Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:6105

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
02-04-2015
Zaaknummer
200.132.878/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Gemeenschapsschulden. Afwijking van de hoofdregel van verdeling bij helfte.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 100, geldigheid: 2015-04-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2015/59

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 9 september 2014

Zaaknummer: 200.132.878/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/435665/FARK09-6361 (echt) en C/13/444026 / FA RK 09-9068 (veve) (JG/DC)

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. E. Tuzkapan te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. W.P.A. Vos te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 29 augustus 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 29 mei 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/435665/FARK09-6361 (echt) en C/13/444026 / FA RK 09-9068 (veve) (JG/DC).

1.3.

De vrouw heeft op 24 oktober 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De vrouw heeft op 28 januari 2014 nadere stukken ingediend.

1.5.

De zaak is tegelijkertijd met de zaak met zaaknummer 200.132.876/01 (zorgregeling) op 10 februari 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 2002 in gemeenschap van goederen gehuwd. Hun huwelijk is op 13 april 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 17 februari 2010 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren […] (hierna: [kind a]) [in] 2003 en […] (hierna: [kind b]) [in] 2008 (hierna gezamenlijk: de kinderen).

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, in het kader van de verdeling van de tussen partijen bestaand hebbende algehele gemeenschap van goederen bepaald dat de man de schulden in verband met de kredieten bij de ABN AMRO met de nummers [1], [2], [3] en [4] voor zijn eigen rekening voldoet en deze als eigen schuld zal voldoen onder vrijwaring van de vrouw.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre,

- te bepalen dat ook de schulden aan de ABN AMRO onder de nummers [1], [2], [3] en [4] tot het gezamenlijk vermogen van partijen behoren en derhalve bij helfte verdeeld dienen te worden;

- te bepalen dat de inventaris van de voormalig echtelijke woning, althans de waarde van deze inventaris bij helfte tussen partijen verdeeld moet worden.

3.3.

De vrouw verzoekt de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans dit af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

De man heeft in hoger beroep twee grieven gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen. Deze grieven betreffen de schulden aan de ABN AMRO onder de nummers [1], [2], [3] en [4] en de inboedel van de voormalig echtelijke woning.

4.2.

Het hof zal eerst de grief van de man met betrekking tot voornoemde kredieten bij de ABN AMRO behandelen. De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij deze schulden als eigen schuld dient te voldoen onder vrijwaring van de vrouw. Er is volgens de man geen reden om af te wijken van de hoofdregel van verdeling bij helfte. Hij betwist dat de vrouw niet op de hoogte was van de financiële huishouding van partijen en dat alleen hij het beheer over de inkomens van partijen voerde. Volgens de man wist de vrouw van de kredietovereenkomsten af en heeft zij tevens van deze kredieten geprofiteerd. Het feit dat alleen de man is veroordeeld voor het valselijk opmaken van stukken in verband met het verkrijgen van deze kredieten en dat het Openbaar Ministerie heeft besloten om de vrouw daarvoor niet te vervolgen, is niet van belang nu dit een strafrechtelijke en niet een civielrechtelijke kwestie betreft, aldus de man.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

4.3.

Ingevolge art. 1:100 BW hebben de echtgenoten als uitgangspunt een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, zodat die gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld. Ook buiten de in de wet genoemde gevallen, is een afwijking van deze regel echter niet geheel uitgesloten. Zij kan evenwel slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap (HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, en HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR2013:CA3748).

4.4.

In het onderhavige geval betreft het gemeenschapsschulden die door de man zijn aangegaan. In beginsel is de vrouw na ontbinding van de huwelijksgemeenschap draagplichtig voor de helft van deze schulden. Het hof dient te beoordelen of er grond bestaat om af te wijken van voornoemde hoofdregel en overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat de man zijn toenmalige werkgever, ABN AMRO, heeft bewogen kredieten te verstrekken tot een totaalbedrag van € 115.000,-, door onjuiste informatie op te geven over zijn burgerlijke staat, de burgerlijke staat van zijn echtgenote, woonadressen en niet bestaande personen, alsmede dat de man hiervoor bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2010 is veroordeeld. Tegen deze vaststellingen in de bestreden beschikking heeft de man niet gegriefd, zodat daarvan in dit hoger beroep moet worden uitgegaan. Bij arrest van de meervoudige strafkamer van dit hof van 26 maart 2012 is de man, naar aanleiding van zijn hoger beroep tegen voornoemd strafvonnis, ter zake van dit feitencomplex veroordeeld wegens onder meer valsheid in geschrift, het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, oplichting en poging tot oplichting, tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De vordering van ABN AMRO als benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 115.000,-. Aan de man is daarnaast een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd, inhoudende betaling van € 115.000,- aan de Staat, ten behoeve van ABN AMRO. De man heeft beroep in cassatie ingesteld van het arrest.

