Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:6076

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
19-03-2015
Zaaknummer
200.134.392/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling ontbonden huwelijksgoederengemeenschap; bewijslast; ontoereikend bewijsaanbod want kan niet leiden tot toewijzing vordering; schulden ter aflossing waarvan krediet is aangewend, zijn gemeenschapsschulden; in het midden kan blijven of de man de handtekening van de vrouw onder de kredietovereenkomst heeft vervalst; schuld aan kredietverstrekker is gemeenschapsschuld.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 94, geldigheid: 2015-03-19
Burgerlijk Wetboek Boek 1 97, geldigheid: 2015-03-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 5 augustus 2014

Zaaknummer: 200.134.392/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/476345 / FA RK 10-10113

Uitspraak van de meervoudige familiekamer

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. S. Mathoerapersad te Amsterdam,

tegen

[…],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

geïntimeerde,

niet verschenen.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 25 september 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 26 juni 2013 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), met kenmerk C/13/476345 / FA RK 10-10113.

1.3.

De zaak is op 27 februari 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.4.

Ter terechtzitting is verschenen:

- de advocaat van de vrouw.

1.5.

De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

1.6.

Zoals afgesproken bij de behandeling ter zitting heeft de advocaat van de vrouw op 9 april 2014 nog de volledige beschikking van de rechtbank van 9 mei 2012 aan het hof toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1994 gehuwd in gemeenschap van goederen. Hun huwelijk is op 15 november 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 22 juni 2011 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Bij beschikking van 9 mei 2012 heeft de rechtbank de zaak pro forma aangehouden tot 25 mei 2012, opdat de vrouw zich kon uitlaten over de vraag of, en zo ja, op welke wijze zij bewijs wenst te leveren als bedoeld onder 4.13 van die beschikking, waarna de man uiterlijk 8 juni 2012 zich kon uitlaten overeenkomstig de rechtsoverwegingen 4.13 en 4.15 van die beschikking.

2.3.

Bij beschikking van 27 juni 2012 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat van de op 9 mei 2012 tussen partijen gegeven beschikking tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld.

Iedere verdere beslissing is aangehouden.

2.4.

De vrouw heeft hoger beroep ingesteld van voornoemde beschikking van 9 mei 2012. Bij beschikking van 18 december 2012 van dit hof is de beschikking van 9 mei 2012 bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te weten ten aanzien van de bewijslastverdeling en is de zaak verwezen naar de rechtbank Amsterdam om verder te worden beslist.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is in het kader van de verdeling van de tussen partijen bestaan hebbende huwelijksgoederengemeenschap, voor zover thans van belang, bepaald dat:

- de man de schuld aan DEFAM als eigen schuld draagt en zal voldoen onder vrijwaring van de vrouw, onder gehoudenheid van de vrouw om aan de man de helft van het saldo van deze schuld op 14 juli 2010 te voldoen;

- afgewezen het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man aan haar zal voldoen een bedrag van € 3.583,50, zijnde de helft van het bedrag van € 7.167,- van haar spaargeld dat is uitgeleend aan de familie van de man.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw, voor zover van belang, om in het kader van de verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen te bepalen dat de gemeenschapsschulden, zo die mochten bestaan, aan de man worden toebedeeld, althans aan de partij die deze is aangegaan, en te bepalen dat de man aan haar zal voldoen een bedrag van € 3.583,50.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat:

- de man en de vrouw alsnog als getuigen worden gehoord ter zake de schuld bij Defam en de vordering op de familie van de man;

- de schuld bij Defam geen gemeenschapsschuld is en dat deze geheel door de man gedragen dient te worden;

- dat de vordering van partijen op de familie van de man aan hem wordt toebedeeld onder gehoudenheid van de man om de helft daarvan (€ 3.583,50) aan de vrouw te voldoen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

In haar eerste grief voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan haar bewijsaanbod inzake de kredietovereenkomst bij Defam. De rechtbank overweegt daartoe ten onrechte dat de vrouw, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, geen gebruik wenst te maken van de haar geboden mogelijkheid bewijs te leveren van het feit dat de ter beschikking gestelde gelden niet aan haar ten goede zijn gekomen, althans niet met haar instemming zijn besteed en dat zij het aanbod van de vrouw om de man te horen niet als een zodanig bewijsaanbod ziet, omdat dit aanbod alleen betrekking heeft op de gestelde vervalsing van de handtekening van de vrouw. De rechtbank miskent dat het bewijsaanbod omtrent de totstandkoming van de kredietovereenkomst zowel het doel van de lening, te weten de besteding, de ondertekening en alle andere bijbehorende aspecten betreft, aldus de vrouw.

