Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5958

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
05-03-2015
Zaaknummer
200.143.735/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:12919, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Benoeming bijzonder curator tbv het instellen van hoger beroep door minderjarige tegen uithuisplaatsing; indicatiebesluit kan niet worden getoetst; afwijzing subsidiair verzoek tot kortere duur uithuisplaatsing.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 250, geldigheid: 2015-03-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2015/35.14

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 1 juli 2014

Zaaknummer: 200.143.735/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/14/150344 / OT RK 13/1468

in de zaak in hoger beroep van:

mr. A.W.T Klappe,

advocaat te Utrecht,

voor […],

verblijvende te […],

tegen

William Schrikker Stichting, optredend namens Bureau Jeugdzorg Noord-Holland,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Geïntimeerde wordt hierna de WSS genoemd.

1.2.

Mr. Klappe is op 17 maart 2014 namens [de minderjarige] in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 18 december 2013 van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland (Alkmaar) (hierna ook: de kinderrechter), met kenmerk C/14/150344 / OT RK 13/1468 en heeft daarbij namens [de minderjarige] verzocht haar te benoemen tot zijn bijzondere curator zodat zij als minderjarige hoger beroep kan instellen tegen voornoemde beschikking.

1.3.

De WSS heeft op 1 mei 2014 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de Raad) heeft op 24 april 2014 nadere stukken ingediend.

1.5.

Het hoger beroep is op 8 mei 2014, tegelijkertijd met het verzoek van [de minderjarige] tot benoeming van mr. Klappe als bijzondere curator, ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

-mr. Klappe ;

-de hierna te noemen moeder;

-mevrouw […], vertegenwoordiger van de Raad;

-de heer […] namens de WSS.

1.7.

Voorafgaand aan de zitting is [de minderjarige] afzonderlijk door de voorzitter gehoord.

1.8.

De hierna te noemen vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

Uit de relatie van [x] (hierna ook: de vader) en [y] (hierna ook: de moeder) is [in] 1998 [de minderjarige] geboren.

2.2.

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland van 23 januari 2013 is [de minderjarige] voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld. Laatstelijk is de ondertoezichtstelling bij de bestreden beschikking verlengd tot 23 januari 2015.

2.3.

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland van 17 september 2013 is een (spoed) machtiging tot uithuisplaatsing met ingang van die datum verleend. Bij beschikking van 26 september 2013 van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland is de machtiging tot uithuisplaatsing in een AWBZ-instelling verlengd tot 3 januari 2014. [de minderjarige] verblijft sinds zijn uithuisplaatsing in [instelling] (thans genaamd: [I]) te [A].

2.4.

Het indicatiebesluit, op 20 september 2013 afgegeven door het CIZ, is geldig tot 17 september 2016.

2.5.

[de minderjarige] is gedurende zijn verblijf in [instelling] meermalen op verlof naar [grootmoeder] (zijn oma moederszijde) en haar partner, [grootvader] (hierna samen om doelmatigheidsredenen ook "de grootouders" genoemd) geweest.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans aan de orde, het verzoek van de WSS,

de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een AWBZ-voorziening te verlengen tot 23 januari 2015, toegewezen.

3.2.

Mr. Klappe verzoekt in het appelschrift het inleidend verzoek van BJZ af te wijzen, tenminste het indicatiebesluit tot plaatsing in een AWBZ-voorziening te vernietigen en Bureau Jeugdzorg, dan wel de WSS, te verzoeken een nieuw indicatiebesluit af te geven voor plaatsing in een pleeggezin. Ter zitting heeft zij haar verzoek aangepast, in die zin dat zij thans primair verzoekt de WSS op te dragen het indicatiebesluit te wijzigen zodat aanspraak bestaat op een plaatsing bij de grootouders en subsidiair de machtiging voor een kortere duur te verlengen dan verzocht waarbij de WSS wordt opgedragen onderzoek te doen naar een mogelijke plaatsing van [de minderjarige] bij de grootouders.

3.3.

De WSS verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

4.1.

De bestreden beschikking ziet op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een AWBZ-voorziening. [de minderjarige] is, omdat hij minderjarig is, procesrechtelijk niet bekwaam om zonder wettelijk vertegenwoordiger of bijzondere curator als bedoeld in artikel 1:250 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in rechte op te treden. Het hoger beroep tegen deze beschikking dient dan ook door een wettelijk vertegenwoordiger, te weten in dit geval in beginsel de gezagdragende vader of moeder, te worden ingesteld. Gebleken is dat [de minderjarige] met zijn vader geen contact meer heeft. Deze is zowel in eerste aanleg als thans in hoger beroep opgeroepen om ter zitting te verschijnen, maar heeft dat nagelaten. Wel heeft hij eerder in de procedure verklaard dat hij het eens is met de uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een instelling en dat hij zich verzet tegen een netwerkplaatsing. De moeder heeft verklaard dat zij het eens is met de plaatsing van [de minderjarige] in de instelling in [A] en derhalve geen hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank heeft ingesteld.

