Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:6041

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
11-03-2015
Zaaknummer
200.140.545/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Letselschadevergoeding is aan de man verknocht.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 94, geldigheid: 2015-03-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2015/70

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 22 juli 2014

Zaaknummer: 200.140.545/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/14/137160/ES RK 12-492

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. W. Doornink te Hoorn,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. S. van Ojik te Hoorn.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 20 januari 2014 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 oktober 2013 van de rechtbank Noord-Holland (Alkmaar), met kenmerk C/14/137160/ES RK 12-492, alsmede tegen de tussenbeschikkingen van 22 november 2012 en 27 februari 2013.

1.3.

De vrouw heeft op 10 maart 2014 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De man heeft op 28 april 2014 een verweerschrift in het hoger beroep van de vrouw ingediend.

1.5.

De man heeft op 20 juni 2014 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 3 juli 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 2003 in gemeenschap van goederen gehuwd. Hun huwelijk is op 8 augustus 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 26 april 2012 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Tussen partijen is in 2007 een eerdere echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt. Deze procedure is evenwel niet voortgezet. Partijen zijn in 2008 weer gaan samenwonen.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden eindbeschikking van 23 oktober 2013 is de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap als volgt vastgesteld:

aan de man worden toegedeeld:

  • -

    het pand aan de [adres 1] te [A];

  • -

    de polis, afgesloten bij Aegon onder polisnummer L10217671;

  • -

    de bij de Rabobank geopende bankrekeningen met rekeningnummers [1], [2], [3], [4] en [5];

  • -

    de inboedel die hij thans onder zich heeft;

  • -

    de scootmobielen, een Canta Wit en een Canta Rood;

  • -

    de vordering op Nice Service;

aan de vrouw worden toegedeeld:

  • -

    de bij de Rabobank geopende bankrekeningen met rekeningnummers [6] en [7]:

  • -

    de bij de ABN Amro bank geopende bankrekeningen met rekeningnummers [8] en [9];

  • -

    de inboedel die zij thans onder zich heeft;

  • -

    de Suzuki Swift met kenteken [a].

Daarnaast is de man veroordeeld om, wegens overbedeling van de vrouw als gevolg van de verdeling aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 82.379,79.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikkingen in zoverre, (naar het hof begrijpt) de verdeling vast te stellen met inachtneming van zijn grieven, althans de verdeling op een zodanige wijze vast te stellen als het hof juist acht.

3.3.

De vrouw verzoekt in principaal appel de verzoeken van de man af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt zij van de beschikking van 22 november 2012 de onderdelen 4.12 en 4.14 alsmede van de beschikking van 23 oktober 2013 de onderdelen 3.1 en 3.2 te vernietigen en te bepalen dat de man uit hoofde van overbedeling voor wat betreft de verdeling van de inboedelzaken een bedrag van € 15.000,- aan de vrouw verschuldigd is en de persoonlijke eigendommen van de vrouw zoals omschreven onder 55 van haar verweerschrift in hoger beroep aan de vrouw dient af te geven, en te bepalen dat de man, uit hoofde van toedeling aan de man van de auto met kenteken [b], een bedrag van € 7.625,- aan de vrouw verschuldigd is.

3.4.

De man verzoekt het incidenteel appel van de vrouw te verwerpen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap moet worden uitgegaan van de datum van ontbinding van het huwelijk, 8 augustus 2012, en voor de waarde van het tijdstip van verdeling.

In principaal appel

4.2.

