Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5919

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
07-11-2016
Zaaknummer
23-004161-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2457, Overig
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belaging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-004161-13

datum uitspraak: 18 november 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-420276-06 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,

adres: [adres 1]

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3-A is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het hof zal het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaren in de vervolging van de verdachte voor zover het in feit 3-B ten laste gelegde ziet op de periode van 1 mei 2002 tot en met 18 november 2002.

Aan de verdachte is onder 3-B ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belaging in de periode van 1 mei 2002 tot en met 1 februari 2006. Voor belaging, artikel 285b Wetboek van Strafrecht (Sr), kan een straf worden opgelegd van ten hoogste drie jaren. Dientengevolge geldt een verjaringstermijn van zes jaren (artikel 70, eerste lid, 2°, Sr). Deze verjaring wordt gestuit door een daad van vervolging. Na stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan, uiterlijk tot een periode van - in dit geval - twaalf jaren zijn verstreken (artikel 72, tweede lid, Sr).

Het hof stelt vast dat de verjaring in deze zaak (meermalen) is gestuit, zodat voor dit feit de maximale termijn van twaalf jaren als uitgangspunt voor de verjaring heeft te gelden. Voor een deel van het onder 3-B ten laste gelegde geldt thans dat meer dan twaalf jaren zijn verstreken, te weten voor de periode van 1 mei 2002 tot en met 18 november 2002. Het recht van het openbaar ministerie op strafvordering is derhalve in zoverre vervallen door verjaring.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 november 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 17 februari 2006 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met zijn hand een snijdende beweging gemaakt langs zijn hals/nek en/of (daarbij) voornoemde [slachtoffer 1] dreigend een of meermalen de woorden toegevoegd : "Je kop gaat eraf", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2. hij in of omstreeks de periode van 9 december 2005 tot en met 17 februari 2006 te Amsterdam (vestigingsplaats [bedrijfsnaam 1], redactie [slachtoffer 2]) en/of te Aalsmeer (vestiging van [bedrijfsnaam 2] Nederland, werkgever van [slachtoffer 3]) en/of te Leeuwarden, althans in Nederland, [slachtoffer 3] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met wederrechtelijke vrijheidsberoving, althans een misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen in gevaar wordt gebracht en/of met gijzeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (telkens) een of meer (e-mail)berichten aan die [slachtoffer 3] gestuurd naar/aan het e-mailadres van die [slachtoffer 3] ([E-Mail adres 1] met (onder meer) daarin vermeld:

- ( op 16 februari 2006, p. 27-29 proces-verbaal) "Alles de pleuris mag krijgen, als ik [naam] (de zoon van die [slachtoffer 3]) maar heb" en/of

- ( op 16 december 2005, p. 32-34 proces-verbaal) "Het liefste pakte ik jullie. Sleepte jullie naar de auto. Hup ma en jij er in. Snel [naam] bij me, en van achter de achterbank, Rijden maar!",

althans (telkens) woorden van dergelijke aard en/of strekking;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 9 december 2005 tot en met 17 februari 2006 te Amsterdam (vestigingsplaats [bedrijfsnaam 1], redactie [slachtoffer 2]) en/of te Aalsmeer (vestigingsplaats van [bedrijfsnaam 2] Nederland) en/of te Alkmaar (vestigingsplaats [bedrijfsnaam 3] van de website [E-mail adres]) en/of te Leeuwarden, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 3], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 3], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte

A) op de website van het televisieprogramma "Hart in actie" ([E-Mail adres 2]) meerdere (e-mail) berichten gericht aan die [slachtoffer 3] achtergelaten, althans meerdere (e-mail)berichten verzonden aan het mailadres [E-Mail adres 1] te weten op de navolgende data en met de inhoud zoals opgenomen in de hieronder genoemde pagina('s) van het proces-verbaal:

- op 9 december 2005 (p. 30-31 proces-verbaal) en/of

- op 16 december 2005 (p. 32-34 proces-verbaal) en/of

- op 9 januari 2006 (p. 23-25 proces-verbaal) en/of

- op 21 januari 2006 (p. 26 van het proces-verbaal) en/of

- op 9 februari 2006 (p. 21 van het proces-verbaal) en/of

- op 16 februari 2006 (p. 27-29 van het proces-verbaal) en/of

- op 17 februari 2006 (p. 20 van het proces-verbaal) en/of

B) in het gastenboek van de persoonlijke website van die [slachtoffer 3] ([E-mail adres]) (telkens) een of meerdere (e-mail) bericht(en) gericht aan die [slachtoffer 3], achtergelaten, te weten op de navolgende data met in houd als opgenomen in de genoemde pagina('s) van het proces-verbaal:

- op 2 januari 2006 meerdere (te weten zes) (e-mail)berichten (p. 45-46 van het proces-verbaal) en/of

- op 4 januari 2006 meerdere (te weten veertig) (e-mail)berichten (p. 39-45 van het proces-verbaal);

3-B. hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2002 tot en met 1 februari 2006 te Leeuwarden, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 4], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 4], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte,

- ( in voornoemde periode) een of meer poststukken/brieven verstuurd naar het adres en geadresseerd aan die [slachtoffer 4] en/of

- ( in voornoemde periode, althans in de periode van februari 2003 tot en met 31 september 2005) een of meer poststukken/brieven verstuurd naar het adres van die [slachtoffer 4] en geadresseerd aan de vader van die [slachtoffer 4], te weten [slachtoffer 5] en/of

- in de periode juni 2005 en/of juli 2005 een of meer dagen voor het werk (gelegen aan de [adres 2] te Leeuwarden) van die [slachtoffer 4] langsgelopen, terwijl die [slachtoffer 4] daar aan het werk was en/of

- ( in eerstgenoemde periode) een of meer poststukken/brieven op het werk van die [slachtoffer 4] afgeleverd, welke poststukken/brieven geadresseerd waren aan die [slachtoffer 4] en/of aan een of meer collega's en/of de werkgever van die [slachtoffer 4] en/of

- ( in eerstgenoemde periode) rond het werk van die [slachtoffer 4] rondgelopen en/of naar binnen gegluurd en/of rondgehangen en/of rondgefietst en/of

- ( in eerstgenoemde periode) op en/of rond het werk van die [slachtoffer 4] een collega van die [slachtoffer 4] aangesproken en/of tegen die collega gezegd dat hij, verdachte, in gevecht met die [slachtoffer 4] was en/of

- in de periode juni 2005 en/of juli 2005 op en/of rond het werk van die [slachtoffer 4] met zijn hoofd tegen een raam gebonkt;

4. hij op of omstreeks 08 november 2005 te Leeuwarden opzettelijk mishandelend [slachtoffer 6] met een elleboog en/of een vuist in de maag en/of zij heeft gestoten en/of gestompt en/of geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 6] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5. hij op of omstreeks 16 januari 2006 te Leeuwarden, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 7] dreigend de woorden toegevoegd :"Nou goed mevrouw [slachtoffer 7], ik weet u te vinden, ik kan u meedelen dat u dit jaar onthoofd zal worden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 28 januari 2006 tot en met 1 februari 2006 te Leeuwarden [slachtoffer 7] en/of een of meer collega's/medewerkers van die [slachtoffer 7] -schriftelijk- heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een brief naar het werkadres van die [slachtoffer 7] gestuurd en geadresseerd aan

die [slachtoffer 7] met daarin de volgende - bedreigende- teksten:

- " Bij deze sommeer ik jou om al mijn betaalde belastinggelden direct terug te storten op mijn bankrek, dit op straffe des doods" en/of

- " Dit is een voorbode op wat gaat komen" en/of

- " Daar blanken alleen luisteren en voelen wanneer hun direct iets aangaat, ben jij symbool voor al jou medewerkers op jou kantoor. aansluitend hierop zullen alle medewerkers hun bezit en rijkdom kwijtraken" en/of

- " Daar ik een systeemdenker ben zal mijn straffende hand ook jullie kinderen en ouders betreffen" en/of

- " Er komt een dag dat jij zal smeken om te mogen blijven leven. Ik zal u dan niet horen", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

6. hij op of omstreeks 13 februari 2006 te Leeuwarden [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of een of meer andere medewerkers van politieregio Midden Fryslan -schriftelijk- heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een pakket met geprinte e-mailberichten afgeleverd bij Bureau Gardeniersweg te Leeuwarden, terwijl op een van deze geprinte e-mailberichten de navolgende -bedreigende- handgeschreven tekst(en) stond(en):

- " Aan Allah is de overwinning" en/of `

- " Onthoofding 2 politieambtenaren [slachtoffer 10] Van [slachtoffer 8]" en/of

- " Publieke vernedering" en/of

- " Nog 6 agenten uit L'warden" en/of

- " Jullie corupte tijdperk is bijna teneinde",

althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een gedeeltelijk andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2, eerste deel, is ten laste gelegd.