4.2.

Het hof stelt voorop dat in de door het hof bekrachtigde beschikking van 9 mei 2012 is geoordeeld, dat de bewijslast van de stellingen van de vrouw dat de man bij het aangaan van de kredietovereenkomst haar handtekening heeft vervalst en de ter beschikking gekomen gelden niet aan haar ten goede zijn gekomen althans niet met haar instemming zijn besteed, op de vrouw rust. In het midden kan thans blijven of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het bewijsaanbod van de vrouw onvoldoende toereikend zou zijn. In hoger beroep heeft de vrouw immers ondubbelzinnig bewijs aangeboden van zowel de gestelde vervalsing van haar handtekening onder de overeenkomst met Defam, maar ook van de wijze van totstandkoming van de kredietovereenkomst en van de besteding van de ter beschikking gekomen gelden, conform hetgeen de rechtbank heeft overwogen in overweging 4.13 van haar beschikking van 9 mei 2012. Voorts heeft de advocaat van de vrouw ter terechtzitting in hoger beroep beaamd dat het krediet is aangewend ter aflossing van de in de overeenkomst met Defam genoemde schulden aan Wehkamp BV, Otto BV, Klingel, ABN AMRO Bank, Visa Card en Cardif Zeker. De vrouw stelt tot de echtscheidingsprocedure nooit te hebben geweten van het bestaan van deze schulden, zodat de gelden niet aan haar ten goede zijn gekomen en evenmin met haar instemming zijn besteed. Volgens de vrouw is de man deze schulden aangegaan en heeft hij buiten haar medeweten om pakketjes naar zijn familie in India gestuurd. De hierdoor opgebouwde schulden heeft hij afgelost met het krediet. De man deed ten tijde van het huwelijk de administratie, zodat de vrouw van deze activiteiten niet op de hoogte was.

Het hof is van oordeel dat het thans door de vrouw gedane bewijsaanbod nog immer ontoereikend is, nu dit niet kan leiden tot toewijzing van haar vordering, gelet op het feit dat de schulden ter aflossing waarvan, zoals de vrouw zelf beaamt, het Defam-krediet is aangewend volgens de hoofdregel van 1:94 lid 2 BW, zoals dit gold tot 1 januari 2012, gemeenschapsschulden zijn. Het feit dat de vrouw stelt van het bestaan daarvan niet te hebben afgeweten maakt dat niet anders. Met betrekking tot het aangaan van deze schulden heeft de vrouw niet gesteld dat de man haar handtekening heeft vervalst. Nu de van Defam verkregen gelden zijn aangewend ter aflossing van deze tot de gemeenschap behorende schulden, zijn deze gelden daarmee ook aan de vrouw ten goede gekomen. Dat die aflossingen niet met haar instemming zijn gedaan, maakt dat niet anders, gelet op de regel van artikel 1:97 lid 1 (oud) omtrent het bestuur van de gemeenschap. Dat betekent dat uiteindelijk in het midden kan blijven of de man de handtekening van de vrouw onder de kredietovereenkomst met Defam daadwerkelijk heeft vervalst. De schuld aan Defam moet als een gemeenschapsschuld worden aangemerkt.. Dat heeft tot gevolg dat de vordering van de vrouw op dit punt dient te worden afgewezen en de bestreden beschikking in zoverre zal worden bekrachtigd.

4.3.