4.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:250 BW kan, wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of een van hen in strijd zijn met die van de minderjarige, de rechter, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, op verzoek van de belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemen om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. Het hof is van oordeel dat in deze zaak sprake is van een dergelijk belangenconflict. [de minderjarige] verzet zich immers tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een instelling, terwijl zijn moeder heeft verklaard daarmee in te stemmen en van zijn vader ook niet is gebleken dat hij [de minderjarige] in zijn wens ondersteunt. Nu er evenmin gebleken is van bezwaren tegen de benoeming van mr. Klappe, zal het hof haar als bijzondere curator over [de minderjarige] benoemen, waardoor het hoger beroep namens [de minderjarige] tegen de beschikking van 18 december 2013 ontvankelijk is en zij gerechtigd is hem te vertegenwoordigen in de onderhavige hoger beroepsprocedure. Mr. Klappe wordt hierna ook wel de bijzondere curator genoemd.

5 Beoordeling van het hoger beroep

5.1.

Het hof begrijpt het thans gewijzigde primaire verzoek van de bijzondere curator aldus dat zij bezwaren heeft tegen het indicatiebesluit op zich, voor zover daarbij aanspraak is verleend op zorg in een AWBZ-instelling. Het indicatiebesluit zal volgens haar moeten worden gewijzigd zodat aanspraak kan worden gemaakt op plaatsing in een netwerkgezin, in dit geval het gezin van de grootouders.

Uit het dossier blijkt echter dat het indicatiebesluit is genomen door het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ). De bevoegdheid van de kinderrechter (en in hoger beroep de bevoegdheid van het hof) tot het toetsen van een indicatiebesluit is beperkt tot de in artikel 5 lid 5 Wet op de jeugdzorg bedoelde gevallen. Indicatiebesluiten, genomen door een andere instantie dan Bureau Jeugdzorg, in dit geval het CIZ, vallen niet onder deze bevoegdheid. Tegen die besluiten staat bestuursrechtelijke rechtsbescherming open. De bijzondere curator zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar primaire verzoek.

5.2.

Subsidiair verzoekt de bijzondere curator de machtiging voor kortere duur te verlengen en de WSS opdracht te geven onderzoek te doen naar een mogelijke plaatsing bij de grootouders.

De bijzondere curator stelt dat [de minderjarige] graag bij de grootouders wil worden geplaatst. In het verleden is hij daar op verlof geweest en hij mist -vooral- zijn oma erg. Hij begrijpt niet

waarom hij daar niet meer naar toe op verlof mag. In de instelling kan hij zich moeilijk hechten. Daarnaast betwist zij het standpunt van de WSS dat het bij de grootouders, gezien de justitiële contacten en een incident dat zich daar enige tijd geleden heeft voorgedaan, voor [de minderjarige] te onveilig is om te verblijven. [grootvader] heeft met de vorige gezinsvoogd een plan gemaakt waardoor [de minderjarige] bij de grootouders zou kunnen verblijven. In het verleden is aangegeven dat de behandeling van [de minderjarige] niet per definitie in een instelling dient plaats te vinden, maar dat deze ook ambulant kan worden uitgevoerd, aldus de bijzondere curator.

5.3.

De WSS stelt zich op het standpunt dat de situatie nu verschilt met die van een half jaar geleden, toen de toenmalige gezinsvoogd het plan met [grootvader] heeft opgesteld. Dat plan voldoet niet aan de vereisten van een goed behandeltraject voor [de minderjarige]. Thans is bekend dat er justitiële contacten zijn (geweest), onder andere met [grootvader] (wegens vermogensdelicten) en heeft er een incident bij de grootouders thuis plaatsgevonden waarbij geweld is gebruikt terwijl [de minderjarige] aanwezig was. Een plaatsing bij de grootouders is, mede gelet op het voorgaande, niet veilig en reeds daarom pedagogisch onverantwoord. [de minderjarige] heeft daarnaast 24 uur per dag toezicht nodig, hij is een zelfbepalende jongen die moeilijk binnen de lijnen te houden is. Ambulante hulp in een thuissituatie is daarom (op dit moment) geen optie, aldus de WSS.

5.4.

De Raad adviseert de bestreden beschikking te bekrachtigen. [de minderjarige] heeft -gelet op zijn langdurige gedragsproblemen en de complexiteit daarvan- rust, duidelijkheid en structuur nodig. In het verleden is geprobeerd ambulante hulpverlening via Lijn 5 in te zetten maar [de minderjarige] was daar niet voor gemotiveerd. De Raad beaamt de onveilige situatie bij de grootouders en stelt dat het in hebt belang van [de minderjarige] is dat hij in [instelling] verblijft. Het zou het mooiste zijn indien [de minderjarige] dan op weekendverlof naar zijn moeder kan, aldus de Raad.

