Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:6068

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
09-03-2015
Zaaknummer
200.133.923/01 en 200.133.923/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bepaling behoefte kind bij hoog inkomen ouders; oppaskosten; draagkracht volgens nieuwe normen; zorgkorting wordt berekend over behoefte zonder oppaskosten; bepaling (forfaitair) rendement vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 15 juli 2014

Zaaknummers: 200.133.923/01 en 200.133.923/02

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/530815 FA RK 12-9616 (JJ/MD)

in de zaak met zaaknummer 200.133.923/01 in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. E.A. Boitelle te Bilthoven,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. P.P.M. Voskuil-van Dijk te Amsterdam,

en in de zaak met zaaknummer 200.133.923/02:

[…],

wonende te […],

verzoeker,

advocaat: mr. E.A. Boitelle te Bilthoven,

tegen

[…],

wonende te […],

verweerder,

advocaat: mr. P.P.M. Voskuil-van Dijk te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.133.923/01 en het geding met zaaknummer 200.133.923/01

1.1. Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is in de zaak met zaaknummer 200.133.923/01 op 18 september 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 19 juni 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/530815 FA RK 12-9616 (JJ/MD).

1.3. In de zaak met zaaknummer 200.133.923/02 heeft de man op 18 september 2013 schorsing van de werking verzocht van de beschikking van 19 juni 2013 van de rechtbank Amsterdam.

1.4. De vrouw heeft op 4 december 2013 in beide zaken een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5. De man heeft op 8 januari 2014 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de vrouw ingediend.

1.6. De man heeft op 30 december 2013 nadere stukken ingediend. De vrouw heeft op 31 december 2013 en 8 januari 2014 nadere stukken ingediend.

1.7. De zaken zijn op 9 januari 2014 tegelijkertijd ter terechtzitting behandeld.

1.8. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2 De feiten

2.1.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2.

Partijen hebben een relatie gehad. Uit hun relatie is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2008. De man heeft [de minderjarige] erkend.

2.3.

Bij beschikking van 24 april 2013 van de rechtbank Amsterdam is bepaald dat de man [de minderjarige] eenmaal per veertien dagen van woensdag uit school tot zondag 18.30 uur alsmede in de volgende week op vrijdag uit school tot 18.30 uur bij zich heeft, alsmede de helft van de schoolvakanties.

2.4.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1968. Hij woont samen met zijn partner en vormt met hun [in] 2012 geboren dochter een gezin.

Hij is in loondienst werkzaam bij [bank] Uit de cumulatieven op de salarisspecificatie van december 2013 blijkt een fiscaal loon in dat jaar van € 195.337,- Uit zijn jaaropgave 2012 blijkt een fiscaal loon in dat jaar van € 223.385,-, hetgeen correspondeert met een loon ZVW van € 219.830,-.

Hij is, naast de door hem en zijn gezin bewoonde woning in [a], tevens eigenaar van een woning in [b], waarvan de WOZ-waarde € 234.000,- bedraagt.

2.5.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1971. Zij vormt samen met [de minderjarige] een eenoudergezin.

Zij is werkzaam bij [bank] Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg haar fiscaal loon in dat jaar € 118.587,-, wat correspondeert met een loon ZVW van € 115.033,-. Zij heeft de beschikking over een leaseauto, waarvoor de bijtelling € 631,- per maand bedraagt. Zij neemt deel aan een levensloopregeling, waarvoor de afdracht € 600,- per maand bedraagt. Uit de cumulatieven op de salarisspecificatie van december 2013 blijkt een fiscaal loon in 2013 van € 114.137,-.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is -uitvoerbaar bij voorraad- een door de man met ingang van 9 januari 2013 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] bepaald van € 711,- per maand. Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de man de door hem te betalen bijdrage op € 137,- per maand te bepalen en het verzoek van de vrouw de bijdrage met ingang van 1 juli 2012 op € 1.200,- per maand te bepalen.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de door hem te betalen bijdrage met ingang van 9 januari 2013 op € 249,- per maand te bepalen, althans de bijdrage met ingang van een zodanige datum op een zodanig bedrag te bepalen als het hof juist zal achten.

