Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:6074

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
25-03-2015
Zaaknummer
200.135.625/01
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie; rechtsmacht en toepasselijk recht; bijdrage alimentatieplichtige geldt ten opzichte van bijstandsuitkering als een voorliggende voorziening; behoefte; draagkracht; voorrang onderhoudsplicht jegens kinderen ten opzichte van die jegens echtgenoot; bewijslastverdeling; bevrijdend verweer.

Artikel 3 aanhef en sub b Verordening (EG) nr. 4/2009 van 18 december 2008, PbEU 2009, L 7 (Alimentatieverordening); artikel 3 Haags Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, PbEU L 331/17.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 10 116, geldigheid: 2015-03-25
Burgerlijk Wetboek Boek 1 81 en 392, geldigheid: 2015-03-25
Burgerlijk Wetboek Boek 1 400, geldigheid: 2015-03-25
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 150, geldigheid: 2015-03-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 9 september 2014

Zaaknummer: 200.135.625/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/513913 FA RK 12-2583 (MS MD)

Uitspraak van de meervoudige familiekamer in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. A. Kotan te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.M. Berendsen te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 17 oktober 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 17 juli 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/513913 FA RK 12-2583 (MS MD).

1.3.

De vrouw heeft op 11 december 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De man heeft op 31 oktober 2013 en op 17 maart 2014 nadere stukken ingediend. De vrouw heeft op 18 november 2013 een brief met nadere stukken ingediend.

1.5.

De zaak is op 20 maart 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat en door diens kantoorgenoot mr. A. Sarioglu;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

1.7.

Zoals afgesproken bij de behandeling ter zitting hebben partijen nog stukken aan het hof toegezonden, van de zijde van de man ingekomen op 25 maart 2014 en 27 maart 2014 en van de zijde van de vrouw ingekomen op 26 maart 2014. Partijen hebben over en weer afschrift van deze stukken ontvangen en zijn in de gelegenheid gesteld op de stukken te reageren. De reactie van de zijde van de vrouw is ingekomen op 3 april 2014 en de reactie van de zijde van de man op 18 april 2014.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie gehad. Uit hun relatie is geboren […] [in] 2002 (hierna: [de minderjarige]).

2.2.

Bij beschikking van 13 februari 2013 van de rechtbank Amsterdam is de man toestemming verleend als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) om [de minderjarige] te erkennen en is bepaald dat de behandeling omtrent de kinderbijdrage pro forma wordt voortgezet op 4 maart 2013, waarbij partijen de rechtbank uiterlijk 21 februari 2013 dienen te informeren over de uitkomst van hun overleg. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

2.3.

Bij vonnis in kort geding van 18 oktober 2013 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam zijn de ten laste van de man op basis van de bestreden beschikking gelegde executoriale beslagen opgeheven, totdat op het onderhavige hoger beroep is beslist en onder de voorwaarden dat de man binnen de beroepstermijn hoger beroep tegen de bestreden beschikking heeft ingesteld en de man het hoger beroep niet zonder medewerking van de vrouw intrekt.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.4.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1969. Hij leeft samen met zijn echtgenote, met wie hij in 1993 is gehuwd. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, [kind a] [in] 1996 en [kind b] [in] 2002.

Hij is werkzaam in loondienst. Blijkens de jaaropgave over 2013 van [bedrijf 1] bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 53.288,-. Blijkens de jaaropgave over 2013 van [bedrijf 2] bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 1.764,-.

Aan huur/en enige servicekosten betaalt hij € 378,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij voor hem en zijn echtgenote € 214,- per maand.

2.5.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1976. Zij vormt met [de minderjarige] een eenoudergezin.

Zij ontvangt een WWB-uitkering voor een alleenstaande ouder.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de man met ingang van 2 april 2012 € 780,- per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige], bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. Het verzoek van de man om de vrouw in de proceskosten te veroordelen is afgewezen.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man met ingang van 2 april 2012 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] dient te voldoen van € 1.500,- per maand. De man had primair verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen en de bijdrage op nihil te stellen en subsidiair een bijdrage vast te stellen die de rechtbank juist acht.

3.2.

De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

- het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] alsnog af te wijzen en de vrouw te veroordelen om aan de man terug te betalen de gelden die zij krachtens de bestreden beschikking van de man heeft geïnd;

- de vrouw te veroordelen in de kosten van beide instanties.

3.3.

De vrouw verzoekt de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren althans het door de man in hoger beroep verzochte af te wijzen en de man in de kosten van het hoger beroep te verwijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1.

