Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5896

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
22-01-2015
Zaaknummer
200.135.182/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IPR/Huwelijksvermogensrecht

Russisch recht

Dient onder “de arbeid van een echtgenoot” in artikel 37 Russisch Familiewetboek te worden verstaan de arbeid die de man ten behoeve van/in de tot zijn privévermogen behorende bedrijven heeft verricht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 28 oktober 2014

Zaaknummer: 200.135.182/01

Zaaknummers eerste aanleg: C/15/194779 / FA RK 12-2599 en C/15/197097 / FA RK 12-3584

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. F.W. Hoff te 's-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. W.A. van der Stroom-Willemsen en mr. G.M. van de Weert te Rotterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in zijn tussenbeschikking van 10 juni 2014.

1.3.

De zaak is op 14 mei 2014 tegelijkertijd met de zaak met zaaknummer 200.149.208/01 (partneralimentatie en mogelijk kinderalimentatie) ter terechtzitting behandeld. Van deze behandeling is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

1.4.

Bij de beschikking van dit hof van 10 juni 2014 is, voor zover thans van belang, bepaald dat in deze zaak een nadere mondelinge behandeling zal plaatsvinden en is de behandeling van de zaak met zaaknummer 200.149.208/01 (partner- en mogelijk kinderalimentatie) aangehouden tot 5 juli 2015 (pro forma). Iedere verdere beslissing is aangehouden.

1.5.

De vrouw heeft op 25 augustus 2014 nadere stukken ingediend.

1.6.

De man heeft op 25 augustus 2014 in een tweetal zendingen nadere stukken ingediend.

1.7.

De behandeling van de zaak is op 4 september 2014 voortgezet, alwaar zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaten.

2 De verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1.

Bij de bestreden beschikking is op het huwelijksvermogensregime van partijen Russisch recht van toepassing verklaard in de periode tot 5 december 2008 en Nederlands recht in de periode na 5 december 2008. Voorts is daarin aan de hand van artikel 37 van het Russische Familiewetboek beslist dat het door de man voorafgaand aan het huwelijk verworven vermogen aan de man verblijft en de waardestijging daarvan aan de man toekomt.

2.2.

De vrouw komt met haar grief 9 op tegen deze beslissing. Zij verzoekt in hoger beroep een verklaring voor recht dat de aandelen van de man in [X] en de andere ondernemingen waarvan hij bewijst dat hij daarin voor het huwelijk aandelen bezat of aandelen met voorhuwelijks privévermogen heeft verworven, door toepassing van artikel 37 van het Russische Familiewetboek gemeenschappelijk vermogen zijn geworden en dat de waarde daarvan bij helfte dient te worden verdeeld. Voorts verzoekt zij het hof een deskundige te benoemen teneinde – kort gezegd – de vermogenspositie van de man vast te stellen.

2.3.

Grief V van de man betreft de belegging van privévermogen. Voor zover uit de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de toepassing van artikel 37 van het Russische Familiewetboek niet volgt dat ook het resultaat van belegging van privévermogen aan de man verblijft, verzoekt de man dat de beslissing van de rechtbank wordt aangevuld met een verklaring voor recht dat ook de in de woning van partijen in Moskou geïnvesteerde schenking van zijn moeder aan hem van € 35.000,- vermeerderd met de pro rata waardestijging van die woning tot zijn privévermogen behoort, en een verklaring voor recht dat ook de uit door hem aangebracht privévermogen gedane beleggingen en wederbeleggingen, waaronder de aandelen Lowarka, Gressa en Nasimpa, aan hem verblijven, derhalve zonder verrekening met de vrouw.

In principaal appel

2.4.

