Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:6061

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
05-03-2015
Zaaknummer
200.135.595/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen zijn verdeeld over de vraag bij welke ouder de hoofdverblijfplaats van de kinderen dient te worden bepaald, alsmede – afhankelijk van de beslissing omtrent de hoofdverblijfplaats – over de omgangsregeling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a, geldigheid: 2015-03-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 15 april 2014

Zaaknummer: 200.135.595/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/525696/FARK12-7385 DR/MBE

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. M.M. van Straten te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. E. Lam te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 16 oktober 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 17 juli 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/525696/FARK12-7385 DR/MBE.

1.3.

De vrouw heeft op 10 december 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 13 januari 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door mr. R. Siemeling, advocaat te Amsterdam;

- mevrouw […], vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie gehad en tot eind oktober 2011 samengewoond. Uit deze relatie zijn geboren [kind a] [in] 2006, [kind b] [in] 2008 en [kind c] [in] 2008 (hierna gezamenlijk: de kinderen). De man heeft de kinderen erkend.

2.2.

Bij beschikking van 5 december 2012 van de rechtbank Amsterdam zijn de ouders gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over de kinderen belast.

2.3.

Bij de stukken bevindt zich een rapport van de Raad van 11 februari 2013.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [kind a] bij de man zal zijn. Voorts is bij de bestreden beschikking bepaald dat de man en de kinderen gerechtigd zijn als volgt omgang met elkaar te hebben:

 eenmaal per twee weken een aaneengesloten week indien en voor zover de man beschikt over daartoe geschikte woonruimte, waarbij de man de kinderen vrijdagmiddag bij de vrouw terugbrengt, een en ander in onderling overleg te bepalen;

 één weekend in de twee weken indien en voor zover de man niet beschikt over geschikte woonruimte;

 gedurende de helft van de vakanties, in onderling overleg tussen partijen te bepalen.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de man, voor zover hier relevant:

 te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen, althans die van [kind a], bij de man zal zijn;

 primair een zorgregeling vast te stellen waarbij de vrouw en de kinderen gerechtigd zijn omgang te hebben eenmaal per veertien dagen een weekend van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 17.00 uur, alsmede de helft van de vakanties, een en ander zonodig volgens een over te leggen schema, althans een regeling vast te stellen die de rechtbank juist acht;

 subsidiair – voor het geval de kinderen de hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben – een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen afwisselend een aaneengesloten week bij de man en bij de vrouw verblijven, waarbij de man de kinderen op vrijdagmiddag bij de vrouw ophaalt en de daaropvolgende vrijdagmiddag weer bij de vrouw terugbrengt, alsmede te bepalen dat de kinderen de helft van alle schoolvakanties bij de man verblijven, een en ander zo nodig volgens een nog nader over te leggen schema, althans een regeling vast te stellen die de rechtbank juist acht.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

 te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [kind c] en [kind b] bij de man zal zijn;

 een zorgregeling vast te stellen waarbij de vrouw en de kinderen gerechtigd zijn omgang te hebben eenmaal per veertien dagen een weekend van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school, alsmede de helft van de schoolvakanties, althans een regeling vast te stellen die het hof juist acht;

 de Raad te gelasten een beschermingsonderzoek te verrichten naar de opvoedingssituatie van de kinderen bij de vrouw.

3.3.

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en voor zover meer of anders is verzocht, het verzoek van de man af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Partijen zijn verdeeld over de vraag bij welke ouder de hoofdverblijfplaats van [kind c] en [kind b] dient te worden bepaald, alsmede – afhankelijk van de beslissing omtrent de hoofdverblijfplaats – over de omgangsregeling. De hoofdverblijfplaats van [kind a] bij de man is niet in geschil.

4.2.

De man stelt dat het in het belang van [kind c] en [kind b] is dat hun hoofdverblijfplaats bij hem wordt bepaald. Hij voert hiertoe aan dat de vrouw door haar persoonlijke problematiek (overmatig alcohol- en marihuanagebruik) niet voldoende in staat is om de kinderen een veilige en stabiele opvoedsituatie te bieden. Volgens de man zijn er signalen van verwaarlozing van de kinderen en is er geen zicht op de thuissituatie, omdat de hulpverlening april 2013 is geëindigd. Er dient een beschermingsonderzoek te worden verricht om te onderzoeken of de vrouw op termijn, na aanpak van haar alcoholverslaving, in staat is de kinderen een veilig en stabiel opvoedingsklimaat te bieden, aldus de man.

4.3.

De vrouw betwist de stellingen van de man en voert aan dat er geen sprake is van overmatig alcoholgebruik en evenmin van marihuanagebruik, welke stelling door de man overigens niet nader onderbouwd dan wel aangetoond is. Ook uit het raadsrapport van 11 februari 2013 is niet gebleken dat een dergelijk probleem bestaat, aldus de vrouw. Op de vermeende pedagogische verwaarlozing is adequaat en succesvol hulpverlening ingezet door middel van een goede afronding van de Triple-P cursus. De vrouw ontkent voorts dat haar huis vies en chaotisch is, alsmede dat de kinderen structureel te laat op school zouden komen of zouden verzuimen. De hulpverlening aan de vrouw is gestopt, omdat de vrouw door middel van de Triple-P cursus handvatten heeft gekregen om de opvoeding positief ter hand te nemen. De betrokken instanties zijn van mening dat de vrouw het goed doet, aldus de vrouw.