Voorts is in het kader van de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap aan de orde een door de vrouw gestelde vordering op de familie van de man ten bedrage van € 7.167,-. Volgens de vrouw heeft de rechtbank haar stelling dat deze vordering bestaat, ten onrechte onvoldoende onderbouwd geacht. Tegenover de door haar overgelegde bewijzen van overboekingen van gelden aan de familie van de man, staat slechts de blote ontkenning van de lening door de man. Zij heeft de man verzocht om aan te tonen dat een deel van de vordering al is terugbetaald, maar uit het door de man overgelegde bankafschrift is niet gebleken van enige terugbetaling. Er moet derhalve van worden uitgegaan dat geen terugbetaling heeft plaatsgevonden. Gezien het voorgaande bestaat de vordering van de gemeenschap op de familie van de man volgens de vrouw nog altijd en dient deze aan de man te worden toebedeeld, onder de verplichting de helft van genoemd bedrag aan haar te voldoen. Voorts biedt de vrouw als (aanvullend) bewijs aan om zelf als getuige te worden gehoord omtrent deze lening.

4.4.

Het hof overweegt als volgt. Nu de vrouw stelt dat genoemde vordering bestaat en voor verdeling in aanmerking komt, rust de bewijslast van het bestaan van die vordering op haar. Zij heeft ter onderbouwing van haar stelling drie stortingsbewijzen overgelegd, gedateerd 19 januari 2006, 25 augustus 2009 en 20 februari 2010. Daaruit blijkt dat op deze data bedragen zijn overgemaakt van € 2.003,- € 3.603,- en € 1.561,- (telkens met inbegrip van aan die overmaking verbonden kosten) aan [y] te Bahrein. De eerste overboeking is door de vrouw gedaan en de volgende twee zijn door de man gedaan. De man heeft bij de overboekingen de omschrijving ‘Other deposit study in England’ en ‘Family Assistance’ vermeld. De advocaat van de vrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de vrouw met deze overboekingen een begin van bewijs heeft geleverd van het bestaan van de vordering op de familie van de man en dat door de man niet is betwist dat de gelden zijn overgemaakt.

Het hof is van oordeel dat de vrouw gezien de overboekingen en hetgeen haar advocaat ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een bedrag van € 7.167,- (inclusief kosten) aan familie van de man is overgemaakt. Uit de beschikking van de rechtbank van 9 mei 2012 blijkt dat de man ter zitting van 26 maart 2012 heeft erkend dat hij geld gestuurd heeft naar Bahrein. Hij stelt echter dat hij dit geld van een derde heeft geleend en dat hij op die lening een bedrag van € 50,- per maand aflost. Naar het hof begrijpt heeft de man in eerste aanleg zich voorts op het standpunt gesteld dat de vrouw geld geleend heeft van zijn broer om haar huis in India te kunnen afbetalen. Met dit alles heeft de man evenwel niet betwist dat de overmakingen naar zijn zus in Bahrein leningen betroffen, zodat het hof dit als vaststaand aanneemt. Zijn stellingen dat hij gelden van een derde heeft geleend heeft hij, tegenover de betwisting van de vrouw, niet nader onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat. De stelling dat de vrouw geld heeft geleend van zijn broer wordt evenmin ondersteund door bewijsmiddelen. Weliswaar bevindt zich bij de stukken een in India opgestelde affidavit van de broer van de man, [x], maar in deze schriftelijke verklaring maakt hij geen gewag van een lening aan de vrouw. Ook aan deze stelling gaat het hof derhalve voorbij. Gezien het voorgaande is sprake van een vordering van de gemeenschap op de familie van de man ten bedrag van € 7.167,-. Het hof zal, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, bepalen dat deze vordering aan de man wordt toegedeeld, onder de verplichting de helft van het bedrag aan de vrouw te voldoen.

4.5.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarin is bepaald dat de man de schuld aan Defam als eigen schuld draagt en zal voldoen onder vrijwaring van de vrouw, onder de gehoudenheid van de vrouw om aan de man de helft van het saldo van deze schuld op 14 juli 2010 te voldoen;

vernietigt de bestreden beschikking voor het overige en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- deelt de vordering van de gemeenschap op de familie van de man ad € 7.167,- toe aan de man en

- veroordeelt de man aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 3.583,50 (drieduizend vijfhonderd drieëntachtig euro vijftig eurocent);

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Wigleven, mr. A.V.T. de Bie en mr. L.H.M. Zonnenberg in tegenwoordigheid van mr. J.J. Laterveer-Runderkamp als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2014.