Het standpunt van de vrouw komt erop neer dat de aandelen van de man in [X] (hierna: [X]) en de aandelen in andere ondernemingen die de man reeds voor het huwelijk had dan wel met voorhuwelijks privévermogen heeft verworven, gemeenschappelijk vermogen zijn geworden door de arbeid van de man. Gelet op de tekst van artikel 37 van het Russische Familiewetboek, waarin sprake is van “arbeid van een der echtgenoten” wordt volgens die bepaling niet alleen de arbeid van de andere echtgenoot, maar ook de arbeid van de echtgenoot aan wie het privévermogen toebehoort, beschouwd als een gemeenschappelijke investering waardoor privévermogen gemeenschappelijk wordt, aldus de vrouw. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de vrouw adviezen in het geding gebracht van het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: IJI), Versus LLC en [D], een Russische advocaat.

Ten aanzien van [X] in het bijzonder voert zij aan dat de man vóór het huwelijk 50% van de aandelen had. Tijdens het huwelijk heeft de man 5% van de aandelen vervreemd en vervolgens opnieuw verkregen, zodat deze aandelen op grond van artikel 34 Russisch Familiewetboek tot het gemeenschappelijke vermogen behoren. De overige aandelen zijn ingevolge artikel 37 gemeenschappelijk vermogen geworden doordat de man arbeid in de onderneming heeft verricht en de onderneming aanzienlijk in waarde is gestegen. De man is sinds 2001 alleen/zelfstandig bevoegde bestuurder, waarvoor hij aanvankelijk een onkostenvergoeding ontving. Sinds 2005 is de man in loondienst van [X]. Uit de door de man in het geding gebrachte stukken, waaronder de jaarrekeningen 2002 en 2013, blijkt dat het eigen vermogen van [X] sinds 2002 verviervoudigd is. De vrouw betwist dat voor toepassing van artikel 37 Russisch Familiewetboek een causaal verband tussen de werkzaamheden van de man en de waardestijging is vereist. Zo dit causale verband wel is vereist, is daaraan volgens de vrouw voldaan, nu de man als de grootste aandeelhouder met de meest invloedrijke stem de beslissingen over de bedrijfsvoering heeft genomen.

2.5.

De man betwist primair dat zijn eigen arbeid kan leiden tot toepassing van artikel 37 Russisch Familiewetboek. Alleen arbeid van de echtgenoot/niet-ondernemer kan volgens de man daartoe leiden en de vrouw heeft nooit werkzaamheden voor de ondernemingen van de man verricht. Subsidiair stelt de man dat zijn werkzaamheden in zijn ondernemingen niet kunnen leiden tot toepassing van artikel 37, omdat hij de werkzaamheden niet onbetaald heeft verricht en deze dus niet ten laste van zijn arbeid zijn gekomen. Meer subsidiair, aldus de man, ontbreekt het voor toepassing van artikel 37 vereiste causale verband tussen zijn arbeid en de waardestijging van de aandelen. De man heeft ter onderbouwing van zijn standpunt adviezen ingebracht van twee Russische advocaten, [K] en Ekaterina Pavloskaya.

2.6.

Ter zitting in hoger beroep van 4 september 2014 hebben partijen verklaard ermee in te stemmen dat het hof bij de beoordeling uitgaat van de toepasselijke wettelijke bepalingen van het Russische Familiewetboek zoals deze luiden volgens Bergmann/Ferid, Internationales Ehe- und Kindschaftsrecht, losbladig, Russische Föderation, 7. Kapitel Gesetzlicher Güterstand der Ehegatten. Voor zover van belang luiden deze bepalingen als volgt:

Artikel 34 Gemeinsames Eigentum der Ehegatten

  1. Das Vermögen, das die Ehegatten während der Ehe erworben haben, ist ihr gemeinsames Eigentum.

  2. Zum Vermögen, das die Ehegatten während der Ehe erworben haben (gemeinsames Vermögen der Ehegatten), gehören Einkünfte jedes der Ehegatten aus Arbeitstätigkeit, Unternehmertätigkeit und Erträge aus intellektueller Tätigkeit, von ihnen empfangene Renten, Zuwendungen sowie sonstige Geldzahlungen, die keine besondere Zweckbestimmung haben (materielle Hilfe, Schadensersatz im Zusammenhang mit dem Verlust der Arbeitsfähigkeit, infolge Körperverletzung oder Schädigung der Gesundheit und anderes). Gemeinsames Vermögen der Ehegatten sind ebenfalls die auf Rechnung gemeinsamer Einkünfte erworbenen beweglichen und unbeweglichen Gegenstände, Wertpapiere, Anteile, Anlagen, Kapitalanteile, die bei Kreditinstituten oder anderen Handelsorganisationen eingezahlt worden sind, und beliebiges sonstiges von den Ehegatten während der Ehe erworbenes Vermögen, unabhängig davon, auf wessen Namen der Ehegatten es erworben worden ist oder auf wessen Namen oder von den Geldmitteln welches der Ehegatten es bezahlt worden ist.

