Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:580

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
05-03-2014
Zaaknummer
12/00233 tot en met 12/00248
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof oordeelt dat tussen partijen geen sprake is van verbondenheid in de zin van artikel 143 UCDW. De besluiten waarbij belanghebbenden zijn erkend als marktdeelnemer en de daarmee samenhangende invoercertificaten zijn derhalve ten onrechte ingetrokken. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding in de bezwaarfase is tardief. Het verzoek om materiële schadevergoeding valt buiten het bestek van deze procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 12/00233 tot en met 12/00248

20 februari 2014

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op de hoger beroepen van

de Minister van Economische Zaken (tot 1 januari 2014: het Productschap Vee en Vlees) (hierna: het productschap), gemachtigden mr. R.J.M. van den Tweel en mr. G.J. van Midden,

tegen de uitspraken van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in de zaken met kenmerk:

- AWB 10/475 en 10/609 (Hof kenmerk 12/233 en 12/234),

- AWB 10/476 en 10/610 (Hof kenmerk 12/235 en 12/236),

- AWB 10/477 en 10/611 (Hof kenmerk 12/237 en 12/238),

- AWB 10/480 en 10/612 (Hof kenmerk 12/239 en 12/240),

- AWB 10/481 en 10/613 (Hof kenmerk 12/241 en 12/242),

- AWB 10/482 en 10/614 (Hof kenmerk 12/243 en 12/244),

- AWB 10/483 en 10/615 (Hof kenmerk 12/245 en 12/246),

- AWB 10/484 en 10/616 (Hof kenmerk 12/247 en 12/248),

in het geding tussen respectievelijk:

Coöperatieve Vereniging [A][A],

Coöperatieve Vereniging [B][B],

Coöperatieve Vereniging [C][C],

Coöperatieve Vereniging [D][D],

Coöperatieve Vereniging [E][E],

Coöperatieve Vereniging [F][F],

Besloten Vennootschap [G] B.V.[G], en

Coöperatieve Vereniging[H][H], hierna tezamen aangeduid als “belanghebbenden” waarbij de coöperatie verenigingen indien van belang worden aangeduid als de “coöperaties” en de Besloten Vennootschap [G] B.V. als “[G]”,

gemachtigden: mr. N.J. Helder en mr. C.C. Klaui;

en

het productschap.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Zaken AWB 10/475 en 10/609, Hof kenmerk 12/233 en 12/234,

inzake de Coöperatieve Vereniging [A].

1.1.1.

Het productschap heeft bij beschikking gedagtekend 9 juli 2002, belanghebbende erkend als marktdeelnemer in de zin van artikel 8 van Verordening nr. 954/2002 van de Commissie van 4 juni 2002 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor bevroren rundvlees van GN-code 0202 en de producten van GN-code 0206 29 91.

1.1.2.

Bij besluit van 6 augustus 2004 heeft het productschap voormelde erkenning

ingetrokken.

1.1.3.

Het productschap heeft vervolgens bij besluit van 21 februari 2005 de aan

belanghebbende verstrekte invoercertificaten, nummers 43850 en 52422, ingetrokken.

1.1.4.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft het productschap bij uitspraken, gedagtekend 17

december 2009, de besluiten van 6 augustus 2004 en van 21 februari 2005 gehandhaafd.

1.1.5.

Bij uitspraak van 6 februari 2012 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar en de besluiten van 6 augustus 2004 en 21 februari 2005 vernietigd, het productschap veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 254,44 en gelast dat het productschap het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.

1.2.

Zaken AWB 10/476 en 10/610, Hof kenmerk 12/235 en 12/236,

inzake de Coöperatieve Vereniging [B].

1.2.1.

Het productschap heeft bij beschikking gedagtekend 9 juli 2002, belanghebbende erkend als marktdeelnemer in de zin van artikel 8 van Verordening nr. 954/2002 van de Commissie van 4 juni 2002 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor bevroren rundvlees van GN-code 0202 en de producten van GN-code 0206 29 91.

