Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:6063

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
24-03-2015
Zaaknummer
200.135.358/01
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming verhuizing; hoofdverblijfplaats.

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, 's-Gravenhage, 19-10-1996 15
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 27 mei 2014

Zaaknummer: 200.135.358/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/199089 / FA RK 12-4362 & C/15/201026/FA RK 13-824

Uitspraak van de meervoudige familiekamer in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. M.J. Westhoff te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.A. Vlielander-Jongerius te Bussum.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 11 oktober 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 11 juli 2013 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/199089 / FA RK 12-4362 & C/15/201026/FA RK 13-824.

1.3.

De man heeft op 21 november 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De vrouw heeft op 3 januari 2014 nadere stukken ingediend. De man heeft op 9 januari 2014 nadere stukken ingediend.

1.5.

De zaak is op 16 januari 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw […], vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de Raad).

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 2004 gehuwd. Hun huwelijk is op 22 oktober 2013 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 11 juli 2013 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is geboren [de minderjarige] [in] 2004.

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige].

2.2.

Bij beschikking van 13 juni 2013 van de rechtbank Noord-Holland is, voor zover van belang, de Raad verzocht een advies uit te brengen inzake de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige]. De Raad heeft op 2 juli 2013 rapport en advies uitgebracht.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover van belang, afgewezen het verzoek van de vrouw haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] te verhuizen naar [A] (Servië).

Zowel de vrouw als de man had de rechtbank verzocht te bepalen dat [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats bij haar respectievelijk hem zal hebben. Deze verzoeken zijn bij de bestreden beschikking aangehouden.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre,
- te bepalen dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft;

- aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen om de woonplaats van [de minderjarige] te wijzigen en met hem naar [A] te verhuizen.

3.3.

De man verzoekt de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het door haar in hoger beroep verzochte af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Aan de orde zijn de verzoeken van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen en haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] naar [A] te verhuizen. Het hof zal eerst dat laatste verzoek bespreken

4.2.

De zaak draagt een internationaal karakter, omdat de vrouw de Nederlandse en de man de Zweedse nationaliteit heeft. [de minderjarige] heeft de Nederlandse, Zweedse en Servische nationaliteit. Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] thans in Nederland is, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 (Brussel II bis) bevoegd om te beslissen op de verzoeken van de vrouw. Op grond van artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (Trb 1997, 229) past de Nederlandse rechter Nederlands recht toe als zijn interne recht.

4.3.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek dient de rechter in geschillen als het onderhavige omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij deze beoordeling dient de rechter de belangen van alle betrokkenen in aanmerking te nemen en tegen elkaar af te wegen. Het belang van het kind is daarbij een overweging van eerste orde. Dat neemt niet weg dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen.

4.4.

In het onderhavige geval heeft de rechtbank bij de bestreden beschikking overwogen dat het belang van [de minderjarige] bij het in stand houden van de intensieve band met zijn vader en het belang van de man bij het zoveel mogelijk invulling geven aan de zorg- en opvoedingstaken van [de minderjarige] zwaarder wegen dan het belang van de vrouw bij verhuizing naar Servië. De rechtbank is daarbij uitgegaan van de bij beschikking voorlopige voorzieningen van 29 november 2012 vastgestelde co-ouderschapsregeling, waaraan sindsdien door partijen uitvoering wordt gegeven.

De vrouw heeft in haar eerste twee grieven aangevoerd dat zij vanaf de geboorte van [de minderjarige] in hoofdzaak de verzorgende ouder is geweest, ook nadat de co-ouderschapsregeling is gaan gelden. Deze regeling is niet in het belang van [de minderjarige], nu deze in de praktijk inhoudt dat hij door wisselende vreemden wordt opgevoed, waardoor zijn opvoeding in het gedrang komt, aldus de vrouw.

De man heeft het betoog van de vrouw gemotiveerd betwist, waarbij hij uitvoerig is ingegaan op de stellingen van de vrouw en deze concreet heeft weerlegd. In het licht daarvan is niet aannemelijk geworden dat de vrouw, in elk geval sinds partijen eind november 2012 uitvoering zijn gaan geven aan de co-ouderschapsregeling, als de in hoofdzaak verzorgende ouder van [de minderjarige] moet worden aangemerkt. Dat de man in verband met zijn werk en de grote woon-werkafstand die hij heeft, derden inschakelt voor de opvang van [de minderjarige], brengt in dit oordeel geen verandering. Het staat de man vrij de zorg voor [de minderjarige] deels uit te besteden en niet gebleken is dat [de minderjarige] daarvan nadeel ondervindt. De man heeft in zijn verweerschrift onder 9 en 10 onder opgave van redenen betoogd dat het thans goed gaat met [de minderjarige] en dat is door de vrouw niet (gemotiveerd) betwist. Voor zover dit anders zou zijn, moet ervan worden uitgegaan dat de oorzaak daarvan in hoofdzaak is gelegen in het onderhavige geschil en de onzekerheid die daaruit voor [de minderjarige] voortvloeit. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen in het raadsrapport onder ‘mogelijkheden en belemmeringen van [de minderjarige]’ (p. 12) is vermeld en ziet geen aanleiding aan de juistheid daarvan te twijfelen.