  3. Das Recht am gemeinsamen Vermögen der Ehegatten steht ebenfalls dem Ehegatten zu, welcher während der Ehe die Haushaltsführung und die Pflege der Kinder ausgeübt hat oder aus anderen triftigen Gründen kein eigenes Einkommen gehabt hat.

Artikel 36 Eigentum jedes der Ehegatten

  1. Das Vermögen, das jedem der Ehegatten vor Eingehung der Ehe gehört hat, sowie Vermögen, das einer der Ehegatten während der Ehe als Geschenk, im Verfahren der Erbfolge oder aus anderen unentgeltlichen Geschäften (Vermögen eines jeden der Ehegatten), erhalten hat, ist sein Eigentum.

  2. Sachen des individuellen Gebrauchs (Kleidung, Schuhe und anderes), ausgenommen Wertgegenstände und andere Luxusgegenstände, auch wenn sie während der Ehe aus den gemeinsamen Mitteln der Ehegatten erworben worden sind, werden als Eigentum desjenigen Ehegatten anerkannt, der sie gebraucht hat.

Artikel 37 Anerkennung des Vermögens jedes der Ehegatten als deren gemeinsames Eigentum

Das Vermögen jedes der Ehegatten kann als gemeinsames Vermögen anerkannt werden, wenn festgestellt ist, dass während der Ehe aus dem gemeinsamen Vermögen der Ehegatten oder dem Vermögen jedes der Ehegatten oder der Arbeit eines der Ehegatten Vermögensanlagen vorgenommen worden sind, die den Wert dieses Vermögens wesentlich erhöhen (Generalüberholung, Modernisierung, Umrüstung und anderes).

2.7.

Op grond van de wettelijke bepalingen zoals hiervoor onder 2.6 geciteerd concludeert het hof dat het Russische familierecht, samengevat en voor zover van belang, het volgende inhoudt. Vermogen dat de echtelieden tijdens het huwelijk verwerven, waaronder de inkomsten van ieder van hen uit arbeid en uit onderneming, behoort tot hun gemeenschappelijke vermogen. Vermogen dat een echtgenoot vóór het huwelijk toebehoorde en vermogen dat een echtgenoot tijdens het huwelijk om niet heeft verkregen, is privévermogen van die echtgenoot. Privévermogen van een echtgenoot kan evenwel als gemeenschappelijk vermogen worden aangemerkt onder meer wanneer tijdens het huwelijk uit het gemeenschappelijk vermogen, het privévermogen van ieder van de echtgenoten of de arbeid van een echtgenoot investeringen zijn gedaan die de waarde van dat vermogen aanmerkelijk hebben verhoogd.

De man had vóór het huwelijk vermogen, waaronder de aandelen in [X]. Gesteld noch gebleken is dat tijdens het huwelijk gemeenschappelijk vermogen, zoals de inkomsten van partijen, dan wel privévermogen in het privévermogen van de man is geïnvesteerd. Tussen partijen is niet in geschil dat alleen de man arbeid heeft verricht ten behoeve van/in de ondernemingen waarvan de aandelen tot zijn privévermogen behoren. Aan het hof ligt ter beoordeling voor de vraag of onder “de arbeid van een echtgenoot” dient te worden verstaan de arbeid die de man ten behoeve van/in die ondernemingen heeft verricht.

2.8.