1.2.2.

Bij besluit van 16 juli 2004 heeft het productschap voormelde erkenning

ingetrokken.

1.2.3.

Het productschap heeft vervolgens bij besluit van 21 februari 2005 de aan

belanghebbende verstrekte invoercertificaten, nummers 43849 en 52298, ingetrokken.

1.2.4.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft het productschap bij uitspraken, gedagtekend 17

december 2009, de besluiten van 16 juli 2004 en van 21 februari 2005 gehandhaafd.

1.2.5.

Bij uitspraak van 6 februari 2012 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar en de besluiten van 16 juli 2004 en 21 februari 2005 vernietigd, het productschap veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 254,44 en gelast dat het productschap het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.

1.3.

Zaken AWB 10/477 en 10/611, Hof kenmerk 12/237 en 12/238,

inzake de Coöperatieve Vereniging [C].

1.3.1.

Het productschap heeft bij beschikking gedagtekend 9 juli 2002, belanghebbende erkend als marktdeelnemer in de zin van artikel 8 van Verordening nr. 954/2002 van de Commissie van 4 juni 2002 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor bevroren rundvlees van GN-code 0202 en de producten van GN-code 0206 29 91.

1.3.2.

Bij besluit van 16 juli 2004 heeft het productschap voormelde erkenning

ingetrokken.

1.3.3.

Het productschap heeft vervolgens bij besluit van 21 februari 2005 de aan

belanghebbende verstrekte invoercertificaten, nummers 43846 en 52255, ingetrokken.

1.3.4.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft het productschap bij uitspraken, gedagtekend 17

december 2009, de besluiten van 16 juli 2004 en van 21 februari 2005 gehandhaafd.

1.3.5.

Bij uitspraak van 6 februari 2012 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar en de besluiten van 16 juli 2004 en 21 februari 2005 vernietigd, het productschap veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 254,44 en gelast dat het productschap het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.

1.4.

Zaken AWB 10/480 en 10/612, Hof kenmerk 12/239 en 12/240,

inzake de Coöperatieve Vereniging [D].

1.4.1.

Het productschap heeft bij beschikking gedagtekend 9 juli 2002, belanghebbende erkend als marktdeelnemer in de zin van artikel 8 van Verordening nr. 954/2002 van de Commissie van 4 juni 2002 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor bevroren rundvlees van GN-code 0202 en de producten van GN-code 0206 29 91.

1.4.2.

Bij besluit van 16 juli 2004 heeft het productschap voormelde erkenning

ingetrokken.

1.4.3.

Het productschap heeft vervolgens bij besluit van 21 februari 2005 de aan

belanghebbende verstrekte invoercertificaten, nummers 43844 en 52256, ingetrokken.

1.4.4.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft het productschap bij uitspraken gedagtekend 17

december 2009, de besluiten van 16 juli 2004 en van 21 februari 2005 gehandhaafd.

1.4.5.

Bij uitspraak van 6 februari 2012 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar en de besluiten van 16 juli 2004 en 21 februari 2005 vernietigd, het productschap veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 254,44 en gelast dat het productschap het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.

1.5.

Zaken AWB 10/481 en 10/613, Hof kenmerk 12/241 en 12/242,

inzake de Coöperatieve Vereniging [E].

1.5.1.

Het productschap heeft bij beschikking gedagtekend 9 juli 2002 belanghebbende erkend als marktdeelnemer in de zin van artikel 8 van Verordening nr. 954/2002 van de Commissie van 4 juni 2002 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor bevroren rundvlees van GN-code 0202 en de producten van GN-code 0206 29 91.

1.5.2.

Bij besluit van 16 juli 2004 heeft het productschap voormelde erkenning

ingetrokken.

1.5.3.