De verdachte wordt verweten dat hij aangeefster heeft bedreigd door in zijn aan haar verzonden

e-mailberichten onder meer te schrijven “Alles de pleuris mag krijgen, als ik [naam] maar heb" en "Het liefste pakte ik jullie. Sleepte jullie naar de auto. Hup ma en jij er in. Snel [naam] bij me, en van achter de achterbank, Rijden maar!".

Naar het oordeel van het hof zijn deze teksten noch op zichzelf beschouwd, noch in hun context in objectieve zin als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven aan te merken. Gelet op de context van alle aan aangeefster verzonden e-mails, waarvan beide teksten onderdeel uitmaken, geldt dit eveneens ten aanzien van bedreiging met wederrechtelijke vrijheidsberoving. De omstandigheid dat aangeefster zich door deze e-mailberichten wel bedreigd heeft gevoeld, leidt niet tot een andere conclusie. De verdachte wordt daarom van het eerste deel van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 (tweede deel/belaging),

3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op 17 februari 2006 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met zijn hand een snijdende beweging gemaakt langs zijn hals en daarbij voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd : "Je kop gaat eraf";

2. hij in de periode van 9 december 2005 tot en met 17 februari 2006 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 3] met het oogmerk om die [slachtoffer 3] te dwingen iets te dulden, immers heeft hij,

A) op de website van het televisieprogramma "Hart in actie" ([E-Mail adres 2]) e-mailberichten gericht aan die [slachtoffer 3] achtergelaten, te weten op de navolgende data en met de inhoud zoals opgenomen in de hieronder genoemde pagina's van het voorgeleidingsproces-verbaal:

- 9 december 2005 (p. 30-31 proces-verbaal),

- 16 december 2005 (p. 32-34 proces-verbaal),

- 9 januari 2006 (p. 23-25 proces-verbaal),

- 21 januari 2006 (p. 26 van het proces-verbaal),

- 9 februari 2006 (p. 21 van het proces-verbaal),

- 16 februari 2006 (p. 27-29 van het proces-verbaal) en

- 17 februari 2006 (p. 20 van het proces-verbaal)

en

B) in het gastenboek van de persoonlijke website van die [slachtoffer 3] ([E-mail adres]) berichten gericht aan die [slachtoffer 3], achtergelaten, te weten op de navolgende data met inhoud als opgenomen in de genoemde pagina's van het voorgeleidingsproces-verbaal:

- 2 januari 2006 zes berichten (p. 45-46 van het proces-verbaal) en

- 4 januari 2006 veertig berichten (p. 39-45 van het proces-verbaal);

3-B. hij in de periode van 1 mei 2003 tot 1 oktober 2005 te Leeuwarden wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 4] met het oogmerk om die [slachtoffer 4] te dwingen iets te dulden, immers heeft hij,

- in voornoemde periode poststukken/brieven verstuurd naar het adres van en geadresseerd aan die [slachtoffer 4],

- in voornoemde periode poststukken/brieven verstuurd naar het adres van die [slachtoffer 4] en geadresseerd aan de vader van die [slachtoffer 4], te weten [slachtoffer 5],

- in voornoemde periode poststukken/brieven op het werk van die [slachtoffer 4] afgeleverd, welke poststukken/brieven geadresseerd waren aan die [slachtoffer 4] of aan een of meer collega's van die [slachtoffer 4],

- in voornoemde periode rond het werk van die [slachtoffer 4] rondgelopen en/of naar binnen gegluurd en/of rondgehangen,

- in voornoemde periode rond het werk van die [slachtoffer 4] een collega van die [slachtoffer 4] aangesproken en tegen die collega gezegd dat hij, verdachte, in gevecht met die [slachtoffer 4] was en

- in de periode juni 2005 en/of juli 2005 rond het werk van die [slachtoffer 4] met zijn hoofd tegen een raam gebonkt;