Volgens de bestreden beschikking van 22 november 2012 heeft de man in eerste aanleg aangevoerd dat de totale bezittingen niet bij helfte dienen te worden verdeeld, omdat een belangrijk deel hiervan afkomstig is uit een schade-uitkering die de man in het verleden heeft ontvangen en tevens sprake is van een nalatenschap met uitsluitingsclausule van ongeveer € 40.000,- van de vader van de man. De rechtbank is aan deze stellingen van de man voorbijgegaan, omdat – aldus de rechtbank – de man zijn stellingen niet nader (met stukken) heeft onderbouwd en evenmin heeft aangegeven welke bedragen exact buiten de verdeling moeten blijven, terwijl voor wat betreft de schade-uitkering onduidelijk is op welke (rechts)grond deze buiten de verdeling zou moeten blijven. Voorts is in de eindbeschikking van 23 oktober 2013 beslist dat het pand [adres 1] te [A] aan de man wordt toegedeeld onder de verplichting de helft van de waarde aan de vrouw te betalen. Tegen deze beslissingen zijn de grieven 1, 2 en (deels) 6 gericht. Grief 1 betreft de schade-uitkering, grief 6 het pand [adres 1] te [A] en grief 2 (onder meer) de nalatenschap.

4.3.

De man betoogt in grief 1 dat hij in 1995 betrokken is geweest bij een ernstig auto-ongeval, waardoor hij een chronische whiplash heeft opgelopen. De vrouw is hiermee bekend. In verband hiermee heeft in 2000 een schade-uitkering van Achmea/FBTO aan de man ter hoogte van ƒ 360.410,-/€ 163.546,93 plaatsgevonden. De man beschikt niet meer over stukken met betrekking tot de schade-uitkering, waaronder de indertijd aangegane vaststellingsovereenkomst. De uitkering ziet op zowel materiële als immateriële schadevergoeding. Een essentieel deel van de uitkering ziet op schade die hij na ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap in de toekomst zal lijden, meer in het bijzonder op toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen. De man heeft tot het ongeval altijd inkomen uit arbeid genoten, maar ontvangt sinds het ongeval een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het betrokken geldbedrag, althans een gedeelte daarvan is aan hem verknocht en die verknochtheid verzet zich ertegen dat het goed in de huwelijksgoederengemeenschap valt, aldus de man.

De vrouw betwist dat de man een schade-uitkering heeft ontvangen, althans dat de uitkering (deels) aan de man verknocht zou zijn. Subsidiair voert zij aan dat de schade-uitkering niet meer te identificeren is.

4.4.

In zijn beschikking van 7 december 2012 (LJN: BY0957) heeft de Hoge Raad met betrekking tot letselschadevergoeding het volgende overwogen. De vraag of een goed dan wel een schuld, wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan, in afwijking van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed respectievelijk de schuld in de gemeenschap valt – een en ander als bedoeld in artikel 1:94 lid 3 BW – kunnen niet in hun algemeenheid worden beantwoord. De beantwoording is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed, respectievelijk die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Indien een der echtgenoten vergoeding ontvangt van schade die deze echtgenoot heeft geleden als gevolg van een ongeval, is niet reeds sprake van verknochtheid in de zin van artikel 1:94 lid 3 BW indien die vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van die echtgenoot nadelige gevolgen van het ongeval. Omdat ook dan de omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen, zal de echtgenoot die zich op artikel 1:94 lid 3 BW beroept, ten minste (tevens) moeten stellen op welke schade(n) van de bij het ongeval betrokken echtgenoot de vergoeding betrekking heeft, opdat de rechter kan vaststellen of, en zo ja in hoeverre die vragen ten aanzien van een of meer componenten van de vergoeding bevestigend moeten worden beantwoord. Zo is bijvoorbeeld van belang of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot als gevolg van het ongeval na ontbinding van de gemeenschap in de toekomst zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen.

4.5.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken.

In het door de vrouw in de eerdere echtscheidingsprocedure op 29 november 2007 ingediende echtscheidingsverzoek heeft zij de rechtbank verzocht een door de man te betalen uitkering tot haar levensonderhoud vast te stellen. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd: “(. . .) en gelet op het feit dat de man (in 1995) een schadevergoeding heeft gehad wegens een ernstig auto-ongeval (welke schadevergoeding (zeker deels) zal zijn bedoeld als aanvulling op zijn inkomen) acht de vrouw de man in staat een bijdrage te leveren (. . .). De man heeft destijds een schadevergoedingssom gekregen van € 158.823,07 (ƒ 350.000,-), en de man was toen 40 jaar oud. Indien het schadevergoedingsbedrag wordt gezien als een aanvulling op het inkomen van de man tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd, gaat het om een bedrag van € 530,- per maand.”