4.4.

De Raad adviseert in zijn rapport de hoofdverblijfplaats van [kind c] en [kind b] te handhaven bij de vrouw. Uit het onderzoek is ten aanzien van de ouderschapsmogelijkheden van beide ouders naar voren gekomen dat zowel de man als de vrouw thans goed in staat zijn de zorg en opvoeding van de kinderen op zich te nemen en dat beiden hun in voldoende mate kunnen bieden wat zij nodig hebben. Uit het rapport blijkt voorts dat de Raad van mening is dat continuïteit en stabiliteit nodig zijn om tegemoet te komen aan de belangen van de kinderen. Het feit dat de man geen vaste woon of verblijfplaats heeft kan tot een instabiele, onduidelijke en onvoorspelbare situatie leiden, om welke reden de hoofdverblijfplaats dan ook bij de vrouw dient te worden bepaald, aldus de Raad. Ten aanzien van de omgangsregeling is de Raad van mening dat de huidige omgangsregeling - waarbij de kinderen om de week bij de man verblijven - voorspelbaarheid en continuïteit biedt voor de kinderen en derhalve in hun belang in stand dient te blijven.

De Raad heeft het advies uit het rapport ter zitting in hoger beroep gehandhaafd en heeft geadviseerd de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

4.5.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek dient de rechter in geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Daarbij dienen alle betrokken belangen te worden afgewogen, maar vormt het belang van de kinderen een eerste overweging. Het hof acht zich voor het nemen van een zodanige beslissing, mede gelet op het advies ter zitting door de Raad, voldoende voorgelicht en ziet geen aanleiding voor nader onderzoek door de Raad.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat het de kinderen een goede relatie hebben met hun beide ouders. Voorts is gebleken dat, in onderling overleg tussen partijen, sinds december 2013 feitelijk uitvoering wordt gegeven aan de uitgebreide omgangsregeling (co-ouderschap) die bij de bestreden beschikking is vastgesteld. De man heeft, tegenover de uitdrukkelijke betwisting door de vrouw en gelet op hetgeen uit de stukken en ter zitting in hoger beroep naar voren is gekomen, niet aannemelijk gemaakt dat de vrouw de kinderen geen veilige opvoedingsomgeving kan bieden in verband met haar persoonlijke problematiek (overmatig alcoholgebruik en marihuanagebruik). Voor deze door de man gestelde problematiek heeft de Raad tijdens het onderzoek geen concrete aanwijzingen gevonden. Op grond van het raadsrapport en het verhandelde ter zitting is, anders dan de man stelt, voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw in staat is de opvoeding en de verzorging van de kinderen op zich te nemen. Gebleken is dat de vrouw een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. De vrouw heeft sinds juni 2012 hulp gehad van Altra, welke hulp gericht was op het verbeteren van haar opvoedvaardigheden. In april 2013 heeft de vrouw een Triple-P cursus met goed gevolg afgerond. Volgens Altra heeft de vrouw voldoende pedagogische vaardigheden en is zij door de hulpverlening krachtiger geworden. Ter zitting in hoger beroep heeft de Raad toegelicht dat er geen zorgen zijn ten aanzien van het opvoedingshandelen van de vrouw. Bovendien is er thans vrijwillige hulpverlening van Bureau Jeugdzorg Amsterdam betrokken bij het gezin van de vrouw, zodat zicht bestaat op de opvoedsituatie bij de vrouw, aldus de Raad. Ook in hetgeen de man voor het overige heeft aangevoerd, ziet het hof onvoldoende aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan, gelet op het belang van [kind c] en [kind b]. Het hof zal het verzoek van de man de hoofdverblijfplaats van [kind c] en [kind b] bij hem te bepalen derhalve afwijzen. Voor toewijzing van het verzoek van de man tot het (doen) verrichten van een beschermingsonderzoek door de Raad, bestaat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, evenmin grond.

4.6.

Nu het hof de hoofdverblijfplaats van [kind c] en [kind b] bij de vrouw zal handhaven, behoeft het verzoek van de man met betrekking tot de omgangsregeling tussen de kinderen en de vrouw geen bespreking meer, aangezien dit - naar het hof begrijpt - is gedaan onder de voorwaarde dat de hoofdverblijfplaats van [kind c] en [kind b] bij de man zou worden bepaald.

Het hof merkt ten overvloede op dat het voor de ontwikkeling van de kinderen van groot belang dat zij, gelet op hun jonge leeftijd, de band met beide ouders kunnen onderhouden en ontwikkelen. Voldoende aannemelijk is geworden dat de kinderen baat hebben bij de huidige zorgregeling. Gelet hierop en op het belang van de kinderen om zo weinig mogelijk af te wijken van de structuur waaraan zij nu gewend zijn, acht het hof het in het belang van de kinderen dat de omgang tussen de man en de kinderen op deze wijze gecontinueerd zal worden.

4.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. A.N. van de Beek en mr. M. Perfors in tegenwoordigheid van mr. B.J. Schutte als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2014.