Beide partijen hebben de Nederlandse en de Turkse nationaliteit. De vraag welke rechter bevoegd is om te oordelen over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] dient beoordeeld te worden aan de hand van de Verordening (EG) nr. 4/2009 van 18 december 2008, PbEU 2009, L 7 (hierna: de Alimentatieverordening). Ingevolge het bepaalde in artikel 3 aanhef en sub b van de Alimentatieverordening is bevoegd het gerecht van de plaats waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft. Vast staat dat [de minderjarige] haar gewone verblijfplaats in [plaatsnaam] heeft, zodat de Nederlandse rechter, te weten de rechtbank Amsterdam en daarmee ook dit gerechtshof, bevoegd is.

4.2.

Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zal het hof op grond van artikel 10:116 BW juncto artikel 3 van het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen (PbEU L 331/17), waaraan Nederland sinds 18 juni 2011 is gebonden, Nederlands recht toepassen. [de minderjarige] heeft immers haar gewone verblijfplaats in Nederland.

Procesdossier eerste aanleg

4.3.

De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 14 november 2013 verzocht de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de man aan het hof andere stukken had toegezonden dan aan de wederpartij. Nu de advocaat van de vrouw dit verzoek ter zitting in hoger beroep heeft ingetrokken, behoeft dit geen nadere bespreking meer.

Ter zitting in hoger beroep is met partijen afgesproken dat wordt uitgegaan van het procesdossier uit eerste aanleg zoals dit namens de vrouw is ingediend bij genoemde brief van 14 november 2013, bij het hof ingekomen op 18 november 2013.

Nadere stukken

4.4.

Ter terechtzitting is partijen verzocht nadere financiële stukken in te dienen binnen een week na de datum van de zitting en zijn zij in de gelegenheid gesteld binnen een week na ontvangst over en weer op de ingekomen stukken te reageren. De reactie van de man is ingekomen op 18 april 2014, derhalve buiten genoemde termijn van een week. Voorts zijn bij deze reactie een tweetal producties gevoegd, te weten respectievelijk jaarstukken van de echtgenote van de man en emailcorrespondentie tussen de man en zijn werkgever. Het hof zal de reactie van de man op de stukken van de vrouw in de beoordeling betrekken, doch nu het hof voor het indienen van nadere producties geen gelegenheid meer heeft gegeven en de vrouw bovendien geen gelegenheid meer heeft gehad om daarop te reageren, zal het hof deze producties buiten beschouwing laten.

De bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding

4.5.

Volgens de man is de rechtbank er ten onrechte van uit gegaan dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft (gehad) en is de ingangsdatum van de te betalen bijdrage ten onrechte op 2 april 2012 bepaald. In de periode vóór 19 juli 2012 verbleef [de minderjarige] regelmatig bij de man, te weten minimaal drie dagen per week. Vanaf 19 juli 2012 is zij bij de man gaan wonen en heeft de man de kosten van verzorging en opvoeding alleen gedragen. Met ingang van 14 juni 2013 heeft [de minderjarige] gedurende enkele weken bij de vrouw verbleven en is er geen contact met de man geweest. [de minderjarige] heeft nadien weer regelmatig bij de man verbleven, niet alleen elk weekend, maar zij eet door de week nagenoeg elke middag en avond bij de man. [de minderjarige] verblijft derhalve vaker bij de man dan bij de vrouw en hij draagt bijna alle kosten voor [de minderjarige], aldus de man.

De vrouw betwist dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de man heeft gehad. De man is niet in hoger beroep gekomen van de beschikking van 13 februari 2013, waarin de rechtbank heeft vastgesteld dat [de minderjarige] sinds het uiteengaan van partijen bij de vrouw verblijft. Thans is sprake van omgang inhoudende dat [de minderjarige] ieder weekend van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend voor school bij de man verblijft. Voorts staat [de minderjarige] op het adres van de vrouw ingeschreven. De man heeft er in elk geval sinds 13 maart 2012 rekening mee moeten houden dat hij ook financieel zorg zou moeten dragen voor [de minderjarige], aldus de vrouw.

4.6.