Een week voor de indiening van dit echtscheidingsverzoek is bij beschikking voorlopige voorzieningen van 22 november 2007 een door de man te betalen uitkering tot haar levensonderhoud vastgesteld. De rechtbank heeft daarin overwogen: “De man heeft in 1995 een ongeval gehad als gevolg waarvan de man nog steeds zeer ernstige pijnen heeft. De schadevergoeding die aan de man is uitgekeerd is, onweersproken, belegd in de woning van partijen. De rechtbank acht het onder deze omstandigheden alleszins redelijk rekening te houden met een kostenpost van € 70,- per maand in verband met niet vergoede kosten ter zake van psychotherapie.”

4.6.

De vrouw voert naar aanleiding hiervan aan dat de man tijdens het huwelijk enkel heeft gemeld dat hij een schadevergoeding had ontvangen. Op basis van de mededeling van de man via zijn toenmalige advocaat is in het echtscheidingsverzoek vermeld dat de man een schadevergoeding van ƒ 350.000,-/€ 158.823,07 had ontvangen en dat dit bedrag als aanvulling op zijn WAO-uitkering diende te worden aangemerkt. Weliswaar staat in de beschikking van 22 november 2007 vermeld dat de niet nader omschreven schadevergoeding onweersproken zou zijn belegd in de echtelijke woning, maar de vrouw betwist dat de door de man in de woning geïnvesteerde gelden afkomstig zijn van een toegekende schadevergoeding. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

4.7.

In de beschikking van 22 november 2007 is door de rechtbank vastgesteld dat de man in 1995 een ongeval heeft gehad en dat hij als gevolg daarvan zeer ernstige pijnen heeft. Uit het hiervoor weergegeven betoog van de vrouw leidt het hof af dat zij deze vaststellingen niet betwist. Voorts leidt het hof uit haar betoog af dat zij ermee bekend was dat de man, die toen zij met hem in het huwelijk trad een WAO-uitkering ontving en thans nog steeds een WAO-uitkering ontvangt, in het verleden een letselschadevergoeding heeft ontvangen en dat zij dit in de beide procedures niet slechts heeft erkend, maar zelf naar voren heeft gebracht op basis van door de advocaat van de man verstrekte concrete gegevens. Naar het oordeel van het hof dient de proceshouding van de vrouw in de eerdere echtscheidingsprocedure, die – zoals zij zelf aanvoert – ertoe zou leiden dat een hoger netto besteedbaar inkomen van de man zou worden vastgesteld waarmee hij partneralimentatie zou kunnen voldoen, voor rekening van de vrouw te blijven. Vast staat derhalve dat de man een letselschadevergoeding heeft ontvangen, dat deze in elk geval ƒ 350.000,-/€ 158.823,07 bedroeg en dat deze deels betrekking heeft op immateriële schade en deels op materiële schade, te weten verlies van verdiencapaciteit.

4.8.

Ter zitting in hoger beroep is door de man betoogd dat, uitgaande van het door de vrouw in de eerdere echtscheidingsprocedure ingenomen standpunt dat een bedrag van € 530,- per maand dient te worden gezien als aanvulling op het inkomen van de man tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd op 3 maart 2020, een bedrag van € 48.230,- ziet op inkomensschade die de man na de ontbinding van de gemeenschap op 8 augustus 2012 lijdt. De vrouw heeft deze berekening niet betwist, zodat van voornoemd bedrag aan materiële schade dient te worden uitgegaan.

Vast staat dat de letselschadevergoeding tevens betrekking heeft op immateriële schade. Een vergoeding voor immateriële schade is naar haar aard bestemd om te dienen als compensatie voor het leed – zoals pijn, verdriet en verminderde levensvreugde – dat de man heeft ondergaan en in de toekomst zal ondergaan, en is dus uitsluitend afgestemd op de aan de persoon van de man verbonden nadelige gevolgen van het ongeval. De vrouw heeft de vaststelling door de rechtbank in haar beschikking van 22 november 2007 dat de man als gevolg van het ongeval in 1995 zeer ernstige pijnen heeft en in verband daarmee psychotherapeutische hulp behoeft, niet betwist, zodat tevens vast staat dat de man immateriële schade heeft en in de toekomst zal hebben.