[K] (hierna: [K]) is in haar deskundigenrapport van 3 januari 2014 (productie 19 van de man in hoger beroep) van mening dat artikel 37 aldus dient te worden uitgelegd dat privévermogen van een echtgenoot uitsluitend als gemeenschappelijk vermogen kan worden beschouwd indien de waarde van het privévermogen tijdens het huwelijk substantieel is gestegen door investering van gemeenschappelijk vermogen, belegging van privévermogen van de andere partner en arbeid door de andere partner. Artikel 37 dient volgens haar te worden gelezen in samenhang met artikel 256 lid 2 van het Russische Burgerlijk Wetboek. Volgens die bepaling kan privévermogen van een echtgenoot als gemeenschappelijk vermogen worden aangemerkt indien tijdens het huwelijk de waarde van dat vermogen substantieel is gestegen door gemeenschappelijk vermogen en privévermogen van de andere partner. Laatstgenoemde bepaling zegt niets over de arbeid van een echtgenoot als grond om privévermogen aan te merken als gemeenschappelijk vermogen, maar deze bepaling benadrukt dat de investering dient plaats te vinden uit gemeenschappelijk vermogen of afzonderlijk uit privévermogen van de andere echtgenoot. De achterliggende gedachte van artikel 37 Russisch Familiewetboek en artikel 256 lid 2 Russisch Burgerlijk Wetboek is het herstellen van gerechtigheid waar het vanwege substantiële bijdragen in geld of arbeid van een partner aan het privévermogen van de andere partner onrechtvaardig en onbillijk zou zijn om een dergelijke bijdrage buiten beschouwing te laten indien deze tot een substantiële stijging van de waarde van dat privévermogen heeft geleid. Voor toepassing van artikel 37 dient te worden bewezen dat sprake is van een direct causaal verband tussen de arbeid van de partner en de waardevermeerdering van de onderneming. Deze arbeid dient de enige of ten minste de doorslaggevende oorzaak te zijn van de waardestijging, niet slechts een van de bijdragende factoren. Dit geldt ook indien het hof de lezing van artikel 37 van de vrouw zou overnemen dat arbeid van de man ertoe leidt dat de tot het privévermogen van de man behorende ondernemingen als gemeenschappelijk eigendom dienen te worden beschouwd. Tenslotte, aldus [K], is het hof niet verplicht te oordelen dat dit vermogen gemeenschappelijk is geworden.

Ook [P] (hierna: [P]) is in haar rapport van 2 december 2013 (productie 29 van de man in hoger beroep) van mening dat de arbeid van de man in een vennootschap waarin hij een van de aandeelhouders is volledig buiten het toepassingsgebied van artikel 37 valt. Ook indien het standpunt van de vrouw dat het dienstverband van de man relevant is voor de toepassing van artikel 37 juist zou zijn, dient voldaan te zijn aan het vereiste dat sprake is van een causaal verband tussen de arbeid van de man en waardevermeerdering van de aandelen, zo begrijpt het hof haar rapport.

2.9.

[D] (hierna: [D]) is in haar advies van 7 oktober 2013 (productie M van de vrouw in hoger beroep), dat een reactie inhoudt op een op dit punt gelijkluidend eerder advies van [K], het volgende van mening:

“Het argument dat de arbeid die door de man is verricht niet als een gezamenlijke investering beschouwd mag worden is onjuist, aangezien dit indruist tegen Art. 37 van de Familiewet van de Russische Federatie, waarin gesteld wordt dat afzonderlijke bezittingen door de arbeid die door elk van de partijen tijdens het huwelijk verricht wordt tot onderdeel van de gemeenschappelijke boedel worden gemaakt, mits deze investering van arbeid de waarde van de bezittingen aanzienlijk vergroot.” en voorts: “Het is onmogelijk om het eens te zijn met de mening van [K]. Wie er daadwerkelijk werkte voor het bedrijf dat onder de verdeling binnen het huwelijk valt, doet er niet toe, aangezien de wet duidelijk voorschrijft dat bedrijven waarvan de waarde tijdens het huwelijk aanzienlijk vergroot wordt, gezamenlijk eigendom worden”

Naar aanleiding van de hiervoor in rechtsoverweging 2.8 weergegeven adviezen van [K] en [P] heeft [D] in haar “bevestigende ter staving strekkende verklaring” van 15 april 2014 (nagekomen stuk van de vrouw ingekomen 9 mei 2014) opgemerkt dat artikel 37 Russisch Familiewetboek voorrang heeft boven artikel 256 Russisch Burgerlijk Wetboek op het punt waar de twee artikelen niet met elkaar stroken. Ter ondersteuning van haar standpunten citeert zij overwegingen in een aantal uitspraken van Russische rechterlijke instanties.

