Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5815

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
200.090.946-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over doorberekening kosten bungalowpark aan individuele eigenaar. Bewijs geleverd dat electriciteitsmeter niet goed functioneerde, grondslag gefactureerde kosten ontbreekt. Geen verplichting tot vergoeding parkkosten voor zover hoger dan overeengekomen en evenmin over periode na beëindiging lidmaatschap. Zie ECLI:NL:GHAMS:2013:4902.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.090.946/01

zaak-/rolnummer rechtbank Alkmaar: 116100 / HA ZA 09-1148

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 december 2014

inzake

[appellant],

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellant,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. L.T. van Eyck van Heslinga te Alkmaar,

tegen:

de vereniging

VERENIGING VAN EIGENAREN BUNGALOWPARK [X],

gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente]

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellante,

advocaat: mr. J.C. Duvekot te Amsterdam.

1 Het verder verloop van het geding in hoger beroep

Partijen zullen worden aangeduid als [appellant] en de VVE.

Bij tussenarrest van 10 december 2013 heeft het hof [appellant] toegelaten tot het bewijs

van zijn stelling dat de door KEMA gekeurde meter niet zijn meter was en dat zijn meter, anders dan de gekeurde meter, niet verzegeld was en een zeer oud exemplaar dat niet goed functioneerde.

[appellant] heeft op 25 maart 2014 getuigen doen horen. De VVE heeft van een tegengetuigenverhoor afgezien.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie na enquête van de zijde van [appellant] ;

- antwoord-memorie na enquête van de zijde van de VVE.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 De beoordeling

2.1.

Het hof heeft [appellant] opgedragen te bewijzen dat de door KEMA gekeurde meter niet zijn meter was en dat zijn meter, anders dan de gekeurde meter, niet verzegeld was en een zeer oud exemplaar was dat niet goed functioneerde.

2.2.

Getuige [getuige 1] heeft onder meer verklaard:

Ik ben de vader van [appellant] , die in deze zaak partij is. (…) In 2005 (ik ben vrijwel zeker van dat jaartal) zag ik dat de elektriciteitsmeter veel sneller ging lopen: de meter ging van 900 naar 1400 Kw en later ging de meter nog sneller lopen. Het heeft een hele tijd geduurd voordat daar iets aan is gedaan. Als ik mij goed herinner was het in 2008 dat er een controle plaatsvond, het was nadat ik zelf de bungalow had verlaten en deze was gaan verhuren. Toen ik voor die controle bij de bungalow kwam waren daar al aanwezig [B] , [A] en de elektricien die de meting zou uitvoeren, [C] . Aanvankelijk zou ik bij de controle niet aanwezig kunnen zijn en zou iemand mij vervangen, maar uiteindelijk was ik er toch bij. [A] was die vervanger.

De elektricien heeft het elektriciteitskastje opengemaakt en de aanwezigen verteld dat hij kon meten dat er continu 10% lekstroom was. Dat elektriciteitskastje was normaal gesproken afgesloten en bij deze meting heb ik daarom de elektriciteitsmeter in dat kastje voor het eerst gezien. Ik zag toen dat de verzegeling eraf was. [B] , van het bestuur, zei toen we zetten er een andere meter in. Dat is een week later ook gebeurd, ik kon dat zien aan het zichtbare metergedeelte in het kastje. Na de vervanging van de meter ging het stroomverbruik terug naar 900 Kw per jaar. Ik heb van iemand anders begrepen dat de oude meter is weggegooid.

Op vragen mr. van Eyck antwoord ik: ik had geen sleutel om het kastje, waar de elektriciteitsmeter in zat, zelf te openen.

2.3.

Getuige [A] heeft onder meer verklaard:

Toen er een controle van de elektriciteitsmeter kwam heeft [appellant] mij gevraagd of daarbij te zijn. De reden daarvoor was dat hij niet wist of hij op tijd zou komen. Ik weet niet meer of [appellant] er uiteindelijk op tijd bij was, maar ik denk het wel. Naast [appellant] was ook aanwezig ene [C] , die heeft een elektro- of installatiezaak. Ook was aanwezig [B] , ik denk dat het zo was dat hij in het bestuur zat van de VVE - vereniging die op dat moment eigenaar was van de gemeenschappelijke ruimte op het bungalowpark. Daarnaast heb ik het idee dat er nog iemand bij was, maar ik kan mij niet meer herinneren wie. Bij de controle heeft [C] de elektriciteitsmeter losgekoppeld van het huis en toen bleef de meter toch doordraaien. Dit hoort niet het geval te zijn. Wat er verder nog bekeken of besproken is heb ik niet helemaal gevolgd. Ik weet nog wel dat [C] ook een meetinstrument bij zich had, maar ik heb geen idee wat [C] gemeten heeft.

Na de controle heeft [appellant] mij een foto laten zien van een meter die naar Kema zou zijn gezonden. Op die foto waren verzegelingsloodjes te zien en ik weet zeker dat die niet aanwezig waren op de meter in het huis van [appellant] op het moment van de controle door [C] . Die foto klopte dus niet met de meter die ik gezien heb.

