Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5940

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
26-03-2015
Zaaknummer
200.149.471/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie volgens nieuwe richtlijnen, behoefte, draagkracht.

Wetsverwijzingen
Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, 's-Gravenhage, 23-11-2007 3
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 11 november 2014

Zaaknummer: 200.149.471/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/199312 / FA RK 13-120

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. D.E.M. Boukens te Enkhuizen,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. K. Walburg te Purmerend.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 16 mei 2014 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 19 februari 2014 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/199312 / FA RK 13-120.

1.3.

De man heeft op 28 mei 2014, 27 augustus 2014, 3 september 2014 en 8 september 2014 nadere stukken ingediend.

1.4.

De vrouw heeft op 4 juli 2014 een verweerschrift ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 1 september 2014 en 4 september 2014 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 15 september 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 2007 gehuwd. Hun huwelijk is op 30 juni 2014 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 19 februari 2014 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is [de minderjarige] geboren [in] 2007.

2.2.

In het ouderschapsplan is opgenomen dat [de minderjarige] in het kader van een omgangsregeling eenmaal per veertien dagen van vrijdag 15.30 uur tot zondag 18.00 uur bij de man zal verblijven. Blijkens de bijlage bij dat plan worden vakanties en feestdagen bij helfte verdeeld.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1972. Hij is alleenstaand.

Hij is werkzaam in loondienst. Blijkens de jaaropgaaf bedroeg zijn fiscaal loon in 2013 € 47.193,-.

2.4.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1978. Zij vormt samen met [de minderjarige] een eenoudergezin.

Zij ontvangt een kindgebonden budget van € 84,- per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zal betalen van € 348,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, naar het hof begrijpt, het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] af te wijzen, dan wel een zodanige bijdrage met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand vast te stellen als het hof juist zal achten.

3.3.

De vrouw verzoekt het door de man verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Op 1 april 2013 is de nieuwe richtlijn voor de berekening van kinderalimentatie van de Werkgroep Alimentatienormen in werking getreden. De aanbevelingen die per die datum in werking zijn getreden, zullen in navolging van het debat van partijen in de onderhavige zaak worden toegepast.

4.2.

In het ouderschapsplan is vermeld dat de kosten van [de minderjarige] conform de gangbare tabellen worden begroot op € 475,- per maand. De man heeft de hoogte van die kosten niet ter discussie gesteld, doch betoogd dat bij de beoordeling van zijn aandeel in die kosten rekening dient te worden gehouden met het kindgebonden budget dat de vrouw thans ontvangt. Het hof volgt de man daarin. Het kindgebonden budget dat de vrouw ontvangt is immers bedoeld als tegemoetkoming in de kosten van [de minderjarige]. Voor zover de vrouw heeft betoogd dat bij de vaststelling van de kosten in het ouderschapsplan reeds met het kindgebonden budget rekening is gehouden, is dat betoog bij gebrek aan onderbouwing niet aannemelijk geworden.

Na aftrek van het kindgebonden budget van € 84,- per maand bedragen de resterende kosten van [de minderjarige] € 391,- per maand.

4.3.

De rechtbank heeft de ingangsdatum bepaald op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Die datum, 30 juni 2014, is in hoger beroep niet ter discussie gesteld, zodat het hof daarvan zal uitgaan. Evenmin is in geschil dat de draagkracht van de vrouw € 108,- per maand bedraagt.

Partijen zijn verdeeld over de draagkracht van de man.

4.4.

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen (NBI) tot uitgangspunt nemen. Dit inkomen wordt vastgesteld door de som te nemen van het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn.

Gelet op de hiervoor genoemde ingangsdatum zal het hof, in navolging van de man, bij de bepaling van het NBI van de man uitgaan van diens fiscaal loon in 2013. Dat, zoals de vrouw stelt, de man in eerste aanleg zelf is uitgegaan van het fiscaal loon in 2012, maakt dat niet anders.

Het voorgaande leidt ertoe dat met een NBI van € 2.657,- per maand rekening zal worden gehouden. De draagkracht zal worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 860,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.500,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man op het besteedbaar inkomen 30% in mindering zal worden gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening zal worden gehouden met een bedrag van € 860,- aan overige lasten en dat zal worden uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70.

4.5.