5.5.

De moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij het, gelet op de gedragsproblemen en de benodigde hulpverlening, in het belang van [de minderjarige] acht dat hij thans in [instelling] verblijft, waar hij de best mogelijke hulp krijgt.

5.6.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken van het dossier, waaronder het raadsrapport van 13 februari 2014, het plan van aanpak van 28 februari 2013, de evaluatie van het plan van aanpak van 11 oktober 2013 en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken.

[de minderjarige] is gediagnosticeerd met een reactieve hechtingsstoornis, voortkomend uit een jarenlange instabiele opvoedingssituatie. Zijn cognitieve capaciteiten liggen globaal op moeilijk lerend niveau. De gedragsstoornis van [de minderjarige] wordt als zeer ernstig beoordeeld, waarbij sprake is van een zich herhalend en aanhoudend gedragspatroon, met mogelijke schade bij anderen tot gevolg. De verstandelijke beperking van [de minderjarige] maakt dat hij impulsief is en gemakkelijk beïnvloedbaar. Daarnaast kan hij moeilijk overzien wat de consequenties van zijn gedrag zijn. Uit een eerder onderzoek uit 2011 komt naar voren dat [de minderjarige] kenmerken vertoont van ADHD en ASS.

Hij is in de zomer en het najaar van 2012 meerdere keren in aanraking gekomen met de politie. Het gaat overwegend om diefstallen, maar ook om een geweldsdelict. Ter zitting van de strafrechter van 24 mei 2013 is [de minderjarige] veroordeeld tot een werkstraf van 90 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk en oplegging van de maatregel Hulp en Steun. Op 29 augustus 2013 is [de minderjarige] weer aangehouden wegens het plegen van een strafbaar feit (openlijke geweldpleging). Op 12 november 2013 is hij veroordeeld tot een werkstraf wegens bedreiging met een mes.

Op 17 september 2013 is een (spoed) machtiging tot uithuisplaatsing verleend. [de minderjarige] is vervolgens in [instelling] geplaatst en op weekendverlof naar de grootouders gegaan. Op 14 november 2013

wordt echter een melding gedaan dat zich aldaar een incident heeft voorgedaan, waarbij de oma zou zijn geslagen door een gedetineerde die op verlof is. [de minderjarige] was daarbij aanwezig. Uit de politiemelding komt naar voren dat [de minderjarige] zelf aangeeft dat er vanuit het huisadres van oma prostitutie wordt bedreven. Daarnaast geeft de politie aan dat er sprake zou zijn van alcoholmisbruik en huiselijk geweld. Daarop besluit de WSS dat [de minderjarige] de weekendverloven niet meer bij de grootouders mag doorbrengen. Ter zitting in hoger beroep heeft de gezinsvoogd verklaard dat er tussen de melding en het daadwerkelijk stopzetten van het verlof aldaar enige tijd is verstreken wegens de wisseling van de gezinsvoogd en de onbekendheid van de melding bij de huidige voogd. Uit de stukken blijkt dat [de minderjarige], sinds er voor hem duidelijkheid is en hij niet meer op verlof naar de grootouders gaat, zich meer open en toegankelijk naar de groepsleiding van [instelling] opstelt. Hij toont meer interesse, zoekt de samenwerking op en houdt zich aan de regels.

Uit de stukken blijkt voorts dat [de minderjarige] voor zijn welbevinden en functioneren zeer afhankelijk is van zijn leefomgeving, de structuur en de leefregels. Gebleken is dat [de minderjarige] baat heeft bij de structuur en de duidelijkheid die hem in [instelling] worden geboden en dat hij daar ook van leert. Met de WSS is het hof dan ook van oordeel dat [de minderjarige], gelet op de bij hem geconstateerde problematiek, gebaat is bij de veilige, pedagogisch verantwoorde en gestructureerde omgeving die [instelling] hem biedt. Zoals de WSS ter zitting heeft verklaard, maakt het wonen en functioneren binnen de groep aldaar deel uit van de voor [de minderjarige] benodigde behandeling. Deze structuur kan [de minderjarige] niet buiten deze setting worden geboden, zodat reeds daarom een onderzoek naar de mogelijkheden van plaatsing bij de grootouders niet aan de orde is. Het hof is dan ook van oordeel dat de gronden voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een AWBZ-voorziening voor de duur van een jaar ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en ook thans nog aanwezig zijn, zodat de beschikking in zoverre zal worden bekrachtigd.

5.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

benoemt mr. A.T.W. Klappe, advocaat te Utrecht, tot bijzondere curator over [de minderjarige];

verklaart de bijzondere curator niet-ontvankelijk in haar primaire verzoek;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Kleene-Eijk, mr. M.F.G.H. Beckers en mr. M. Perfors in tegenwoordigheid van mr. S. Rezel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2014.