2.10.

Gelet op de door [K] uiteengezette ratio van artikel 37 Russisch Familiewetboek komt het standpunt van [K] en [P] – namelijk dat deze bepaling aldus dient te worden gelezen dat onder “arbeid van een echtgenoot” wordt verstaan arbeid verricht door de andere echtgenoot – het hof voor als de juiste uitleg van deze bepaling. Niet goed valt immers in te zien dat de arbeid die de tot het privévermogen gerechtigde heeft verricht ten behoeve van/in de tot zijn privévermogen behorende ondernemingen ertoe zou moeten leiden dat de andere partner, die daaraan geen enkele bijdrage heeft geleverd, daarvoor compensatie wordt geboden door dat privévermogen als gemeenschappelijk vermogen te beschouwen.

2.11.

Daar tegenover kan het hof de adviezen van [D] niet volgen. In haar advies van 7 oktober 2013 stelt zij eerst dat de arbeid van elk van partijen tijdens het huwelijk ertoe kan leiden dat privévermogen als gemeenschappelijk wordt beschouwd op voorwaarde dat door die arbeid de waarde van dat vermogen aanzienlijk is vermeerderd, daarna stelt zij dat het er niet toe doet door wie van partijen de arbeid is verricht omdat privévermogen dat tijdens het huwelijk aanmerkelijk in waarde is vermeerderd volgens de wet gemeenschappelijk vermogen wordt. Niet alleen is haar advies innerlijk tegenstrijdig, ook strookt in elk geval haar tweede stelling in haar advies van 7 oktober 2013 niet met de tekst van artikel 37 Russisch Familiewetboek (“aus der Arbeit (. . .) Vermögensanlagen vorgenommen worden sind, die den Wert dieses Vermögens wesentlich erhöhen”). In het advies van 15 april 2014 geeft zij niet aan hoe de voorrang van artikel 37 Russisch Familiewetboek boven artikel 256 Russisch Burgerlijk Wetboek concreet dient te worden toegepast, hoewel dit naar aanleiding van het uitgebreide betoog van [K] – inhoudende dat beide artikelen in samenhang moeten worden gelezen – voor de hand had gelegen. De door [K] gestelde achterliggende gedachte van artikel 37 – het herstellen van gerechtigheid – heeft zij niet weersproken. Tenslotte merkt het hof op dat de door [D] geciteerde overwegingen in rechterlijke uitspraken geen betrekking hebben op de toepassing van artikel 37, maar van andere bepalingen van het Russische Familiewetboek. Het hof gaat op grond van het voorgaande voorbij aan het advies van [D].

2.12.

Ook de adviezen van het IJI en Versus LLC kan het hof niet volgen.