De man heeft in hoger beroep lasten opgevoerd in verband met schulden en kosten woon-werkverkeer en daarbij een beroep gedaan op de aanvaardbaarheidstoets.

Volgens de huidige richtlijnen geldt dat indien niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, zoals bijvoorbeeld betalingen in verband met de restschuld voor de voormalig echtelijke woning of andere (huwelijkse) schulden, daarmee rekening kan worden gehouden door het draagkrachtloos inkomen (0,3 NBI + € 860,-) met die lasten te verhogen. Indien sprake is van extra lasten die niet op de voet van het voorgaande in aanmerking zijn genomen, kan aanleiding bestaan voor toepassing van de aanvaardbaarheidstoets. Het hof zal de opgevoerde lasten aan de hand van die richtlijnen beoordelen.

4.6.

De man heeft betoogd dat, naast de aflossing op schulden aan Interbank en de Belastingdienst die de rechtbank in aanmerking heeft genomen, rekening dient te worden gehouden met aflossingen op schulden aan Univé, de gemeente Edam-Volendam, Nuon, Ziggo en Allsecur, alsmede met kosten woon/werkverkeer van (blijkens het verhandelde ter zitting) € 190,- per maand. Verder heeft hij aangevoerd dat de schuld aan Interbank na de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zal worden gesplitst en dat hij een persoonlijke lening zal moeten afsluiten in verband waarmee de rente en aflossing zullen stijgen.

De vrouw heeft betoogd dat de lasten, naar het hof begrijpt behoudens de schuld aan Interbank, buiten beschouwing dienen te blijven.

4.7.

Het hof houdt rekening met de aflossingsverplichting op de schulden aan Interbank en de Belastingdienst. Dat die schulden nog in de verdeling dienen te worden betrokken, maakt dat niet anders. De schulden zijn tijdens het huwelijk ontstaan en de aflossingsverplichting is genoegzaam komen vast te staan. Het hof ziet geen aanleiding met een hogere aflossing aan Interbank rekening te houden dan met het bedrag van € 318,- per maand dat uit de stukken volgt (productie IV nadere stukken 3 september 2014). Op dit moment bestaat geen zicht op de wijze waarop de schuld aan Interbank in de verdeling van de huwelijksgoederen-gemeenschap zal worden betrokken, zodat met de gevolgen van die verdeling thans nog geen rekening kan worden gehouden. Ten aanzien van de schuld aan de Belastingdienst houdt het hof rekening met de opgevoerde aflossing van € 300,- per maand.

Vaststaat dat de schuld aan Nuon eveneens uit het huwelijk stamt, zodat reeds om die reden aanleiding bestaat de opgevoerde aflossing van € 68,- per maand op die schuld in aanmerking te nemen. Dat, zoals de vrouw aanvoert, de schuld nog in de verdeling dient te worden betrokken, doet niet af aan de bestaande aflossingsverplichting en maakt het voorgaande niet anders. Blijkens de stukken dient de laatste aflossing plaats te hebben gevonden op 29 september 2014, zodat het hof tot 1 oktober 2014 met de schuld rekening zal houden.

Ten aanzien van de nahuwelijkse schuld aan Univé is op grond van het verhandelde ter zitting aannemelijk geworden dat het ontstaan daarvan valt toe te schrijven aan betalingsonmacht van de man, zodat niet gezegd kan worden dat het ontstaan aan de man is te wijten. Gelet daarop zal het hof ook met de aflossing van € 99,- per maand op die schuld rekening houden, zij het tot 1 oktober 2014, nu uit de stukken is gebleken dat de laatste aflossing op 27 september 2014 dient te hebben plaatsgevonden.

Het hof houdt eveneens rekening met kosten woon-werkverkeer. De noodzaak van de man tot het gebruik van een auto in het kader van zijn dienstbetrekking is, mede gelet op zijn onregelmatige diensten, genoegzaam aannemelijk geworden. Gelet op de reisafstand van de woning van de man tot zijn werk (en uitgaande van het wettelijke minimum van 20 vakantiedagen per jaar) en in redelijkheid in aanmerking te nemen reiskosten van € 0,125 per kilometer, alsmede de tegemoetkoming van € 130,- per maand die de man van zijn werkgever ontvangt, zal het hof rekening houden met een bedrag van € 85,- per maand.