3.3.

De vrouw verzoekt in principaal appel het verzoek van de man af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt zij haar inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.

3.4.

In incidenteel appel verzoekt de man, naar het hof begrijpt, het verzoek van de vrouw alsnog af te wijzen.

3.5.

In de zaak met zaaknummer 200.133.923/02 verzoekt de man de werking van de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen. De vrouw verzoekt het verzoek van de man af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.133.923/01

In principaal en incidenteel appel

4.1.

In geschil zijn de behoefte van [de minderjarige], de berekening van de draagkracht van de man en de vrouw en de ingangsdatum van de door de man te betalen bijdrage. Het hof zal de grieven van de man in principaal appel en van de vrouw in incidenteel appel gezamenlijk behandelen.

4.2.

De behoefte van [de minderjarige].

De rechtbank heeft de behoefte van [de minderjarige] vastgesteld op € 1.299,- per maand, uitgaande van een behoefte volgens de Nibudtabellen van € 780,- per maand, vermeerderd met de kosten van

opvang van € 419,- per maand en verhoogd met € 100,- per maand in verband met de gewoonte van duurdere vakanties. Volgens de man bedraagt de behoefte € 934,- per maand, uitgaande van een maximum bedrag van € 790,- per maand op grond van de Nibudtabellen, verhoogd met opvangkosten van ten hoogste € 144,- per maand. Volgens de vrouw kan, gelet op de hoge inkomens van partijen, niet worden uitgegaan van de Nibudtabellen. Zij wijst er daarbij op dat in de toelichting van het Tremarapport op de Nibudtabellen wordt vermeld dat is gebleken dat hogere uitgaven aan de ene uitgavepost samengaan met lagere uitgaven aan een andere post, zodat het om die reden niet noodzakelijk is correcties te laten plaatsvinden. In het geval van [de minderjarige] gaat dat volgens de vrouw echter, gelet op de hoogte van de inkomens van partijen, niet op in die zin dat niet minder aan de ene uitgavenpost wordt besteed om een andere te compenseren. De behoefte van [de minderjarige] dient aan de hand van het door haar overgelegde overzicht op € 1.800,- per maand te worden bepaald, aldus de vrouw.

4.3.

Het hof overweegt dat in zaken van kinderalimentatie de behoefte van een kind in beginsel wordt vastgesteld aan de hand van de zogenaamde Nibudtabellen (Tabel eigen aandeel kosten van kinderen). Deze tabellen zijn tot stand gekomen na gedegen budgetonderzoek en geven een reële indicatie van de kosten van kinderen in diverse inkomenscategorieën. Bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven af te wijken van deze tabellen en de behoefte van een kind op een andere wijze vast te stellen. Het hof ziet daartoe in deze zaak onvoldoende reden en overweegt als volgt. Hoewel het inderdaad bij hogere inkomens minder noodzakelijk is dan bij lagere inkomens dat uitgaven voor kinderen met elkaar worden gecompenseerd, leidt dat er niet toe dat de behoefte van [de minderjarige] op zichzelf op een hogere bijdrage moet worden vastgesteld. Vanuit de hoogste tabelbedragen behoren naar het oordeel van het hof de gewone, niet-bijzondere uitgaven van ieder kind te kunnen worden voldaan zodat deze uitgaven in die zin gemaximeerd zijn. Het hof is weliswaar met de vrouw van oordeel dat onder omstandigheden een uitzonderlijk hoog netto gezinsinkomen reden kan zijn af te wijken van de tabelbedragen, maar het inkomen van partijen, hoewel aanmerkelijk hoger dan de tabelnormen, is niet zo uitzonderlijk hoog dat dit aan de orde is. De vrouw dient daarom concreet te maken dat in de specifieke omstandigheden van dit geval meer (buitengewone) uitgaven ten behoeve van [de minderjarige] worden gedaan om de behoefte, zoals deze volgt uit de tabel, op een hoger bedrag vast te stellen. De enkele behoeftelijst zoals opgesteld door de vrouw, die op punten is betwist door de man, volstaat, anders dan voor zover dit ziet op de oppaskosten, in dit geval niet. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de daarin opgesomde posten niet zo uitzonderlijk zijn dat zij niet in de Nibudnormen zijn verdisconteerd. Dat geldt eveneens voor de door de vrouw opgevoerde vakantiekosten, nu deze (uitgaande van het hoogste tabelinkomen) niet zodanig bovenmatig zijn dat deze niet uit de behoeftebedragen zoals die volgen uit de tabel kunnen worden voldaan.