4.9.

Om in het kader van een verdeling tot verknochtheid te kunnen concluderen is vereist dat aangetoond wordt dat ten tijde van de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap de in geld ontvangen schadevergoeding nog te identificeren is in die zin dat aangetoond kan worden dat de ten titel van schadevergoeding ontvangen geldsom geheel of althans voor een deel nog aanwezig is. Het hof overweegt in dit verband als volgt.

4.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat in 2001, vóór het huwelijk van partijen, de woning aan [adres 2] te [B] is gekocht op naam van de vrouw. De man heeft daarover ter zitting in hoger beroep verklaard dat deze woning – naast een hypotheek – is gefinancierd met een bedrag van ƒ 400.000,- dat hij had ontvangen uit de verkoop van zijn woning in Emmeloord, die hij indertijd had gefinancierd met de gelden van de letselschadevergoeding. Na de verkoop van de woning in [B] zijn de daaruit verkregen gelden overgeboekt naar de spaarrekening. Met (een deel van) de gelden van de spaarrekening is het bedrijfspand aan de [adres 1] te [A] (hierna: het bedrijfspand) aangekocht, aldus de man.

4.11.

Uit een door de man in het geding gebracht bankafschrift van de rekening bij de Rabobank met nummer [1] op naam van [de man] eo [de vrouw] blijkt dat op 3 juni 2008 een bedrag van € 175.094,94 is bijgeschreven, afkomstig van Vos, Geerse & Reijntjes, met als omschrijving “SALDO NOTA VERKOOP [adres 2] TE [B]; AKTE D.D. 02-06-2008”, en dat op 4 juni 2008 drie maal € 50.000,- en een maal € 25.000,- is overgeboekt naar rekening nummer [2] op naam van [de man], telkens met als omschrijving “Huis, inmateriele schade”.

Uit een eveneens door de man in het geding gebracht bankafschrift van de en/of rekening nummer [1] blijkt dat op 24 juli 2008 een bedrag van € 50.000,- en een bedrag van € 48.026,- zijn overgeboekt van rekening 3465.343093 op naam van de man, en dat op 25 juli 2008 een bedrag van € 50.000,- en een bedrag van € 48.026,- zijn overgemaakt naar Alsema & van Duin, telkens met als omschrijving “[adres 1] gelden Letselschade”.

4.12.

De man heeft ter zitting in hoger beroep met betrekking tot de in de bestreden beschikking van 23 oktober 2013 aan hem toegedeelde bankrekeningen de volgende toelichting gegeven. Rekening nummer [1] stond tijdens het huwelijk op naam van beide partijen en was in gebruik als betaalrekening. Rekening nummer [2] was een internetspaarrekening op naam van de man. Rekening nummer [4], welke rekening de man reeds lang voor het huwelijk had, is de rekening waarop zijn kindsdeel uit de nalatenschap van zijn vader is gestort. De rekeningen met nummer [5] en nummer [3] zijn door de man geopend nadat de vrouw maritaal beslag had gelegd op de andere rekeningen.

4.13.