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) draagt de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast daarvan. Nu de vrouw verzoekt om een bijdrage ten laste van de man vast te stellen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige], rust op haar de bewijslast dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij haar heeft en dat zij de kosten van [de minderjarige] voor haar rekening neemt zodat de man daarin dient bij te dragen. Feiten of omstandigheden die nopen van deze bewijslastverdeling af te wijken zijn gesteld noch gebleken. Vast staat evenwel dat [de minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de vrouw en dat de vrouw belast is met het gezag over [de minderjarige]. Daarmee heeft de vrouw haar stelling dat de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] voor haar rekening komen, in beginsel voldoende onderbouwd. Het is daarom aan de man, die stelt dat hij vrijwel al deze kosten draagt, om die stelling nader te onderbouwen. Dat heeft hij in onvoldoende mate gedaan. De man stelt weliswaar dat [de minderjarige] in bepaalde periodes een groot deel of zelfs het merendeel van de tijd bij hem verblijft, maar hij heeft nagelaten te onderbouwen in hoeverre hij in die periodes daadwerkelijk kosten ten behoeve van [de minderjarige] heeft gemaakt, anders dan de gebruikelijke verblijfskosten op de momenten dat [de minderjarige] bij hem is en mogelijk incidentele andere uitgaven. Daarom kan de vraag naar de feitelijke verblijfplaats van [de minderjarige] hier in het midden blijven. Niet gebleken is immers dat, zelfs indien [de minderjarige] het merendeel van de tijd bij de man zou verblijven, de man de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] in zodanige mate voor zijn rekening neemt dat de vrouw geen aanspraak meer zou kunnen maken op een bijdrage daarin. De hoogte van die bijdrage zal dus moeten worden beoordeeld.

4.7.

Het hof zal de ingangsdatum van de door de man te betalen bijdrage evenals de rechtbank op 2 april 2012 bepalen, zijnde de datum van indiening van het inleidende verzoek door de vrouw. De man heeft er immers in elk geval vanaf deze datum rekening mee kunnen houden dat hij een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zou moeten voldoen.

4.8.

De man heeft ter zitting in hoger beroep nog aangevoerd dat de vrouw geen belang heeft bij een bijdrage van hem in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige], nu de bijdrage zal worden verrekend met de WWB-uitkering die de vrouw ontvangt.

Dit verweer wordt verworpen nu volgens vaste rechtspraak een bijdrage van een alimentatieplichtige ten opzichte van een bijstandsuitkering als een voorliggende voorziening wordt beschouwd.

4.9.

Partijen verschillen van mening over de hoogte van de behoefte van [de minderjarige]. Volgens de man is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van het netto gezinsinkomen van partijen in de jaren 2002, 2003 en/of 2004. De relatie van partijen is omstreeks 2003 dan wel 2004 beëindigd. Partijen hebben daarna echter opnieuw een relatie gekregen, welke in 2008 definitief is beëindigd. Het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2008 dient derhalve uitgangspunt te zijn. Het inkomen van de man bedroeg destijds circa € 1.852,- netto per maand. De vrouw had geen tot weinig inkomsten in 2008. Rekening houdend met de twee andere kinderen van de man, bedraagt de behoefte van [de minderjarige] € 145,- per maand, aldus de man.

De vrouw betwist dat de relatie van partijen pas definitief is geëindigd in 2008. De rechtbank is terecht uitgegaan van het netto gezinsinkomen in 2003, aldus de vrouw.

4.10.

Het hof overweegt als volgt. De man heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven geen precieze datum te kunnen noemen waarop de relatie in eerste instantie is geëindigd. Hij heeft desgevraagd erkend dat de relatie in 2003 dan wel 2004 is geëindigd. Partijen zijn het daarover dus eens. In beginsel betekent dat dat de behoefte van [de minderjarige] moet worden vastgesteld aan de hand van het netto gezinsinkomen in 2003 en 2004, zoals de rechtbank heeft gedaan. De man stelt echter dat partijen hun relatie op enig moment daarna weer hebben opgepakt en dat deze daarna definitief is geëindigd in 2008. De vrouw weerspreekt dit en heeft ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat de relatie van partijen definitief is geëindigd op 13 februari 2004. Het hof is van oordeel dat de stelling van de man een bevrijdend verweer is, waarvan hij de stelplicht draagt, nu hij zich op het rechtsgevolg van de gestelde hernieuwing en latere beëindiging van de relatie beroept. Gelet op de betwisting door de vrouw is het hof van oordeel dat de man zijn enkele stelling dat de relatie van partijen is herleefd en pas in 2008 definitief is geëindigd, onvoldoende heeft onderbouwd. Nu daartegen voor het overige geen grief is gericht, gaat het hof dan ook uit van de door de rechtbank vastgestelde behoefte van [de minderjarige] van € 780,- per maand.

4.11.

Bij de berekening van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de onder 2.4 genoemde gegevens, voor zover daarvan in het navolgende niet wordt afgeweken.

Het hof gaat uit van het inkomen van de man zoals vermeld op de jaaropgaven van 2013. De man heeft gegriefd dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met overwerk, omdat dit geen structureel karakter heeft. Het hof overweegt dat het op de jaaropgave vermelde inkomen is het inkomen dat de man daadwerkelijk heeft verdiend. Het hof zal daarvan uitgaan.