2.4.

Getuige [B] heeft verklaard:

Ik ben in 2007 bestuurslid van de VVE geworden. Ik trof als erfenis van het vorige bestuur aan een aantal problemen met stroomverbruik. Er bleken meerdere gevallen te zijn waarin er discussie was over stroomverbruik. Het was zo dat er sprake was van oude meters, ik heb gehoord dat die afkomstig waren van de sloop van een appartementengebouw in Amsterdam. Er was sprake van dat sommige meters niet goed liepen of zelfs stil stonden. [appellant] senior had een verzoek ingediend vanwege klachten over zijn stroomverbruik. Daarop heb ik een elektricien laten komen, de heer [C] . Ook was aanwezig [appellant] senior, de heer [A] en [D] , de klusjesman van het bungalowpark. Deze controle vond plaats ongeveer een jaar nadat ik in het bestuur kwam. [C] heeft toen in mijn aanwezigheid 10% opgemeten. Wat hij verder nog bekeken of gedaan heeft weet ik niet. Ik kan mij ook niet herinneren of deze meter verzegeld was of niet. Ik weet wel dat er met de betreffende meter eerder problemen waren geweest vanwege kortsluiting. Bij de bungalows op het park waren de meeste meters verzegeld, maar het kwam ook voor dat de meters niet verzegeld waren.

Na de meting door [C] is een nieuwe meter geïnstalleerd en later heb ik van [appellant] senior begrepen dat er geen problemen meer waren.

Op een vraag van mr. van Eyck antwoord ik dat ik mij niet herinner of [C] de meter heeft losgekoppeld.

Op een vraag van mr. Duvekot antwoord ik dat ik niet weet of in het geval van [appellant] de facturering van elektriciteit achteraf is aangepast. Er waren veel problemen en de boekhouding was een chaos.

2.5.

Het hof overweegt als volgt omtrent de vraag of [appellant] is geslaagd het hem opgedragen bewijs te leveren.

2.6.

Getuige [A] heeft over de verzegeling verklaard dat de verzegelingsloodjes, zichtbaar op de foto van de door KEMA gekeurde meter, niet aanwezig waren op de meter die in het huis van [appellant] aanwezig waren. De vader van [appellant] heeft verklaard dat de verzegeling van de meter in het huis van [appellant] eraf was. [B] heeft verklaard dat het voorkwam dat meters niet verzegeld waren en dat hij zich niet kan herinneren of de meter van [appellant] verzegeld was.

2.7.

[A] heeft over de controle door [C] verklaard dat de meter van [appellant] bij controle is losgekoppeld, dat de meter daarna bleef doordraaien en dat hij gezien heeft dat [C] een meetinstrument bij zich had. De vader van [appellant] heeft in dit verband verklaard dat [C] een lekstroom van 10% heeft gemeten en dat [B] toen heeft gezegd “we zetten er een andere meter in”. [B] heeft verklaard dat de meter van [appellant] is vervangen nadat bij de meting door [C] 10 % werd opgemeten. Het hof begrijpt dat [B] daarbij doelt op 10 % lekstroom.

2.8.

Over de meter heeft [B] nog verklaard dat sprake was van oude meters, die van een gesloopt appartementengebouw afkomstig waren. Hij heeft voorts verklaard dat sommige meters niet goed liepen of stil stonden en dat er in meerdere gevallen discussie was over het stroomverbruik. [B] heeft voorts verklaard niet te weten of in het geval van [appellant] de facturering van elektriciteit achteraf is aangepast. Er waren, aldus [B] , veel problemen en de boekhouding was een chaos.

2.9.

De stellingen van de VVE komen erop neer dat gelet op tegenstrijdigheden en lacunes in de verschillende verklaringen en omdat de getuigen het KEMA-rapport niet hebben betwist, het opgedragen bewijs niet is geleverd. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van tegenstrijdigheden tussen de verschillende getuigenverklaringen die afdoen aan de kern van de verklaringen. De VVE stelt nog dat niet zou zijn aangetoond dat de meters voor verzending aan KEMA zijn verwisseld. Het bewijs van (doelbewust) wisselen van twee meters hoefde [appellant] echter niet te leveren, slechts dat de gekeurde meter niet zijn meter was.

2.10.

Het hof is van oordeel dat met de getuigenverklaringen, in het bijzonder met de onder 2.6 tot en met 2.8 aangehaalde onderdelen daarvan, in voldoende mate is komen vast te staan dat zijn meter, anders dan de gekeurde meter, niet verzegeld was en een zeer oud exemplaar was dat (nu er 10% lekstroom optrad) niet goed functioneerde. Nu de door KEMA gekeurde meter wel verzegeld was, was die meter dus niet de meter van [appellant] en moet worden geconcludeerd dat de inhoud van het KEMA-rapport ook geen betrekking heeft op de meter van [appellant] . [appellant] is dan ook in zijn bewijsopdracht geslaagd. Daaruit volgt dat de grieven 1 en (gedeeltelijk) 3 slagen. Daarmee is de grondslag aan de door de VVE aan [appellant] gezonden facturen komen te ontvallen.

