Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:6100

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
24-03-2015
Zaaknummer
200.143.971-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie, proceskostenveroordeling, geen nieuwe feiten of omstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 9 september 2014

Zaaknummer: 200.143.971/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/540401/FA RK 13/2804

Beschikking van de meervoudige familiekamer

in de zaak in hoger beroep met zaaknummer van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. H.L.M. Lichteveld te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 21 maart 2014 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 24 december 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/540401/FA RK 13/2804. Bij bericht van 1 mei 2014 heeft de advocaat van de man, mr. T.N. Ritzer te Amsterdam, zich onttrokken.

1.3.

De vrouw heeft op 30 mei 2014 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De vrouw heeft op 4 juli 2014 nadere stukken ingediend.

1.5.

De zaak is op 14 juli 2014 tegelijkertijd met de zaak met zaaknummer 200.143.989/01 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

1.7.

De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben van 2008 tot september 2011 een relatie gehad. Uit deze relatie is geboren [...] (hierna: [kind A]) [in] 2010. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [kind A]. [kind A] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw. De vrouw heeft uit een eerder huwelijk een minderjarige dochter, [kind B].

3 Het geschil in hoger beroep in beide zaken

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, op het daartoe strekkende verzoek van de vrouw een door de man met ingang van 19 april 2013 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] bepaald van € 300,- per maand.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidend verzoek van de vrouw af te wijzen, dan wel een door de man te betalen bijdrage vast te stellen die het hof juist acht. Voor zover het hof een door de man te betalen bijdrage vaststelt verzoekt de man de ingangsdatum op een later tijdstip vast te stellen, althans rekening te houden met de door de man in 2013 betaalde bedragen. De man verzoekt tenslotte de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep.

3.3.

De vrouw verzoekt het door de man in hoger beroep verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking in zoverre te bekrachtigen met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep die de vrouw heeft moeten maken, althans de man te veroordelen het door de vrouw betaalde griffierecht van € 308,- te vergoeden.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Aan de orde is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A]. Partijen zijn verdeeld over de draagkracht van de man.

4.2.

De man stelt – kort gezegd – dat hij geen draagkracht heeft, dat hij slechts een inkomen heeft uit loondienst, dat hij sporadisch geld overhoudt, dat hij diverse schulden heeft, dat hij in dit verband hulp heeft gezocht bij een budgetcoach en dat de rechtbank de door hem te betalen bijdrage ten onrechte vastgesteld heeft met ingang van 19 april 2013 nu uit de stukken blijkt dat hij de vrouw in de periode voorafgaand aan de bestreden beschikking financieel gesteund heeft met een bedrag van € 200,- per maand.

De vrouw betwist de stellingen van de man en voert aan dat de man een grote mate van bekendheid als dj heeft opgebouwd, dat het gelet hierop niet aannemelijk is dat hij voor zijn werk als dj op concerten en privéfeesten slechts zijn salaris uit loondienst ontvangt, dat uit de stukken blijkt dat de man grootschalige feesten organiseert in binnen- en buitenland en dat het op de weg van de man ligt om inzicht te geven in zijn inkomsten in dit verband.

4.3.

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken blijkt dat de man werkzaam in loondienst is bij [X]. Zijn salaris bedroeg volgens de salarisspecificaties over februari tot en met april 2013 € 1.135,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag.

De vrouw heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep haar stelling dat de man meer inkomsten heeft dan slechts het door hem te ontvangen loon uit dienstbetrekking met stukken onderbouwd. Uit de door de vrouw overgelegde stukken valt onder meer op te maken dat de man in 2012, 2013 en de eerste helft van 2014vele malen heeft opgetreden als dj op bekende locaties in binnen- en buitenland, dat hij diverse prijzen gewonnen heeft en dat hij verscheidene grootschalige feesten en concerten heeft georganiseerd. Gelet hierop had het op de weg van de man gelegen om de stellingen van de vrouw gemotiveerd te betwisten, hetgeen hij nagelaten heeft. De man is niet ter zitting verschenen om inzicht te verschaffen uit zijn inkomsten uit zijn activiteiten als dj. Het hof acht het, gelet op de door de vrouw overgelegde stukken, niet aannemelijk dat de man enkel de door hem gestelde inkomsten heeft uit loondienst. Het voorgaande leidt tot het oordeel van het hof dat de man in staat wordt geacht om de door de vrouw verzochte bijdrage in de kosten van [kind A] van € 300,- per maand te voldoen. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat [kind A] op het adres van de man staat ingeschreven zodat de man zowel de kinderbijslag als het kindgebonden budget ontvangt. Het hof overweegt voorts dat het gebruikelijk is om als ingangsdatum de datum van het inleidend verzoek te hanteren. De man kon immers met ingang van die datum rekening houden met een eventuele vaststelling van een door hem te betalen kinderbijdrage. De stelling van de man dat hij de vrouw in de periode daarvoor financieel gesteund heeft, wat daar verder ook van zij, maakt dit niet anders. De bestreden beschikking zal dan ook worden bekrachtigd.

4.4.

Partijen hebben beiden verzocht om een proceskostenveroordeling. Gebruikelijk in familie- en jeugdrechtzaken is, mede gezien de aard van het geschil en de onderlinge verhouding van partijen, dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het hof ziet in het onderhavige geval ten aanzien van de procedure in hoger beroep aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de man in hoger beroep is gekomen van de bestreden beschikking, maar heeft nagelaten om nieuwe feiten of omstandigheden naar voren te brengen of om zijn standpunt nader te onderbouwen met stukken en, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet op zitting is verschenen om een en ander toe te lichten. De vrouw heeft als gevolg hiervan in de appelprocedure onnodig hoge kosten gemaakt. Dit leidt ertoe, mede gezien de uitkomst van de zaak in hoger beroep, dat het hof het verzoek van de vrouw zal toewijzen. De man wordt dan ook verwezen in de proceskosten van de vrouw in het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vrouw begroot op € 308,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris voor de advocaat (hoger beroep: tarief II, 2 punten à € 894,-). Uit het voorgaande vloeit voort dat het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in beide/deze instantie(s) zal worden afgewezen.

4.5.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

veroordeelt de man in de aan de zijde van de vrouw gevallen kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden begroot op € 308,- wegens verschotten en € 1.788,- wegens salaris van de advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.M.A. Gerritzen - Gunst, M.F.G.H. Beckers en J.A. van Keulen in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2014.