De behoefte van [de minderjarige] kan daarmee volgens de Nibudtabellen worden bepaald. In de omstandigheid dat met ingang van 1 januari 2014 het hoogste netto gezinsinkomen waarmee in deze tabellen wordt gerekend is bepaald op € 6.000,- of meer, ziet het hof aanleiding om bij dit meest recente maximale tabelinkomen aansluiting te zoeken. De behoefte van [de minderjarige] kan daarmee worden vastgesteld op € 960,- per maand. Deze behoefte zal worden verhoogd met de door de vrouw gestelde oppaskosten van € 419,- per maand. Het hof acht deze kosten voldoende onderbouwd en ook niet onevenredig hoog, gelet op het feit dat de vrouw een -nagenoeg- fulltime baan heeft en zij afhankelijk is van flexibele opvang. Nu de vrouw geen kindgebonden budget ten behoeve van [de minderjarige] ontvangt, bedraagt de behoefte in totaal € 1.379,- per maand.

4.4.

De ingangsdatum.

In haar incidenteel appel heeft de vrouw verzocht de door de man te betalen bijdrage per 1 juli 2012 te laten ingaan, nu hij gelet op het door haar overgelegde emailbericht van 20 juni 2012 in ieder geval vanaf die datum op de hoogte was van haar verzoek en daarmee kon rekenen.

Ter zitting heeft de vrouw echter aangegeven dat de man, zoals hij zelf ook stelt, de kosten van de kinderopvang van juli en augustus 2012 nog heeft betaald. De ingangsdatum kan in dat verband nader bezien op 1 september 2012 worden gesteld, aldus de vrouw. Het hof zal de vrouw hierin volgen en de ingangsdatum van de door de man te betalen bijdrage vaststellen per 1 september 2012 nu hij in ieder geval, gelet op voormeld emailbericht, vanaf die datum met een bijdrage kon rekenen.

4.5.

De draagkracht van partijen.

Partijen zijn het erover eens dat hun beider draagkracht aan de hand van de nieuwe richtlijnen kinderalimentatie dient te worden bepaald. Dat houdt in dat het netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt wordt genomen. Dit inkomen wordt vastgesteld door de som te nemen van het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. De draagkracht zal vervolgens worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 850,-)]. Deze benadering houdt in dat op het besteedbaar inkomen 30% in mindering zal worden gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening zal worden gehouden met een bedrag van € 850,- aan overige lasten en dat zal worden uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70. Het hof zal bovendien de inkomens uit arbeid over 2012 corrigeren voor het feit dat in 2013 de werkgeversbijdrage ZVW is komen te vervallen.

4.6.

Ten aanzien van de man.

Voor het inkomen van de man uit zijn dienstbetrekking bij [bank] gaat het hof uit van het gemiddelde dat volgt uit de jaaropgaven over 2012 en 2013. De bonus die de man over 2012 heeft ontvangen is daarin verdisconteerd en eveneens wordt zo rekening gehouden met de omstandigheid dat zijn inkomen in 2013 lager is geweest. Het hof ziet in het feit dat het inkomen in 2012 naar de man stelt uitzonderlijk hoog is geweest vanwege een hoge bonusuitkering en een eenmalige verhoging van het basissalaris geen reden om daarmee voor de draagkrachtbepaling geen rekening te houden. Voor zover de man stelt dat hij in de toekomst een lagere bonus zal ontvangen en dat dat niet zal worden gecompenseerd in zijn basissalaris, overweegt het hof dat een dergelijke bestendige verlaging van zijn salaris door hem onvoldoende aannemelijk is gemaakt, zodat het slechts een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft is waarmee thans geen rekening wordt gehouden.