Geen rekening wordt gehouden met de opgevoerde aflossing op vorderingen van de gemeente Edam-Volendam terzake gemeentelijke belastingen en van Ziggo. Deze (lopende) lasten worden geacht te zijn verdisconteerd in het hiervoor genoemde draagkrachtloos inkomen. Het hof houdt evenmin rekening met de vordering van Allsecur, nu de man ter onderbouwing van die vordering een brief van 24 april 2014 heeft ingediend, waarin is vermeld dat de premie binnen 5 dagen van de rekening van de man zal worden geschreven en de man in het licht daarvan niet heeft onderbouwd dat de vordering ten tijde van de ontbinding van het huwelijk nog bestond.

4.8.

Het hof zal het draagkrachtloos inkomen van de man (0,3 NBI + € 860,-) met de hiervoor genoemde lasten terzake Interbank (€ 318,-), de Belastingdienst (€ 300,-), Nuon (€ 68,-), Univé (€ 99,-) en woon-/werkverkeer (€ 85,-) verhogen. Aan de aanvaardbaarheidstoets komt het hof niet toe.

Dat draagkrachtloos inkomen zal op het NBI in mindering worden gebracht en van de daaruit volgende draagkracht zal 70% in aanmerking worden genomen. Dit leidt ertoe dat de beschikbare draagkracht van de man in de periode tot 1 oktober 2014 € 91,- per maand bedraagt en in de periode na 1 oktober 2014 € 243,- per maand (inclusief € 35,- aan fiscaal voordeel). Nu de draagkracht van partijen de behoefte van [de minderjarige] niet overstijgt, kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven.

4.9.

In het ouderschapsplan zijn partijen een omgangsregeling overeengekomen, inhoudende dat [de minderjarige] eenmaal per veertien dagen van vrijdag 15.30 uur tot zondag 18.00 uur bij de man verblijft, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen. Ter zitting heeft de vrouw desgevraagd verklaard dat het omgangsweekend in onderling overleg incidenteel wordt verlengd tot maandag, dat [de minderjarige] daarnaast in onderling overleg incidenteel op woensdag bij de man verblijft en dat het verblijf op woensdag gemiddeld een dag per maand plaatsvindt. De man heeft die verklaring op zichzelf niet weersproken, doch betoogd dat [de minderjarige] op basis van zijn werkrooster vaker bij hem zou kunnen verblijven, dat hij in dat verband ook voorstellen aan de vrouw doet, doch dat de vrouw die voorstellen in de meeste gevallen (en kort van tevoren) afwijst.

Het hof zal uitgaan van de overeengekomen omgangsregeling en de feitelijke uitbreiding van gemiddeld een dag per maand en incidenteel de maandag, en op basis daarvan rekening houden met een zorgkorting van 25%. Dat [de minderjarige] volgens het werkrooster van de man vaker bij de man zou kunnen verblijven, leidt niet tot een ander oordeel, nu, blijkens het ouderschapsplan, het aan de vrouw is hierover een besluit te nemen.

De zorgkorting bedraagt op grond daarvan € 98,- per maand. Nu de man en de vrouw niet volledig kunnen voorzien in de onder 4.2 vermelde resterende kosten van [de minderjarige] van € 391,- per maand zal het tekort aan draagkracht gelijkelijk worden verdeeld over de man en de vrouw en zal het deel dat aan de man wordt toegerekend in mindering worden gebracht op de zorgkorting. Dit leidt ertoe dat in de periode tot 1 oktober 2014 rekening wordt gehouden met een zorgkorting van € 2,- en dat in de periode na 1 oktober 2014 een bedrag van € 78,- in mindering zal worden gebracht op de onder 4.8 genoemde beschikbare draagkracht van de man.

4.10.

Op grond van het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van € 89,- per maand met ingang van 30 juni 2014 en van € 165,- per maand met ingang van 1 oktober 2014 in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

4.11.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man bij vooruitbetaling te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang van 30 juni 2014 op € 89,- (NEGENENTACHTIG EURO) per maand en met ingang van 1 oktober 2014 op € 165,- (HONDERD VIJFENZESTIG EURO) per maand;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. van Haeringen, A.N. van de Beek en J.W. Brunt in tegenwoordigheid van mr. B.J. Voerman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2014.