4.5.

Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof terecht zwaarwegende betekenis toegekend aan de belangen van [de minderjarige] en van de man zoals deze hiervoor zijn weergegeven. Dat in aanmerking genomen, komt de door de vrouw blijkens haar tweede grief aangeboden compensatie, inhoudende dat de man [de minderjarige] meermalen per jaar in de schoolvakanties bij zich kan hebben en enkele malen per week via bijvoorbeeld Skype contact met hem kan onderhouden, neer op een aanmerkelijke vermindering van het contact tussen de man en [de minderjarige] en op het aandeel van de man in de zorg- en opvoedingstaken. Anders dan de vrouw in haar vierde grief betoogt, wordt derhalve wel degelijk inbreuk gemaakt op de belangen van [de minderjarige] en van de man, indien de vrouw met [de minderjarige] naar [A] zou verhuizen. Ter beoordeling is de vraag of het belang van de vrouw bij die verhuizing daarvoor voldoende rechtvaardiging biedt. Deze vraag dient volgens de vrouw blijkens haar vierde en vijfde grief bevestigend te worden beantwoord.

4.6.

De vrouw wil met [de minderjarige] naar Servië ([A]) verhuizen teneinde daar haar specialisatie-opleiding tot dermatoloog te kunnen afmaken, waarmee zij voor haar vertrek naar Nederland (in 1999) was aangevangen en voor welke opleiding zij opnieuw is toegelaten. In 2016 verloopt haar licentie als arts, indien zij niet voordien in werk of stage ervaring opdoet als arts. Het lukt haar in Nederland niet om die ervaring op te doen. In [A] kan zij de specialisatie-opleiding en daarbij behorende stages realiseren in drie jaar. Mogelijk kan zij daarna wel passend werk vinden in Nederland. Zij is bereid de mogelijkheid open te houden dat zij na voltooiing van de opleiding in [A] met [de minderjarige] terugkeert naar Nederland, indien het gewenst lijkt dat hij zijn middelbare schooltijd in Nederland doorbrengt, aldus de vrouw.

Ter zitting is gebleken dat de vrouw die voorheen niet als arts werkzaam was, nadat zij in 2010 werkeloos was geworden, de specialisatie-opleiding tot dermatoloog in [A] in 2012 heeft hervat en in verband daarmee gedurende een deel van dat jaar (van medio februari 2012 tot eind juni 2012) in [A] heeft verbleven, zonder [de minderjarige]. Van de drie jaar heeft zij thans een jaar afgerond en het vervolg zal nog ongeveer twee jaar in beslag nemen. Het is mogelijk om in juni 2014 met de opleiding verder te gaan. In de periode van oktober 2014 tot februari 2015 dient zij lezingen te volgen om de tijd die zij heeft gemist in te halen. Voor het overige bestaat de opleiding uit het volgen van een praktijkprogramma, aldus de vrouw ter zitting.

Het hof begrijpt de stellingen van de vrouw in haar beroepschrift en ter zitting aldus dat haar verzoek om toestemming tot verhuizing in eerste instantie betrekking heeft op de periode die nodig is om haar specialisatie-opleiding tot dermatoloog in [A] af te maken, derhalve een periode van ongeveer twee jaar. Dat de vrouw ook daarna met [de minderjarige] in [A] zal verblijven, staat niet vast, nu blijkens haar eigen stellingen rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de vrouw na afronding van haar opleiding met [de minderjarige] naar Nederland terugkeert. Dat dat laatste zal gebeuren staat evenmin vast. Hetgeen in de periode na afronding van de specialisatie-opleiding van de vrouw rond de verblijfplaats van [de minderjarige] zal voorvallen, is daarmee een onzekere toekomstige gebeurtenis waarmee bij de beoordeling van het verzoek van de vrouw en de daarbij te maken belangenafweging geen rekening kan worden gehouden.

4.7.