De vrouw heeft in hoger beroep aangevoerd dat de man, evenals de vrouw, indertijd gelden heeft geïnvesteerd in de woning in [B]. Zij betwist weliswaar dat de door de man geïnvesteerde gelden afkomstig zijn van de letselschadevergoeding, maar – zoals de man terecht opmerkt – zonder nadere toelichting harerzijds valt niet goed in te zien uit welke (andere) bron deze gelden bij de man, die slechts een AOW-uitkering ontving, zouden moeten zijn gekomen. Dat de vrouw zelf gelden heeft geïnvesteerd in de woning, heeft zij tegenover de gemotiveerde betwisting door de man niet aangetoond. Nu de vrouw de stelling van de man dat het de vrouw was die tijdens het huwelijk de boekhouding van partijen – en daarmee de overboekingen van en naar de bankrekeningen – verzorgde, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, dient, mede in het licht van de proceshouding van de vrouw in de procedure die heeft geleid tot de beschikking van 22 november 2007, als vaststaand te worden aangenomen dat de door de man in de woning in [B] geïnvesteerde gelden afkomstig zijn van de letselschadevergoeding. Hetzelfde heeft te gelden voor het uit de verkoop van die woning in 2008 verkregen bedrag. Dit bedrag is, zo blijkt uit voornoemde bankafschriften, overgeboekt naar de spaarrekening, van welke rekening vervolgens weer een bedrag is gebruikt voor de financiering van de aankoop van het bedrijfspand.

4.14.

Op grond van al het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat van de letselschadevergoeding in ieder geval het saldo op de peildatum van de bankrekening met nummer [2] (de spaarrekening) op de datum van de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap nog aanwezig was. Dit leidt tot het oordeel dat het saldo, dat € 40.452,43 bedraagt, naar zijn aard zo aan de persoon van de man is verknocht dat het niet in de gemeenschap van goederen valt.

4.15.

Voorts was op de datum van de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap het bedrijfspand nog aanwezig. De man betoogt primair in zijn grief 6 dat ook het bedrijfspand als aan hem verknocht buiten de verdeling dient te blijven.

Het hof overweegt dat niet ieder goed dat in de plaats treedt van een verknocht goed, eveneens of op dezelfde wijze als aan een van de echtgenoten verknocht kan worden beschouwd. Het antwoord op de vraag of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht, hangt immers af van de aard van het goed zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. De man heeft niet weersproken dat hij, zoals de vrouw in haar verweerschrift in hoger beroep onder 6 stelt, ter zitting bij de rechtbank op 29 maart 2012 heeft verklaard dat hij het bedrijfspand heeft gekocht op advies van zijn psychiater, om “weer levensmoed te verkrijgen”. Uit de stellingen van de vrouw blijkt niet dat zij betwist dat de man in behandeling bij een psychiater was. Voorts staat vast dat de man in het bedrijfspand activiteiten (reparatie van apparaten en machines) uitoefent. Zo de vrouw bedoelt te stellen dat de man het bedrijfspand heeft gekocht om gelden weg te sluizen volgt het hof de vrouw dan ook niet. Gelet op de gevolgen die het ongeval in 1995 voor de man heeft gehad – niet alleen pijn maar kennelijk ook psychische problemen – en het doel waarvoor de man het bedrijfspand heeft gekocht en waarvoor hij het daadwerkelijk in gebruik heeft, is het hof van oordeel dat ook het bedrijfspand naar zijn aard zo aan de persoon van de man is verknocht dat het niet in de gemeenschap van goederen valt.

Grief 1 slaagt, evenals het primaire standpunt van de man in grief 6. Grief 6 behoeft derhalve geen verdere bespreking.

4.16.

In grief 2 voert de man aan dat hij op 26 augustus 2011 een bedrag van € 20.000,- heeft ontvangen uit de nalatenschap van zijn vader, die in zijn testament een uitsluitingsclausule had opgenomen, en dat hij voorts op 24 november 2009 van zijn moeder een schenking onder uitsluitingsclausule van € 4.000,- heeft ontvangen, zodat in totaal € 24.000,- geen deel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap en buiten de verdeling dient te blijven.

Naar het oordeel van het hof heeft de man met de door hem in hoger beroep in het geding gebrachte stukken zijn stellingen niet aangetoond. Uit het testament van zijn vader van 8 maart 1996 blijkt dat de vader een uitsluitingsclausule heeft verbonden aan al hetgeen uit zijn nalatenschap wordt verkregen. Uit het eveneens overgelegde afschrift van de rekening met nummer [4] blijkt evenwel niet dat de op 26 augustus 2011 naar deze rekening overgeboekte bedragen van € 4.100,- en € 15.900,- afkomstig zijn uit de nalatenschap van de vader. Bedoelde bedragen zijn weliswaar overgeboekt met als omschrijving “Erfenis”, maar zijn afkomstig van bankrekeningen op naam van de man. Voorts blijkt uit het overgelegde afschrift van de rekening met nummer [3] dat op 24 november 2009 een bedrag van € 4.000,- door de moeder van de man is overgemaakt met als omschrijving “Schenking”. Dat de moeder bij de schenking heeft bepaald dat deze buiten de huwelijksgoederengemeenschap valt is echter niet gebleken. De grief faalt.