4.12.

De woonlasten van de man zijn in geschil. De man is van mening dat rekening dient te worden gehouden met de gehele huur. De man heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zijn echtgenote sinds september 2013 samen met een partner eigenaar is van een schoenenzaak. Vóór de zomer van 2013 was zij parttime werkzaam als kassamedewerker bij een bakker. Gelet op het voorgaande kan zijn echtgenote op dit moment nog niet volledig in de kosten van haar levensonderhoud voorzien, aldus de man.

De vrouw betwist dat de echtgenote van de man niet in de kosten van haar levensonderhoud kan voorzien. Er dient rekening te worden gehouden met de helft van de huur. De man heeft verklaard dat zijn partner inkomsten uit onderneming heeft, zodat zij geacht kan worden bij te dragen in de woonlasten, aldus de vrouw.

4.13.

Het hof overweegt als volgt. Op de man rusten verscheidene wettelijke onderhoudsplichten. Hij is ingevolge artikel 1:392 BW verplicht bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] en evenzo van [kind a] en [kind b]. Voorts rust op hem krachtens artikel 1:81 BW de verplichting zijn echtgenote het nodige te verschaffen, waartoe in voorkomende gevallen behoort het verschaffen van huisvesting. Uit artikel 1:400 lid 1 BW vloeit evenwel voort dat de onderhoudsplicht ten opzichte van zijn kinderen voorrang heeft ten opzichte van zijn echtgenoot. Dit betekent dat het hof in het onderhavige geval bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening zal houden met hogere woonlasten dan die welke in de bijstandsnorm als woonlastencomponent zijn begrepen. Dat de partner van de man slechts over geringe inkomsten beschikt - in 2012 € 5.812,- en in 2013 € 2.349,- - en dat haar onderneming zich nog in de startfase bevindt, maakt dit niet anders (vgl. HR 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1066). Weliswaar komt een deel van de woonlasten ook ten goede aan [kind a] en [kind b], maar het hof zal met hun positie rekening houden door de beschikbare draagkracht van de man over zijn drie kinderen te verdelen. Om dezelfde reden houdt het hof rekening met de ziektekostenpremie die de man voor zichzelf betaalt, derhalve de helft van het onder 2.4 genoemde bedrag van € 214,- per maand, nu de man ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat dit bedrag ziet op de premie voor twee personen.

4.14.

Voorts verschillen partijen van mening omtrent de omgang. De man is van mening dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de kosten die hij ten behoeve van [de minderjarige] maakt. In de periode tot juli 2012 was sprake van co-ouderschap en [de minderjarige] heeft vanaf juli 2012 tot juni 2013 bij hem verbleven. Zij verblijft sinds augustus 2013 opnieuw bij hem, niet alleen elk weekend maar zij eet ook door de week nagenoeg dagelijks bij hem zowel tussen de middag als ’s avonds.

De vrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat er momenteel geen vaste afspraken zijn omtrent de omgang, maar dat partijen van plan zijn vast te leggen dat [de minderjarige] elk weekend bij de man verblijft alsmede de helft van de vakanties.

4.15.

Het hof overweegt als volgt. Gezien de stellingen van partijen staat vast dat [de minderjarige] elk weekend bij de man verblijft dan wel zal verblijven. Partijen verschillen van mening over de mate waarin [de minderjarige] op andere momenten bij de man verblijft. De man heeft daarover gedetailleerd verklaard. Daartegenover staat de verklaring van de vrouw dat er momenteel geen vaste afspraken zijn, maar dat partijen van plan zijn de door haar aangeduide omgangsregeling vast te leggen. Wat er van dat laatste ook zij, met deze verklaring betwist de vrouw de stellingen van de man omtrent de feitelijke omgang onvoldoende. Het hof gaat er daarom van uit dat in de periode tot medio juli 2012 [de minderjarige] de helft van de tijd bij de man verbleef. De daarbij behorende omgangskosten bedragen volgens het gebruikelijke forfait € 75,- per maand. Wat betreft de periode vanaf medio juli 2012 tot juni 2013 acht het hof weliswaar onaannemelijk dat [de minderjarige] in het geheel niet bij de vrouw heeft verbleven, maar moet wel ervan worden uitgegaan dat zij de meerderheid van de tijd bij de man verbleef. Het hof schat dit in redelijkheid in op vijf dagen per week. Vanaf augustus 2013 schat het hof eveneens in dat [de minderjarige] netto vijf dagen per week bij de man verblijft. Aangezien de man blijkens zijn draagkrachtberekening (productie 4 bij het beroepsschrift) zelf uitgaat van € 100,- per maand, zal het hof daarvan ook uitgaan, over de gehele periode vanaf medio juli 2012. Bij deze stand van zaken zal het hof niet ingaan op het bewijsaanbod van de man om [de minderjarige] en enige anderen als getuige te horen en opnamen over te leggen die hij sinds december 2013 vrijwel elke dag heeft gemaakt van het verblijf van [de minderjarige] bij hem. Daarbij laat het hof nog buiten beschouwing de vraag of het voorbrengen als getuige van [de minderjarige] strookt met de eisen van goede procesorde, in verband met het aan een getuigenverhoor van [de minderjarige] verbonden risico dat zij in nog ernstiger mate in de strijd tussen haar ouders betrokken zal raken, met alle mogelijke gevolgen van dien. Ook bij de beslissing of een dergelijk getuigenverhoor van een minderjarige toelaatbaar is, vormt het belang van die minderjarige immers een eerste overweging.