Ook als van de noodzaak voor de vrouw van de door haar beoogde verhuizing wordt uitgegaan, weegt het belang van de vrouw daarbij naar het oordeel van het hof niet op tegen de belangen van [de minderjarige] en de man zoals hiervoor onder 4.4 omschreven. Weliswaar is met de verhuizing in dit stadium een afzienbare periode van ongeveer twee jaar gemoeid, doch de vrouw is in staat gebleken reeds een deel van haar specialisatie-opleiding in [A] te doen, terwijl [de minderjarige] in Nederland bij de man verbleef. [de minderjarige] is in Nederland geboren en getogen, en derhalve geworteld. Hij heeft hier zijn school, vriendjes en sport. Niet aannemelijk is dat zijn belang ermee is gediend als hij naar [A] verhuist, ook niet voor een relatief korte periode, nu dit een ingrijpende wijziging betekent, ook indien hij daarna (mogelijk) weer naar Nederland terugkeert. Onder deze omstandigheden mag van de vrouw, gelet op de belangen van [de minderjarige] en de man, worden gevergd dat zij haar leven zo inricht dat zij de specialisatie-opleiding tot dermatoloog in [A] kan voltooien zonder dat [de minderjarige] met haar mee verhuist.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming tot verhuizing naar Servië met [de minderjarige], niet toewijsbaar is. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. De grieven van de vrouw behoeven voor het overige geen bespreking meer.

4.8.

Voorts acht het hof het van belang dat [de minderjarige] het contact dat hij thans heeft met beide ouders ongestoord kan voortzetten. Hoewel de zorgregeling in de procedure in eerste aanleg nog in geschil is, is in de voorlopige voorzieningenprocedure een co-ouderschapregeling vastgesteld. Volgens de vrouw wordt hieraan in de praktijk geen uitvoering gegeven omdat de man zich gelet op zijn werktijden niet aan deze regeling kan houden, hetgeen de man gemotiveerd heeft betwist. Het hof gaat er derhalve van uit dat partijen uitvoering geven aan de voorlopig vastgestelde co-ouderschapregeling, zolang de rechtbank niet anders heeft beslist. Het hof acht het aannemelijk dat door een verhuizing naar [A] het contact tussen de man en [de minderjarige] zal verwateren dan wel aanzienlijk minder intensief zal zijn. Zij zullen elkaar dan immers uitsluitend in de schoolvakanties kunnen bezoeken, waarbij rekening moet worden gehouden met het aantal vakantiedagen van de man en de kosten van het heen en weer reizen tussen Nederland en [A]. Gelet op de huidige co-ouderschapregeling is dit niet in het belang van [de minderjarige]. Het belang van de man en [de minderjarige] bij voortzetting van de co-ouderschapregeling dient derhalve te prevaleren boven de wens van de vrouw om met [de minderjarige] naar [A] te verhuizen. Het feit dat de vrouw in [A] woonruimte heeft, een plaats voor [de minderjarige] op een school aldaar kan regelen en, naar haar stellingen, uitzicht heeft op een baan, weegt niet op tegen voornoemd belang van [de minderjarige] en de man. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen, voor zover daarbij het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming om met [de minderjarige] naar [A] te verhuizen, is afgewezen.

4.9.

De vrouw heeft voorts verzocht de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen. De man is van mening dat de vrouw in dit verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de rechtbank de beslissing op dit punt heeft aangehouden. Er is derhalve op dit punt geen sprake van een beslissing waartegen hoger beroep openstaat, aldus de man.

Het hof overweegt het volgende. De bestreden beschikking bevat in haar dictum een eindbeslissing over de door de vrouw gevraagde vervangende toestemming tot verhuizing en de vrouw heeft daartegen hoger beroep ingesteld. Daarmee staat volgens vaste rechtspraak ook hoger beroep open tegen de bij de bestreden beschikking gegeven tussenbeslissing over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige], inhoudend dat de behandeling daarvan wordt aangehouden. Gelet op het voorgaande is de vrouw ontvankelijk in haar hoger beroep betreffende de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige].

Dit neemt niet weg dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat, nu aan de vrouw vervangende toestemming tot verhuizing met [de minderjarige] wordt geweigerd, de zaak nog niet rijp is voor een beslissing omtrent zijn hoofdverblijfplaats. Gebleken is dat het geschil van partijen over de zorgregeling nog bij de rechtbank aanhangig is en in hoger beroep niet ter beoordeling staat. Nu de beslissing over de hoofdverblijfplaats nauw is verbonden met de door de rechtbank vast te stellen zorgregeling en daarvan afhankelijk is, acht het hof het niet opportuun om thans over de hoofdverblijfplaats een beslissing te nemen. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve bekrachtigen voor zover daarbij de beslissing omtrent de hoofdverblijfplaats is aangehouden en de zaak in de stand waarin deze zich thans bevindt terugverwijzen naar de rechtbank Noord-Holland teneinde verder te beslissen. Daarbij merkt het hof ten overvloede op dat bij de rechtbank, naast de zorgregeling, niet alleen het verzoek van de vrouw omtrent de hoofdverblijfplaats, maar ook het verzoek van de man daarover aan de orde zal zijn.

4.10.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt terug naar de rechtbank Noord-Holland om verder te worden beslist.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. A. van Haeringen en mr. J.C.E. Ackermans-Wijn in tegenwoordigheid van mr. J.J. Laterveer-Runderkamp als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2014.