ABN AMRO heeft de vrouw uit haar verplichtingen ter zake van de desbetreffende kredieten ontslagen, zo blijkt uit de overgelegde brief van ABN AMRO van 30 mei 2011.

Het hof is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting aannemelijk is geworden dat de vrouw niet op de hoogte was van deze door de man op frauduleuze wijze afgesloten kredieten bij ABN AMRO, ook niet voor zover deze kredieten op naam van de vrouw zijn afgesloten. Zij heeft in de onderhavige procedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gesteld dat de man de financiën van partijen beheerde, dat zij één bankrekening had, waar haar salaris en huishoudgeld voor de boodschappen door de man op werd gestort en dat het enige krediet bij de bank waar zij wetenschap van had een door haarzelf kort voor het huwelijk afgesloten krediet betrof. Deze stellingen van de vrouw komen overeen met haar verklaringen bij de politie blijkens de processen-verbaal van verhoor van 18 mei 2009 en 19 mei 2009, welke zich in het dossier bevinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om de vrouw niet te vervolgen is een omstandigheid die de stellingen van de vrouw ondersteunt, evenals de beslissing van ABN AMRO om de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van de kredieten te ontslaan.

De man heeft hier, behoudens de enkele stelling dat de vrouw wel op de hoogte was van de afgesloten kredieten en dat hij niet als enige de financiën deed, niets tegenover gesteld. Ook ter zitting in hoger beroep heeft de man deze stelling desgevraagd niet nader kunnen onderbouwen. Zo ontbreken schriftelijke bescheiden waaruit zou kunnen blijken dat ook de vrouw bijdroeg aan het beheer van de gezinsfinanciën. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de man de kredietovereenkomsten, ook voor zover die op naam van de vrouw zijn gesteld, geheel buiten haar medeweten tot stand heeft gebracht en dat de kredietbedragen van in totaal € 115.000,- feitelijk uitsluitend aan de man ter beschikking stonden.

De stellingen van de vrouw komen er voorts op neer dat met de in krediet gegeven gelden geen uitgaven ten behoeve van het gezin zijn gedaan en dat deze gelden dus niet (mede) aan haar, maar uitsluitend aan de man ten goede zijn gekomen. De vrouw heeft in dit verband gesteld dat in het huishouden veelal onvoldoende middelen ter beschikking waren om de vaste lasten te voldoen. Ook die stellingen zijn door de man onvoldoende weersproken, zeker ook in het licht van de hoge overige schulden van partijen die worden vermeld in de in zoverre onbestreden beschikking waarvan beroep. De man heeft in het geheel niet onderbouwd waaraan de kredietgelden zijn besteed, hoewel hij hierover duidelijkheid had kunnen verschaffen nu de kredieten feitelijk slechts aan hem ter beschikking stonden.

Het hof is van oordeel dat, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, sprake is van een zeer uitzonderlijke omstandigheid die het -naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid- onaanvaardbaar maakt dat de vrouw de helft van deze schulden zou dienen te dragen. Dit leidt ertoe dat het hof het verzoek van de man in hoger beroep zal afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt zal bekrachtigen.

4.5.

Thans is nog de grief van de man met betrekking tot de inboedel van de voormalig echtelijke woning aan de orde. In eerste aanleg heeft de rechtbank overwogen dat partijen het erover eens zijn dat op dit punt niets te verdelen valt. De man bestrijdt dit in hoger beroep. Hij wenst verdeling van de inboedel, althans de helft van de waarde van de inboedel conform een lijst die hij tijdens een eerdere zitting heeft overgelegd.

De vrouw stelt dat de inboedel niet meer aanwezig was op de peildatum, 13 april 2010. Zij voert hiertoe aan dat de voormalig echtelijke woning eind 2009 is verkocht; de vrouw woonde destijds in bij haar moeder en heeft de inboedel noodgedwongen bij het grof vuil gezet.

Het hof overweegt als volgt. Nog daargelaten dat de door de man zelf opgestelde lijst van de inboedel op geen enkele wijze nader (met stukken) is onderbouwd, heeft de man ter zitting onvoldoende gemotiveerd betwist dat de inboedel niet langer aanwezig was op de peildatum, gelet op de verkoop van de voormalig echtelijke woning eind 2009. Het hof zal het verzoek van de man ten aanzien van de inboedel dan ook afwijzen.

4.6.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. C.E. Buitendijk en mr. S.F.M. Wortmann in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2014.