De man is voorts houder van 100% van de aandelen in […] (hierna ook: [B.V.]), maar heeft van deze B.V. geen stukken overgelegd. Ter zitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat [B.V.] 50% van de aandelen in de website […] houdt. Die site is niet meer actief en levert geen inkomsten op zodat de aandelen op "0" zijn gewaardeerd voor de inkomstenbelasting, aldus de man. De vrouw heeft ter zitting desgevraagd aangegeven geen behoefte te hebben aan overlegging van stukken betreffende [B.V.]. Bij deze stand van zaken gaat het hof ervan uit dat de man geen inkomsten uit [B.V.] genereert, zodat daarmee geen rekening wordt gehouden.

4.7.

Overige inkomsten.

De man heeft tevens inkomsten uit vermogen. Zijn vermogen bestaat uit een saldo op bank- en spaartegoeden, belegd vermogen en een woning in [b].

De man heeft primair betoogd dat, gelet op het langjarige negatieve rendement, althans de vermogensdaling sinds 2007, zijn inkomsten uit vermogen nihil zijn zodat daarmee geen rekening kan worden gehouden. Subsidiair betoogt de man dat rekening dient te worden gehouden met een fictief rendement op vermogen van 4%, primair uitgezonderd de woning in [b], waarvoor volgens de man primair een rendement van 0% dient te worden gehanteerd. Het fictieve rendement dient, volgens de stelling van de man in zijn appelschrift, over het gemiddelde vermogen van 2012 te worden berekend, te weten (indien wel rekening wordt gehouden met de

woning in [b]) over het gemiddelde van € 579.033, - (per 1/1/12) en € 648.453,- (per 31/12/12), zijnde € 613.743,-. Bij zijn nadere stukken heeft de man als productie 25 een vermogensopstelling overgelegd, waarin een totaal vermogen (inclusief de woning in [b]) van € 648.000,- per 31 december 2012 en € 685.000,- per 31 december 2013 is vermeld.

4.8.

Het hof zal voor de bepaling van het rendement uit vermogen een percentage van 4 hanteren en volgt daarmee in zoverre het subsidiaire standpunt van de man. Daarbij wordt aangesloten bij het fictief rendement dat de Wet Inkomstenbelasting hanteert, welke ziet op de rendementen die redelijkerwijs, gerekend over een langere periode en over diverse wijzen van beleggingen, gemiddeld behaald geacht kunnen worden. Het hof zal dit percentage ook hanteren voor het hierna te bepalen rendement over het vermogen van de vrouw. Bij dit (fictieve) percentage is irrelevant hoe partijen het vermogen daadwerkelijk belegd hebben en wordt verdisconteerd dat -vooral- de beleggingen van de man in sommige jaren een hoger rendement op zullen leveren en in andere jaren een lager. Daarbij wordt in acht genomen dat de alimentatieverplichting jegens [de minderjarige], gelet op haar leeftijd, nog langdurig is. Gelet op het voorgaande gaat het hof voorbij aan de primaire stelling van de man, dat het rendement op zijn beleggingen op de lange termijn nihil is, alsmede dat de woning in [b], gelet op de daling van de huizenprijzen in Nederland, een negatief rendement oplevert. Het hof gaat er vanuit dat de man, maar ook de vrouw, in het kader van de onderhoudsverplichting jegens [de minderjarige], het vermogen op een zodanige wijze belegt, dat een langjarig gemiddelde van 4% rendement wordt gerealiseerd. Daarbij gaat het hof overigens, overeenkomstig het belastingstelsel, alleen uit van een rendement op het box 3 vermogen, en niet, zoals de man voorstelt, eveneens van box 1 vermogen.