4.17.

De rechtbank heeft in de bestreden eindbeschikking van 23 oktober 2013 de scootmobielen, een Canta Wit en een Canta Rood, aan de man toegedeeld voor een totale waarde van € 6.000,-, ieder € 3.000,- . De man stelt in grief 3 dat hij de Canta Wit heeft gekocht voor € 1.750,- en de Canta Rood voor € 450,-, en dat de scootmobielen daarom voor een totale waarde van € 2.200,- aan hem moeten worden toegedeeld.

De vrouw heeft in hoger beroep een uitdraai van Canta occasions in het geding gebracht. Daaruit blijkt dat de waarde van een tweedehands Canta varieert van € 6.250,- tot € 10.850,-. De vrouw heeft daarmee haar stelling dat € 3.000,- een reële waarde voor de Canta’s is voldoende onderbouwd. De verklaring van [1] dat hij erbij was toen de man de auto’s ging afrekenen en dat de man voor de witte Canta € 1.750,- en voor de rode Canta € 450,- heeft betaald, is daar tegenover onvoldoende om thans van een andere waarde uit te gaan dan de rechtbank. Grief 3 faalt.

4.18.

De man heeft op 7 juli 2011 een bedrag van € 35.000,- overgemaakt aan Nice Services onder vermelding van “Lening”. De rechtbank heeft de vordering aan de man toegedeeld, onder de verplichting € 17.500,- aan de vrouw te betalen. In grief 4 betoogt de man dat hij wordt geconfronteerd met betalingsonmacht c.q. onwil van Nice Service en dat het niet redelijk is dat alleen hij de gevolgen dient te dragen van een niet-verhaalbare vordering. Hij verzoekt daarom de vordering bij helfte toe te delen aan ieder van partijen.

De man heeft de betalingsonmacht/onwil van Nice Service niet aangetoond, zodat de grief reeds op die grond niet kan slagen.

4.19.

Uit de stukken in het geding blijkt dat het saldo op de alleen door de vrouw gebruikte bankrekening met nummer [7] op 31 december 2010 € 36.500,- en op 24 juli 2012 nog slechts € 1.000,- bedroeg. In de bestreden beschikking van 27 februari 2013 heeft de rechtbank geoordeeld dat het enkele feit dat het saldo in ruim anderhalf jaar is verminderd onvoldoende is om te concluderen dat de vrouw gelden heeft achtergehouden. De rechtbank heeft voorts overwogen geen aanleiding te zien om nadere informatie over het verloop van het saldo van de vrouw te vragen, omdat de man verder geen feiten en omstandigheden heeft gesteld waarom de vermindering van het saldo tot nader onderzoek zou moeten leiden. Hiertegen is grief 5 gericht. De man stelt dat bij de buitensporige verlaging van het saldo in een relatief kort tijdsbestek van de vrouw mag worden verwacht dat zij die verlaging inzichtelijk maakt.

De vrouw heeft daar tegenover aangevoerd dat zij – zo begrijpt het hof – de gelden van de bankrekening heeft gebruikt om in haar levensonderhoud te voorzien, omdat zij een zeer gering inkomen (ABP-pensioen van € 338,50 netto) geniet en werd geconfronteerd met hoge kosten van haar advocaat en een afrekening met de belastingdienst vanwege het beëindigen van haar bedrijf per 31 december 2010. Nu de man dit alles niet heeft weersproken en voorts gesteld noch gebleken is dat de man in de periode nadat hij de echtelijke woning had verlaten heeft bijgedragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, ziet het hof geen aanleiding de vrouw op te dragen gegevens te verstrekken over het verloop van het saldo van de bankrekening. De grief faalt.