4.16.

Voorts heeft de man aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de bijstandsnorm en het draagkrachtpercentage voor een eenoudergezin in aanmerking heeft genomen. Ook heeft de rechtbank geen rekening gehouden met de twee oudere kinderen van de man en is de rechtbank er ten onrechte aan voorbij gegaan dat zijn echtgenote niet in de kosten van haar levensonderhoud kan voorzien. De rechtbank had de bijstandsnorm voor gehuwden moeten toepassen, aldus de man.

De vrouw voert verweer. De man miskent dat kinderalimentatie prioriteit heeft ten opzichte van de verzorging van een nieuwe partner, aldus de vrouw. De vrouw betwist voorts dat de echtgenote van de man niet in de kosten van haar levensonderhoud kan voorzien. Door uit te gaan van de bijstandsnorm en het draagkrachtpercentage van een eenoudergezin is rekening gehouden met de noodzaak van de man om voor zijn andere kinderen te zorgen, aldus de vrouw.

4.17.

Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen, heeft de onderhoudsplicht ten opzichte van kinderen voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Bij de bepaling van de op de man toepasselijke bijstandsnorm wordt dan ook geen rekening gehouden met zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenote. Gelet op de gebruikelijke normen zal het hof de man als alleenstaande beschouwen. Bij de berekening van de draagkracht van de man zal het hof uitgaan van een draagkrachtpercentage van 70 en, zoals reeds hiervoor is overwogen, zijn draagkracht verdelen over alle kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is, te weten [kind a], [kind b] en [de minderjarige].

4.18.

Tenslotte is de man ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de door hem in de als productie 4 bij het appelschrift overlegde draagkrachtberekening opgenomen posten 132 en 134, te weten een aflossing van € 200,- per maand ter zake een schuld betreffende toeslagen 2011 en 2012 alsmede kosten van openbaar vervoer ten behoeve van [kind a] van € 40,- per week, nader te onderbouwen. Nu de man dit heeft nagelaten, houdt het hof geen rekening met deze kosten.

4.19.

Gelet op het voorgaande moet de man in staat worden geacht met ingang van 2 april 2012 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te voldoen van € 465,- per maand en met ingang van 15 juli 2012 een bijdrage van € 460,- per maand.

4.20.

De man verzoekt de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de gelden die zij op grond van de bestreden beschikking heeft geïnd. De man heeft nagelaten te stellen hoeveel de vrouw heeft geïnd. Uit de stukken blijkt evenwel dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam bij het onder 2.3 genoemde vonnis van 18 oktober 2013 de door de vrouw gelegde executoriale beslagen heeft opgeheven, nadat de vrouw in september 2013 een bedrag van € 1.700,- had weten te innen. Het hof gaat er van uit dat de vrouw na dit vonnis niets meer heeft geïnd en dat de thans op te leggen kinderbijdrage over de periode tot en met heden zodanig hoog is dat dit het door de vrouw daadwerkelijk geïnde bedrag overstijgt. Dit verzoek van de man wordt daarom afgewezen.

4.21.

Het hof ziet gelet op de aard en de uitkomst van de procedure geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken, zoals door partijen over en weer is verzocht. Het hof zal op de gebruikelijke wijze de proceskosten compenseren.

4.22.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zal voldoen een bedrag van € 465,- (VIERHONDERDVIJFENZESTIG EURO) per maand met ingang van 2 april 2012 en een bedrag van € 460,- (VIERHONDERDZESTIG EURO) per maand met ingang van 15 juli 2012;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in beide instanties aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. A.V.T. de Bie en mr. M. Perfors in tegenwoordigheid van mr. J.J. Laterveer-Runderkamp als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2014.