Naar aanleiding van de vraag of, indien het huwelijksvermogen van partijen wordt beheerst door Russisch recht, uit de huwelijksrelatie van partijen rechten zijn ontstaan op de goederen van de andere partner, heeft het IJI in zijn rapport van 18 mei 2011 (productie 7 bij het verzoekschrift echtscheiding van de vrouw) geconcludeerd: “Het voorhuwelijkse vermogen behoort tot het eigen vermogen van de desbetreffende echtgenoot. Dit vermogen behoeft dus niet te worden verdeeld. De man is voor het huwelijk begonnen met het opbouwen van een onderneming, die echter volgens door vraagsteller verstrekte informatie, aanvankelijk niet winstgevend was. Inkomen uit onderneming valt echter in de gemeenschap. Het lijkt hier van belang om vast te stellen wat de waarde van de onderneming was bij de aanvang van het huwelijk en om te bepalen of in dit geval eventueel aanleiding bestaat om de onderneming te beschouwen als onderdeel van de gemeenschap in de zin van artikel 37 van het Russische Wetboek inzake familierecht. (. . .)” Volgens dit advies behoort – in navolging van artikel 34 lid 2 Russisch Familiewetboek – tijdens het huwelijk verworven inkomen uit onderneming tot het gemeenschappelijke vermogen, maar dit advies levert geen antwoord op de vraag of de arbeid van de man in zijn ondernemingen ertoe kan leiden dat die tot zijn privévermogen behorende ondernemingen zelf als gemeenschappelijk vermogen worden beschouwd. Kennelijk wordt de enkele waardevermeerdering van het privévermogen van de man tijdens het huwelijk daarvoor volgens het IJI voldoende geacht, hetgeen evenwel niet valt te rijmen met de tekst van artikel 37.

De conclusie van de in 2012 afgegeven, niet in vertaling overgelegde “legal opinion” van Versus LLC (productie 8 bij het verzoekschrift echtscheiding van de vrouw) komt erop neer dat de aandelen in een “limited liability Company” die een echtgenoot vóór het huwelijk heeft verworven, zijn persoonlijk eigendom zijn, en dat, indien de arbeid van de echtgenoot in een onderneming die hij vóór het huwelijk heeft verworven, tot een aanzienlijke waardevermeerdering van de onderneming heeft geleid, dit een reden kan zijn om die onderneming (of de marktwaarde van de aandelen daarin) als het gezamenlijke eigendom van de echtgenoten te beschouwen. Een onderbouwing van dit standpunt ontbreekt evenwel.

2.13.

Op grond van al het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat onder “de arbeid van een echtgenoot” in artikel 37 Russisch Familiewetboek niet dient te worden verstaan de arbeid die de man ten behoeve van/in de tot zijn privévermogen behorende bedrijven heeft verricht.

Ook indien, het standpunt van de vrouw en haar adviseurs volgend, zou moeten worden geoordeeld dat de arbeid van de man ten behoeve van/in de tot zijn privévermogen behorende ondernemingen wel ertoe kan leiden dat die ondernemingen als gemeenschappelijk vermogen

worden aangemerkt, kan haar betoog niet slagen. Het hof volgt de vrouw niet in haar standpunt dat artikel 37 Russisch Familiewetboek geen causaal verband vereist tussen de arbeid van de man en de waardevermeerdering. Niet alleen volgt het hof ook op dit onderdeel het advies van [K], ondersteund door [P], maar ook uit de adviezen van [D] (van 7 oktober 2013) en Versus LLC blijkt dat zij een causaal verband tussen de arbeid van de man en de waardevermeerdering van de ondernemingen als een vereiste zien voor de toepassing van artikel 37 Russisch Familiewetboek, zij het dat [D] zichzelf hierover later in hetzelfde rapport tegenspreekt. Tenslotte is het hof van oordeel dat, zoals eerder overwogen, de uitleg van de vrouw op dit punt niet strookt met de tekst van artikel 37.

De man heeft aangevoerd dat hij slechts één van de zeer vele personen was die werkzaam waren in zijn ondernemingen, dat derden kapitaal in zijn ondernemingen hadden geïnvesteerd en dat in de periode vanaf 2002 sprake was van een zeer gunstige marktontwikkeling. Gelet op deze gemotiveerde betwisting heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd dat, zoals door haar subsidiair betoogd, is voldaan aan het vereiste van causaal verband. Dat de man de directeur is en 50% van de aandelen heeft – naar het hof begrijpt: van Baxx – is daartoe onvoldoende.

2.14.

