichting Budget wijst erop dat er een hypothecaire lening rust op de woning van in totaal bijna € 17.000,-. Daarnaast wordt de door [appellante] gestelde (positieve) liquiditeitspositie van de nalatenschap betwist.

De huidige beschikbare liquiditeiten zijn volgens Stichting Budget onvoldoende om aan de reeds bekende schulden en verplichtingen van de nalatenschap te voldoen. De negatieve liquiditeitspositie van de nalatenschap gaat de executeur testamentair in het bijzonder aan. Gelet op de wetgeving en de toepasselijke bepalingen in het testament dient de executeur de woning ter verkoop aan te bieden teneinde de schulden uit de nalatenschap te kunnen voldoen.

Ook dient rekening te worden gehouden met het feit dat de nalatenschap door [appellante] beneficiair is aanvaard. Nu zij beneficiair heeft aanvaard dient de nalatenschap te worden afgewikkeld via de zogenaamde wettelijke vereffening. [appellante] heeft daarbij als vereffenaar een aantal verplichtingen, waaronder de verdeling effectueren en uitkeringen doen aan schuldeisers. Als een vereffenaar verwijtbaar tekort schiet bij het vervullen van zijn taak en zijn verplichtingen vervalt de beneficiaire aanvaarding en is de erfgenaam alsnog met haar eigen vermogen aansprakelijk voor de schulden van de nalatenschap.

[appellante] heeft bij het naar voren brengen van haar standpunt geen rekening gehouden met een vergoeding voor het genot van de vruchten aan de belanghebbenden (de kinderen). Stichting Budget acht het voorts onwaarschijnlijk dat [appellante] een hypothecaire lening kan afsluiten, nu het een onverdeelde woning betreft.

Stichting Budget heeft ter zitting in hoger beroep verzocht voor recht te verklaren dat de executeur testamentair, mr. Muller, zonder toestemming van de erfgenamen over kan gaan tot het te gelde maken van de woning. De bewindvoerder van [appellante] heeft zich aangesloten bij dit verzoek.

4.5.

De curator van [kind A] is het evenmin eens met het verzoek van [appellante]. De curator is van mening dat het in het belang van [kind A] is dat het huis wordt verkocht en voert daartoe aan dat [kind A] belasting zal moeten betalen over zijn aandeel in de nalatenschap of dit nu liquide is gemaakt of niet. [kind A] heeft een Wajonguitkering en een ‘tegemoetkoming scholieren’, uit welk beperkte inkomen hij in ieder geval zijn premie zorgverzekering moet voldoen. Door het vermogen uit de nalatenschap komt [kind A] niet voor regelingen als bijzondere bijstand in aanmerking en zal zijn eigen bijdrage AWBZ hoger zijn. [appellante] heeft geen plaats ingeruimd voor het doen van een maandelijkse uitkering aan [kind A], hetgeen erop neer komt dat zij gratis woont en de lasten worden afgewenteld op [kind A], aldus de curator.

De verdeling voor vijf jaar aanhouden is gelet op de liquiditeitspositie van [kind A] geen optie, daar het allerminst zeker is dat [appellante] dan in staat is het erfdeel uit te keren, aldus de curator.

4.6.

Het hof is van oordeel dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het verkopen van de woning in strijd met het belang van [appellante] en de andere erfgenamen moet worden geacht. Dat de woning de komende vijf a tien jaar in waarde zal stijgen, zoals [appellante] stelt, staat allerminst vast, bovendien is er sprake van aanzienlijk achterstallig onderhoud. Dat [appellante] in staat is de woning zelf op te knappen acht het hof gelet op de ernst van het achterstallig onderhoud onwaarschijnlijk, evenals de mogelijkheid van [appellante] om een hypothecaire lening te krijgen. Daarnaast blijkt niet dat [appellante] in haar verzoek rekening heeft gehouden met een vergoeding aan de overige erfgenamen voor het vruchtgebruik van de woning voor de duur dat de verdeling wordt aangehouden en [appellante] in de woning woont. [appellante] beschikt, gelet op haar nijpende financiële situatie, ook niet over de financiële ruimte om een dergelijke vergoeding uit te keren. Daarnaast is gebleken dat de nalatenschap niet langer over voldoende liquide middelen beschikt om de schulden en verplichtingen die uit de nalatenschap volgen te voldoen. Uit de stukken en het ter zitting verhandelde is gebleken dat het saldo van de nalatenschap dat aanvankelijk € 56.000,- bedroeg thans nog slechts circa € 2.000,- bedraagt.

Bovendien wensen de (wettelijk vertegenwoordigers van de) overige erfgenamen dat de woning verkocht en de nalatenschap verdeeld wordt.

Het hof is op grond van het voorgaande oordeel dat de rechtbank op goede gronden de bewindvoerder van [appellante] heeft gemachtigd om namens haar mee te werken aan de verkoop van de woning.

De wens van [appellante] om in haar ouderlijk huis te wonen kan niet tot een ander oordeel leiden. Evenmin kunnen de gevolgen voor de bijstandsuitkering van [appellante] aanleiding geven tot een ander oordeel. Het feit dat [appellante] recht heeft op een aandeel uit de nalatenschap leidt er nu eenmaal toe dat zij haar uitkering om niet verliest, of de verdeling nu met een aantal jaren wordt aangehouden of niet.

Voor zover [appellante] een beroep doet op artikel 3:178 lid 3 BW (en lid 5 BW) is het hof van oordeel dat in casu geen sprake is van een geval waarbij de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend, zoals bedoeld in lid 3.

Ook een beroep op lid 5 van voornoemd artikel kan niet slagen. Op grond van dit artikel kunnen zij die bevoegd zijn verdeling te vorderen, hun bevoegdheid daartoe een of meer malen bij overeenkomst, telkens voor ten hoogste vijf jaren, uitsluiten. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake nu de (wettelijk vertegenwoordigers van de) overige erfgenamen tot verdeling en daarmee tot verkoop van de woning wensen over te gaan.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof het verzoek van [appellante] in hoger beroep zal afwijzen en de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

4.7.

Het verzoek van Stichting Budget voor recht te verklaren dat de executeur zonder toestemming van de erfgenamen over kan gaan tot het te gelde maken van de woning, zal worden afgewezen nu een zelfstandig verzoek krachtens artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan.

4.8.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, M.M.A. Gerritzen - Gunst en J.W. Brunt in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2014.