In incidenteel appel

4.20.

Met betrekking tot de auto met kenteken [b] heeft de rechtbank in de bestreden beschikking van 22 november 2012 geoordeeld dat de auto, die in november 2011 door de man is verkocht, op de peildatum geen deel meer uitmaakte van de gemeenschap. Hiertegen komt de vrouw met haar grief 1 op. De vrouw stelt dat de man de auto niet heeft verkocht, maar tijdelijk op naam van een derde heeft laten zetten en dat de man de auto nog steeds gebruikt. De auto maakte op de peildatum nog wel deel uit van de huwelijksgoederengemeenschap. De vrouw maakt derhalve aanspraak op € 7.625,-, zijnde de helft van de taxatiewaarde per 22 juni 2010.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij de auto heeft verkocht heeft de man een vrijwaringsbewijs met betrekking tot de auto met kenteken [b] gedateerd 18 november 2011 in het geding gebracht. De man voert aan dat hij niet dagelijks in de auto rijdt, wel een enkele keer in verband met reparatiewerkzaamheden voor de nieuwe eigenaar. Gezien deze onderbouwing en toelichting, is het hof van oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond dat de auto op de peildatum nog deel uitmaakte van de huwelijksgoederengemeenschap. De grief faalt.

4.21.

Grief 2 is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de door de vrouw verzochte vergoeding voor de inboedel. Volgens de vrouw heeft de man bij zijn vertrek uit de echtelijke woning een groot aantal inboedelzaken meegenomen en heeft zij daarom aanspraak op een bedrag van € 15.000,- wegens overbedeling van de man. Daarnaast heeft de man, aldus de vrouw, een aantal persoonlijke eigendommen van de vrouw meegenomen. Zij verzoekt te bepalen dat de man deze zaken aan haar dient af te geven.

De man heeft een door beide partijen op 15 september 2011 ondertekende verklaring in het geding gebracht met de volgende inhoud: “De inboedel hebben we nu verdeeld!” De vrouw heeft deze verklaring niet betwist, zodat van de juistheid van de inhoud daarvan dient te worden uitgegaan. Ter zitting is gebleken dat de man het zilveren beeld aan de vrouw heeft afgegeven. Van de overige zaken heeft de vrouw niet aangetoond dat de man deze onder zich heeft. De grief faalt.

Conclusie in principaal en incidenteel appel

4.22.

Het pand aan de [adres 1] te [A] en het saldo op de bankrekening bij de Rabobank met nummer [2] maken geen deel uit van de te verdelen gemeenschap en behoeven derhalve niet te worden verdeeld. De bestreden eindbeschikking van 23 oktober 2013 zal worden vernietigd voor zover daarbij het pand aan de [adres 1] te [A] en de bankrekening bij de Rabobank met nummer [2] aan de man zijn toegedeeld en voor zover de man daarbij is veroordeeld aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 82.379,79. Het hof zal de man veroordelen om wegens onderbedeling van de vrouw, aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 82.379,79 te verminderen met € 32.000,- (overbedeling bedrijfspand) en € 20.226,22 (overbedeling banksaldo van rekeningnummer [2]) = € 30.153,57. De bestreden beschikkingen zullen voor het overige worden bekrachtigd.

5 Beslissing

Het hof:

In principaal en incidenteel appel

vernietigt de bestreden beschikking van 23 oktober 2013, voor zover daarin het pand aan de [adres 1] te [A] en het saldo op de bankrekening bij de Rabobank met nummer [2] aan de man zijn toegedeeld en voor zover de man daarbij is veroordeeld aan de vrouw wegens onderbedeling te voldoen een bedrag van € 82.379,79,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man om, wegens onderbedeling van de vrouw als gevolg van de verdeling, aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 30.153,57;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikkingen voor het overige;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Kleene-Eijk, mr. C.A. Joustra en mr. A.R. Sturhoofd in tegenwoordigheid van mr. S. Rezel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2014.