Volgens de tekst van artikel 37 Russisch Familiewetboek “kan” privévermogen van een echtgenoot als gemeenschappelijk vermogen worden aangemerkt als aan de daaraan gestelde voorwaarden is voldaan. [K] heeft in dit verband opgemerkt dat de rechter niet verplicht is te oordelen dat het privévermogen gemeenschappelijk is geworden, hetgeen [D] niet heeft weersproken. Het hof overweegt in dit verband nog het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man aanvankelijk slechts diensten heeft verricht ten behoeve van [X] en dat hij sinds 2005 bij [X] in loondienst is. De vrouw heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de man voor zijn werkzaamheden een marktconforme vergoeding en (later) een marktconform salaris heeft ontvangen. Ingevolge artikel 34 lid 2 en 3 Russisch Familiewetboek behoren deze inkomsten van de man tot het gemeenschappelijke vermogen van partijen, waartoe de vrouw – ook indien zij tijdens het huwelijk geen eigen inkomen zou hebben genoten vanwege de zorg voor het huishouden en de kinderen – naast de man gerechtigd was. Derhalve kan niet worden geconcludeerd dat de vrouw door de werkzaamheden van de man voor [X] is verarmd. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw door de werkzaamheden van de man ten behoeve van/in zijn andere ondernemingen is verarmd. Gelet op deze feiten en omstandigheden ziet het hof – in het licht van de ratio van artikel 37 Russisch Familiewetboek zoals door [K] uiteengezet – geen aanleiding tot toepassing van deze bepaling. Derhalve zou zelfs indien veronderstellenderwijze zou worden uitgegaan van de juistheid van de stellingen van de vrouw ten aanzien van de arbeid van de man en het bestaan van causaal verband tussen die arbeid en de waardevermeerdering van zijn ondernemingen, haar grief ook in zoverre niet kunnen slagen.

2.15.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man reeds vóór het huwelijk 50% van de aandelen in [X] had. Uit de brief van 25 augustus 2014 van [R], (het hof begrijpt: mede) bestuurder en (het hof begrijpt: mede)oprichter van [X] (hierna: [R]), komt naar voren dat Netbuzz in 2003 aandelen in [X] heeft verkregen onder de voorwaarde dat hij binnen twee jaar een hoeveelheid business zou leveren, waardoor zij (het hof begrijpt: de man en [R]) de mogelijkheid hadden de transactie terug te draaien. De man heeft hiervoor 5% van zijn aandelen ingeleverd en de transactie is in 2005 teruggedraaid omdat (zo begrijpt het hof) Netbuzz niet aan de voorwaarde heeft voldaan, aldus [R]. Het hof begrijpt daaruit dat de man door de transactie in 2003 een voorwaardelijke vordering op Netbuzz had tot afgifte van de aandelen die hij aan Netbuzz had geleverd. Deze vordering kwam voort uit zijn privévermogen (de 5% aandelen) en behoorde daarom eveneens tot zijn privévermogen. In 2005 is de ontbindende voorwaarde ingetreden, ten gevolge waarvan de 5% aandelen in plaats van de vordering weer tot het privévermogen van de man behoren. Anders dan de vrouw meent kan derhalve niet worden geconcludeerd dat de man 5% van de aandelen tijdens het huwelijk heeft verworven. Ook in zoverre slaagt grief 9 van de vrouw niet.

In principaal en incidenteel appel

2.16.

Aangezien de bestreden beschikking, voor zover in appel relevant, geen eindbeschikking is en de rechtbank nog niet heeft beslist respectievelijk heeft kunnen beslissen op het verzoek van de vrouw tot benoeming van een deskundige en op de door de man verzochte verklaringen voor recht, zal het hof daarover geen beslissing nemen. Het hof zal de zaak terugwijzen naar de rechtbank in de stand waarin het geding zich bevindt, inclusief de thans voorgelegde verzoeken waarop het hof geen beslissing heeft gegeven.

5 Beslissing

Het hof:

In principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst de zaak ter verdere behandeling en afdoening terug naar de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) in de stand waarin het geding zich bevindt, inclusief de thans voorgelegde verzoeken waarover het hof geen beslissing heeft gegeven.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.G. Kleene-Eijk, A.V.T. de Bie en A.R. Sturhoofd in tegenwoordigheid van T. Kuijs als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2014.