4.9.

Het hof zal voor de bepaling van het rendement uitgaan van het vermogensoverzicht zoals door de man opgesteld als productie 25 en daarbij uitgaan van het gemiddelde van het vermogen per 31 december 2012 en 31 december 2013. De vrouw noemt in haar pleitnotitie een hoger vermogen per 31 december 2013 (€ 700.000,- in plaats van € 685.000,-) maar geeft niet nader aan waarop dat is gebaseerd, terwijl de man bij deze berekening afschriften van de diverse rekeningen heeft overgelegd. Uit die afschriften blijkt overigens ook dat een aantal rekeningen gezamenlijk met de vrouw, [x] of [y] is aangegaan, zodat het hof de man volgt voor zover hij stelt dat ten aanzien van deze rekeningen rekening moet worden gehouden met een aandeel van 50%. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat de waarde van de woning van de man in [b] op een hogere waarde dan de WOZ-waarde (van € 234.000,-) dient te worden bepaald, nu zij dit gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende nader heeft onderbouwd. Het vermogen van de man wordt derhalve bepaald op het gemiddelde van € 648.000,- en € 685.000,-, zijnde € 666.500,-. Het rendement is 4% daarvan, zijnde € 26.660,-.

4.10.

Ten aanzien van de vrouw.

Aan de zijde van de vrouw zal het hof in redelijkheid eveneens uitgaan van het gemiddelde van het jaarinkomen over 2012 en 2013. Met de -volgens de vrouw- eenmalig in 2013 ontvangen bonus van € 3.500,- wordt derhalve, evenals bij de man rekening gehouden.

Geen rekening wordt gehouden met het bedrag dat bij de vrouw bij haar belastbaar inkomen wordt opgeteld als gevolg van het feit dat zij een (lease-)auto van haar werkgever tot haar beschikking heeft en daar in privé gebruik van maakt, nu dit geen besteedbaar inkomen betreft. Anderzijds wordt evenmin rekening gehouden met het bedrag dat de vrouw ten gevolge van die bijtelling aan Inkomstenbelasting is verschuldigd. Deze last is in feite een door de vrouw te betalen vergoeding voor privégebruik van de auto. Een dergelijke last kan niet gaan boven haar onderhoudsplicht en dient uit haar vrije ruimte te worden voldaan. De financiële gevolgen van de keuze van de vrouw om (verder) deel te nemen aan de levensloopregeling dienen eveneens voor haar rekening te komen. Zij heeft het bestaan van een pensioentekort onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt,

zodat haar deelname -in het kader van haar onderhoudsverplichting jegens [de minderjarige]- als een

vrije keuze wordt beschouwd. Het hof acht het echter onredelijk rekening te houden met inkomsten uit het reeds opgebouwde levensloopsaldo, in de zin van inkomsten uit vermogen, nu er voor de vrouw voorheen geen alimentatieverplichting aan de orde was en het voor haar onnodig belastend is indien ze het opgebouwde saldo thans moet laten vrijvallen.

4.11.

Voor het inkomen uit vermogen van de vrouw gaat het hof, evenals bij de man, uit van het gemiddelde van het vermogen per 31 december 2012 en 31 december 2013, zoals in de pleitnota van de vrouw genoemd. De man heeft deze cijfers op zichzelf niet, althans onvoldoende, betwist. De man heeft wel gesteld, zoals hiervoor onder 4.8 overwogen, dat in het geval van de vrouw moet worden uitgegaan van een box 1 vermogen (ter hoogte van € 39.500,-), omdat de waarde van de door haar bewoonde woning hoger is dan de hypothecaire lening die daarop rust. Daarbij heeft de man er nog op gewezen dat de vrouw de verbouwingskosten van de woning destijds niet hypothecair heeft gefinancierd en derhalve feitelijk vermogen van box 3 naar box 1 heeft overgeheveld. Het hof volgt de man niet in zijn standpunt. De vrouw kan immers het in haar woning opgebouwde vermogen niet ten gelde maken nu het haar hoofdverblijf betreft. Dat de vrouw een verbouwing met eigen geld heeft gefinancierd in plaats van een aanvullende hypothecaire lening aan te gaan, is -mede gelet op haar onderhoudsverplichting- niet meer dan redelijk en kan derhalve niet tot een ander oordeel leiden. Het hof gaat uit van een rendement van 4% op een gemiddeld vermogen over 2012 en 2013, zoals genoemd in de pleitnota van de vrouw, van € 64.661,-, zijnde € 2.567,- per jaar. Dit bedrag is overigens nagenoeg gelijk aan het gemiddelde van het vermogen dat de rechtbank heeft vastgesteld (€ 77.445,-) en het bedrag dat de vrouw in haar verweerschrift (€ 52.455,-) als op dat moment resterend noemt.