4. hij op 8 november 2005 te Leeuwarden opzettelijk mishandelend [slachtoffer 6] met een elleboog

in de maag heeft gestoten, waardoor voornoemde [slachtoffer 6] pijn heeft ondervonden;

5. hij op 16 januari 2006 te Leeuwarden [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het

leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 7] dreigend de woorden toegevoegd: "Nou goed mevrouw [slachtoffer 7], ik weet u te vinden, ik kan u meedelen dat u dit jaar onthoofd zal worden";

en

hij in de periode van 28 januari 2006 tot en met 1 februari 2006 te Leeuwarden [slachtoffer 7] schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een brief naar het werkadres van die [slachtoffer 7] gestuurd en geadresseerd aan die [slachtoffer 7] met daarin de volgende bedreigende teksten:

- " Bij deze sommeer ik jou om al mijn betaalde belastinggelden direct terug te storten op mijn bankrek, dit op straffe des doods",

- " Dit is een voorbode op wat gaat komen",

- " Daar ik een systeemdenker ben zal mijn straffende hand ook jullie kinderen en ouders betreffen" en

- " Er komt een dag dat jij zal smeken om te mogen blijven leven. Ik zal u dan niet horen";

6. hij op 13 februari 2006 te Leeuwarden [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] en andere medewerkers van politieregio Midden Fryslan schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een pakket met geprinte e-mailberichten afgeleverd bij Bureau Gardeniersweg te Leeuwarden, terwijl op een van deze geprinte e-mailberichten de navolgende bedreigende handgeschreven teksten stonden:

- " Onthoofding 2 politieambtenaren [slachtoffer 10] Van [slachtoffer 8]" en

- " Nog 6 agenten uit L'warden".

Hetgeen onder 1, 2, 3-B, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte (ook) van het onder 1, 2 tweede deel, 3-B en 4 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Ad 1

Het hof acht op grond van de aangifte en het proces-verbaal van aanhouding bewezen dat de verdachte met zijn hand een snijdende beweging heeft gemaakt langs zijn hals en dat hij [slachtoffer 1] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Je kop gaat eraf". Deze gedragingen zijn van dien aard en onder zulke omstandigheden gedaan dat deze in het algemeen een redelijke vrees kunnen opwekken. Het is hiervoor rechtens niet vereist dat degene die de bedreigingen toevoegt ook aanstalten maakt dit dreigement meteen uit te voeren.

Ad 2, tweede onderdeel, en 3-B

Aangeefster [slachtoffer 3] heeft op of omstreeks 2 januari 2006 en 4 januari 2006 kennis genomen van een grote hoeveelheid door de verdachte op haar website geplaatste berichten/posts en is op 16 en 17 februari 2006 op de hoogte gesteld van de ontvangst van een grote hoeveelheid aan haar gerichte e-mailberichten die in de daaraan voorafgaande periode door de verdachte via de website van [slachtoffer 2] zijn achtergelaten dan wel verzonden.

Aangeefster [slachtoffer 4] heeft gedurende een periode van twee en een half jaar moeten dulden dat de verdachte haar of haar vader post toestuurde, haar collega’s brieven schreef en bij het kantoor waar zij werkte verscheen.

Anders dan de raadsvrouw oordeelt het hof dat ook in de zaak van aangeefster [slachtoffer 3] sprake is van voldoende intensiteit, duur en frequentie om te spreken van stelselmatigheid. Van belang hierbij is dat [slachtoffer 3] op in ieder geval drie dagen heeft kennis genomen van een grote hoeveelheid aan haar gerichte correspondentie, die gedurende een periode van enkele maanden aan [slachtoffer 2] was verzonden.

Het hof stelt vast dat de gedragingen van de verdachte gericht waren op de persoon van beide aangeefsters, in dier leef- en/of werkomgeving. Gelet op de aard, inhoud en intensiteit van de gedragingen moet de verdachte voorts hebben beseft dat de aangeefsters niet van zijn gedragingen gediend waren, hetgeen hem echter niet ervan heeft weerhouden zijn gedrag te ontplooien. Door het handelen van de verdachte is aldus met het daarvoor vereiste opzet inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van beide aangeefsters.

Ad 4

Het hof acht bewezen dat aangever als gevolg van verdachtes handelen pijn heeft ondervonden; niet is vereist dat hij tevens letsel had.