2.11.

Grief 4 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de overige posten die door de VVE aan [appellant] zijn gefactureerd. [appellant] legt aan de grief ten grondslag dat hij zijn lidmaatschap van de VVE met ingang van 1 januari 2009 heeft opgezegd, zodat hij sedertdien uit dien hoofde geen verplichtingen meer heeft jegens de VVE, anders dan de parkbijdrage die hij op grond van de koopovereenkomst en de leveringsakte verschuldigd is. Hij verwijst daarbij naar het oordeel dat dit hof heeft gegeven in de zaak van [A] , welke zaak vergelijkbaar is met die van [appellant] . Op grond van die uitspraak kan de VVE niet meer dan de overeengekomen parkbijdrage van een eigenaar van een bungalow vorderen, ongeacht de stijging van de door de VVE gemaakte kosten. Ook in de periode waarin [appellant] nog lid was, had de VVE niet de bevoegdheid om kosten door te belasten bovenop de in de Statuten geregelde periodieke bijdrage. [appellant] heeft de overeengekomen parkbijdrage voldaan en heeft elektriciteit betaald op basis van het bedrag dat de VVE aan andere eigenaren in rekening heeft gebracht. Daarmee heeft [appellant] aan zijn verplichtingen voldaan, aldus steeds [appellant] .

2.12.

De VVE heeft niet weersproken dat [appellant] vanaf 1 januari 2009 geen lid meer is en heeft onvoldoende toegelicht waarom [appellant] na die datum niettemin gebonden zou zijn aan besluiten van de VVE. Voor zover de VVE stelt dat [appellant] de gevorderde bijdragen moet betalen omdat hij van de geboden voorzieningen profiteert, gaat zij eraan voorbij dat [appellant] onvoldoende betwist heeft gesteld dat hij de overeengekomen bijdragen steeds heeft betaald. Er is daarom geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking. Dat de vooraf overeengekomen bijdrage niet steeds toereikend is om alle kosten te dekken, doet daaraan niet af.

2.13.

Voor de periode dat [appellant] nog lid was geldt dat [appellant] terecht heeft opgeworpen dat de Statuten geen grondslag geven voor de gevorderde heffing van kosten boven de in de Statuten voorziene bijdrage. De VVE heeft wel gesteld dat – in afwijking van de Statuten - tot een bijdrage aan rentekosten zou zijn besloten en dat [appellant] ook zelf zou hebben gekozen voor een periodieke rentebetaling in plaats van een bedrag ineens. Wat daar ook van zij, de VVE heeft die stellingen onvoldoende onderbouwd en daarvan evenmin specifiek bewijs aangeboden, terwijl dat gelet op de gemotiveerde betwisting door [appellant] wel op haar weg had gelegen.

2.14.

Het hof concludeert dat grief 4 slaagt. Dit oordeel brengt mee dat de incidentele grief van de VVE faalt. Bij behandeling van de overige grieven in het principaal appel heeft [appellant] gelet op deze uitkomst geen belang.

2.15.

De vorderingen van de VVE zullen alsnog worden afgewezen. [appellant] heeft gesteld dat hij het door hem verschuldigde heeft betaald. De VVE heeft dat bestreden door te stellen dat de meter goed was. Daarvan kan niet langer worden uitgegaan. De VVE heeft onvoldoende weersproken dat de berekening van [appellant] voor het overige juist is, zodat het hof concludeert dat [appellant] zijn betalingsverplichtingen jegens de VVE heeft voldaan.

2.16

De reconventionele vordering strekt tot vergoeding van schade die door onrechtmatige afsluiting is ontstaan. Vaststaat dat de VVE tegenover [appellant] tot levering van elektriciteit gehouden was. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de VVE deze levering zonder goede grond heeft gestaakt. De VVE is aldus jegens [appellant] toerekenbaar tekortgeschoten. Nu de mogelijkheid van schade als gevolg van dat tekortschieten voldoende aannemelijk is, zal de vordering tot vaststelling van schade op te maken bij staat worden toegewezen.

2.15.

De slotsom is dat het bestreden vonnis wordt vernietigd. De vorderingen van de VVE worden alsnog afgewezen. De reconventionele vordering van [appellant] is toewijsbaar. De VVE wordt verwezen in de kosten van het principaal en het incidenteel appel.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

in conventie:

wijst de vorderingen van de VVE af;

in reconventie:

verklaart voor recht dat de VVE jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door de energielevering aan het perceel van [appellant] af te sluiten en veroordeelt de VVE tot vergoeding aan [appellant] van schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

veroordeelt de VVE in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] begroot op € 316,-- aan verschotten en € 1.808,-- voor salaris en in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 673,31 aan verschotten en € 3.023,-- voor salaris;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, R.H. de Bock en C.C. Meijer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 december 2014.