4.12.

Gelet op het voorgaande bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man € 10.640,- per maand en dat van de vrouw € 5.867,- per maand. De draagkracht bedraagt, uitgaande van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 850,-)], voor de man € 4.619,- per maand en voor de vrouw € 2.279,- per maand. Bij vergelijking van de draagkracht van partijen bedraagt het aandeel van de man 67% en het aandeel van de vrouw 33% in de kosten van [de minderjarige] (€ 1.379,-), derhalve respectievelijk € 924,- en € 455,-.

4.13.

De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. De man stelt dat rekening moet worden gehouden met een percentage van 35, de vrouw stelt dat dit 25, dan wel 15 bedraagt, rekening houdend met het feit dat [de minderjarige] op de (omgangs)woensdagmiddag naar zwemles gaat.

Uitgaande van de bij beschikking van 24 april 2013 vastgestelde zorgregeling, welke regeling tussen partijen nog steeds geldt, verblijft [de minderjarige] in de reguliere omgangsweken gemiddeld 2,5 dag per week bij de man. Dat [de minderjarige] zwemles heeft op een van de dagen waarop zij bij de man verblijft, is niet relevant voor de korting. Met inachtneming van de vakantieregeling, inhoudende dat [de minderjarige] de helft van de vakanties bij de man doorbrengt, bedraagt de zorgkorting 35%.

4.14.

Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het aandeel van de man in de behoefte van [de minderjarige] (zonder de verhoging met de kosten van opvang), omdat partijen samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. Het aandeel van de man bedraagt daarmee € 924,- -/- (35% van € 960,-, zijnde:) € 336,- = € 588,- per maand.

4.15.

Het hof overweegt voorts nog als volgt. De man is [in] 2012 vader geworden van een tweede kind. De bestreden beschikking geeft er geen blijk van dat bij de bepaling van de

draagkracht van de man en bij de draagkrachtvergelijking tussen de man en de vrouw rekening is

gehouden met zijn onderhoudsplicht jegens dit kind. Nu de man daartegen niet heeft gegriefd, zal ook het hof daarmee geen rekening houden. Het hof constateert in elk geval dat de man, gezien zijn netto besteedbaar inkomen, hoe dan ook over voldoende draagkracht beschikt om in de behoefte van dit kind te voorzien.

4.16.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beoordeling van het verzoek (zaaknummer 200.133.923/02)

5.1.

Nu bij deze beschikking een einduitspraak in de hoofdzaak wordt gegeven, is daarmee het belang van de man bij een beslissing op het schorsingsverzoek komen te ontbreken. Het schorsingsverzoek zal derhalve worden afgewezen.

5.2.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.133.923/01:

in principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking waarvan beroep,

bepaalt de door de man aan de vrouw bij vooruitbetaling te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang van 1 september 2012 op € 588,- (VIJFHONDERD ACHTENTACHTIG EURO) per maand;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in principaal en incidenteel appel meer of anders verzochte;

in de zaak met zaaknummer 200.133.923/02:

wijst het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring van de beschikking af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.E. Buitendijk, mr. A.V.T. de Bie en mr. W.K. van Duren in tegenwoordigheid van mr. S. Rezel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2014 .