Het hof verwerpt derhalve de door de raadsvrouw gevoerde verweren.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3-B, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 6 bewezen verklaarde levert op, telkens:

- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 2 en 3-B bewezen verklaarde levert op, telkens:

- belaging.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

- mishandeling.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

en

- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3-B, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1, 2 eerste en tweede deel, 3-B, 4, 5 en 6 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stalking van twee vrouwen. Eerst heeft hij gedurende een aantal jaren zijn ex-vriendin, [slachtoffer 4], voorzien van vele brieven en aan het eind van die periode heeft hij ook via haar werk contact met haar proberen te krijgen. Toen hij een (ex-)collega van hem en [slachtoffer 4] tegenkwam, heeft hij deze een elleboogstoot gegeven. Kort nadat hij was gestopt met het belagen van [slachtoffer 4], begon de verdachte - aanvankelijk mede gericht op het indienen van een verzoek bij het televisieprogramma [slachtoffer 2] - brieven en berichten te sturen aan de presentatrice van dat programma. De verdachte heeft hiermee (langdurig) inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van deze vrouwen. In de periode januari en februari 2006 heeft hij medewerkers/agenten van de politie en de belastingdienst bedreigd met misdrijven tegen het leven gericht. Oplegging van een vrijheidsbenemende straf hiervoor is gerechtvaardigd.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 20 oktober 2014 is de verdachte eerder, in 2005, veroordeeld voor bedreiging met geweld. Het hof heeft voorts kennis genomen van het rapport van 8 februari 2007 van het Pieter Baan Centrum, opgemaakt door onder meer [deskundige 1], klinisch psycholoog, en [deskundige 2], psychiater.

Naar aanleiding van hun onderzoek in het Pieter Baan Centrum concluderen de deskundigen dat de verdachte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, maar dat hij in mindere mate dan de gemiddelde normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid overeenkomstig een dergelijk besef te bepalen. De onderzoekers concluderen voorts dat verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis zijner geestvermogens dat de ten laste gelegde feiten hem slechts in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend. Volgens de diagnose leed

verdachte aan uitgebreide waanvorming in het kader van een chronische waanstoornis, waarbij de waan-stoornis achterdochts-, grootheids- en betrekkingswaandenken omvatte. Naast de chronische waanstoornis is een schizotypische persoonlijkheidsstoornis geconstateerd, gekenmerkt door eigenaardigheden in gedrag, vervormingen in cognities en percepties en het verminderd vermogen tot het aangaan van intieme relaties. Centraal in zijn waan stonden de thema’s benadeling, onrecht en verongelijktheid en de op afstamming gebaseerde ‘grootheid’. Het leek aannemelijk dat verdachte op bepaalde tijden gevangen werd gehouden in zijn psychotische belevingen. Verdachte kon, indien hij zich zou onthouden van misbruik van middelen, potentieel woede- of agressie-uitlokkende situaties echter zonder problemen doorstaan. Door zijn waanstoornis had verdachte geen ziektebesef en zonder adequate behandeling zou hij volgens de onderzoekers vermoedelijk blijven lijden aan voornoemde stoornissen, waardoor zij de kans op recidive als aanzienlijk inschatten. Zij tekenen daarbij echter aan dat de gevaarschatting van de gedragingen van verdachte niet zodanig lijkt dat gedwongen behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met verpleging noodzakelijk is.

De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij nu geen psychiater meer bezoekt, dat hij zich in een schuldhulptraject bevindt en aan het solliciteren is. Voorts heeft hij verklaard dat de periode waarin hij leed aan paranoïde waanideeën nu achter hem ligt.

Het hof neemt de conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten in sterk verminderde mate toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, mee in de overwegingen.

Het hof acht, alles afwegende, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend en geboden. Gelet op de zeer lange termijn die is verstreken sinds de bewezenverklaarde feiten zich hebben voorgedaan en de schending van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM, zal het hof de op te leggen straf matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 285, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3-A ten laste gelegde.

Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vervolging van de verdachte voor zover het in feit 3-B ten laste gelegde ziet op de periode van 1 mei 2002 tot en met 18 november 2002.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3-B, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3-B, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.S. Crince Le Roy, mr. F.W.J. den Ottolander en mr. H.M.J. Quaedvlieg, in tegenwoordig-heid van mr. M.A.T. van Willigen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 november 2014.

Mr. Crince Le Roy is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[.]

[.]

[.]