Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:6011

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2014
Datum publicatie
20-02-2015
Zaaknummer
23-000143-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak mishandeling. Niet is komen vast te staan dat de verdachte het letsel heeft toegebracht zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 23-000143-14

Datum uitspraak: 22 december 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 januari 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-654221-12 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 december 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

2 (in eerste aanleg gevoegde zaak 711.211/13):
hij op of omstreeks 22 november 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] een kopstoot heeft gegeven en/of eenmaal of meermalen tegen het gezicht heeft geslagen en/of gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde, voor zover in hoger beroep aan de orde, zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen, voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaren.

Vrijspraak

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de volgende feitelijke toedracht aannemelijk geworden.

Op 22 november 2012 reed de aangever met een touringcar (hierna: bus) met geringe snelheid over de Beethovenstraat te Amsterdam. De verdachte reed met zijn vriendin achterop een snorscooter rechts naast de bus. Rechts naast de verdachte stonden auto’s geparkeerd. Op een zeker moment heeft de verdachte met zijn hand of vuist tegen de bus geslagen. De aangever heeft daarop de bus tot stilstand gebracht en de deur van de bus geopend. Hij is naar buiten gegaan, alwaar een schermutseling ontstond tussen de aangever en de verdachte, waarbij de verdachte over zijn scooter heen viel. Vervolgens heeft een schermutseling plaatsgevonden tussen de aangever en de vriendin van de verdachte. De verdachte heeft zich daarin gemengd en de aangever heeft letsel opgelopen.

De aangever heeft verklaard dat hij, toen hij uit de bus wilde stappen, de verdachte op zich zag afkomen in een bokshouding. De aangever gaf de verdachte een duw waardoor de verdachte zijn evenwicht verloor en over de snorfiets viel die achter hem stond. De aangever heeft verder verklaard dat, toen de jongen (het hof begrijpt: de verdachte) viel, het meisje (het hof begrijpt: getuige [getuige 1], de vriendin van de verdachte) op hem afkwam. De aangever probeerde het meisje af te weren en dit heeft hij gedaan met twee handen. Hij zag dat de verdachte op hem afkwam en dat de verdachte zijn hoofd naar achter bewoog en met kracht naar voren bracht in de richting van het gezicht van de aangever.

De verdachte heeft verklaard dat hij op de deur en de ramen van de bus heeft gebonkt om de chauffeur te waarschuwen dat hij niet verder naar rechts moest komen, omdat de ruimte daar te beperkt was. Hij ontkent dat hij, toen de aangever naar buiten kwam, de aangever een kopstoot heeft gegeven. Toen hij na de duw van de aangever overeind gekomen was, zag hij dat de aangever zijn, verdachtes, vriendin bij haar keel vastpakte. Hij heeft geprobeerd de aangever van zijn vriendin af te trekken en toen dat niet lukte heeft hij de aangever twee keer geslagen. Na de tweede klap liet de aangever los. De verdachte zegt de klappen alleen gegeven te hebben ter noodzakelijke verdediging van zijn vriendin.

De getuige [getuige 2] was ten tijde van het voorval passagier in de bus. Hij heeft ter zake een schriftelijke verklaring opgesteld die aan het dossier is toegevoegd en is door de politie, alsmede later door de raadsheer-commissaris, gehoord.

Hij heeft verklaard dat de chauffeur van de bus direct nadat die in de deuropening van de bus was gaan staan, de verdachte een duw heeft gegeven en aldus het eerste fysieke contact heeft gemaakt. Hij heeft de verdachte geen kopstoot zien geven en de stelling dat het eerste geweld van de verdachte zou zijn uitgegaan acht hij absoluut niet juist.

Ook de vriendin van de verdachte heeft als getuige, zowel bij de politie als bij de raadsheer-commissaris, een verklaring afgelegd. Zij heeft verklaard dat de duw van de chauffeur het eerste geweld vormde en dat de chauffeur haar bij de nek heeft gepakt, waarna de verdachte haar heeft ontzet door te trachten de aangever van haar af te trekken en hem vervolgens een klap te geven.

Mishandeling is het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat (HR 5 juli 2011, NJ 2011/466).

Op basis van de voormelde verklaringen moet ervan worden uitgegaan dat de aangever als eerste geweld heeft gebruikt door de verdachte een duw te geven. De verklaring van de verdachte, dat hij vervolgens de aangever twee klappen heeft moeten geven om het geweld van de aangever tegen die vriendin te beëindigen, wordt ondersteund door de verklaring van die vriendin. Het hof ziet geen reden om aan deze beide verklaringen te twijfelen, mede gezien in het licht van de verklaringen van de getuige [getuige 2]. De aangever stelt dat de verdachte hem een kopstoot heeft gegeven, hetgeen de verdachte ontkent. De verklaringen van de getuigen hierover zijn wisselend in die zin dat twee getuigen verklaren dat de verdachte een kopstoot zou hebben gegeven terwijl andere getuigen verklaren dat het geweld bestond uit slaan in het gezicht. Daardoor is niet buiten redelijke twijfel dat de verdachte ander geweld heeft gebruikt dan het door hem erkende geven van klappen. Het geven van klappen kan in de door de verdachte geschetste omstandigheden niet als disproportioneel worden aangemerkt. Uit het voorgaande leidt het hof af dat niet is komen vast te staan dat de verdachte het letsel heeft toegebracht zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestond.

De verdachte moet daarom van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 216,48. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. P.C. Römer en mr. J.L. Bruinsma, in tegenwoordigheid van

mr. M. Helmers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

22 december 2014.

Mrs. Van Rijn, Römer en Helmers zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]