Het productschap heeft vervolgens bij besluit van 21 februari 2005 de aan

belanghebbende op 1 augustus 2002 verstrekte invoercertificaten, nummers 43845 en 52251, ingetrokken.

1.5.4.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft het productschap bij uitspraken, gedagtekend 17

december 2009, de besluiten van 16 juli 2004 en van 21 februari 2005 gehandhaafd.

1.5.5.

Bij uitspraak van 6 februari 2012 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar en de besluiten van 16 juli 2004 en 21 februari 2005 vernietigd, het productschap veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 254,44 en gelast dat het productschap het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.

1.6.

Zaken AWB 10/482 en 10/614, Hof kenmerk 12/243 en 12/244,

inzake de Coöperatieve Vereniging [F].

1.6.1.

Het productschap heeft bij beschikking gedagtekend 9 juli 2002 belanghebbende erkend als marktdeelnemer in de zin van artikel 8 van Verordening nr. 954/2002, van de Commissie van 4 juni 2002 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor bevroren rundvlees van GN-code 0202 en de producten van GN-code 0206 29 91.

1.6.2.

Bij besluit van 16 juli 2004 heeft het productschap voormelde erkenning

ingetrokken.

1.6.3.

Het productschap heeft vervolgens bij besluit van 21 februari 2005 de aan

belanghebbende verstrekte invoercertificaten, nummers 43848 en 52311, ingetrokken.

1.6.4.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft het productschap bij uitspraken, gedagtekend 17

december 2009, de besluiten van 16 juli 2004 en van 21 februari 2005 gehandhaafd.

1.6.5.

Bij uitspraak van 6 februari 2012 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar en de besluiten van 16 juli 2004 en 21 februari 2005 vernietigd, het productschap veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 254,44 en gelast dat het productschap het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.

1.7.

Zaken AWB 10/483 en 10/615, Hof kenmerk 12/245 en 12/246,

inzake [G] B.V. te [V].

1.7.1.

Het productschap heeft bij beschikking gedagtekend 9 juli 2002, belanghebbende erkend als marktdeelnemer in de zin van artikel 8 van Verordening nr. 954/2002. Van de Commissie van 4 juni 2002 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor bevroren rundvlees van GN-code 0202 en de producten van GN-code 0206.

1.7.2.

Bij besluit van 16 juli 2004 heeft het productschap voormelde erkenning

ingetrokken.

1.7.3.

Het productschap heeft vervolgens bij besluit van 21 februari 2005 de aan

belanghebbende verstrekte invoercertificaten, nummers 43828 en 52244, ingetrokken.

1.7.4.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft het productschap bij uitspraken, gedagtekend 17

december 2009, de besluiten van 16 juli 2004 en van 21 februari 2005 gehandhaafd.

1.7.5.

Bij uitspraak van 6 februari 2012 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar en de besluiten van 16 juli 2004 en 21 februari 2005 vernietigd, het productschap veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 254,44 en gelast dat het productschap het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.

1.8.

Zaken AWB 10/484 en 10/616, Hof kenmerk 12/247 en 12/248,

inzake de Coöperatieve Vereniging[H].

1.8.1.

Het productschap heeft bij beschikking gedagtekend 9 juli 2002 belanghebbende erkend als marktdeelnemer in de zin van artikel 8 van Verordening nr. 954/2002 van de Commissie van 4 juni 2002 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor bevroren rundvlees van GN-code 0202 en de producten van GN-code 0206 29 91.

1.8.2.

Bij besluit van 16 juli 2004 heeft het productschap voormelde erkenning

ingetrokken.

1.8.3.

Het productschap heeft vervolgens bij besluit van 21 februari 2005 de aan

belanghebbende verstrekte invoercertificaten, nummers 43847 en 52304, ingetrokken.

1.8.4.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft het productschap bij uitspraak, gedagtekend 17

december 2009, de besluiten van 16 juli 2004 en van 21 februari 2005 gehandhaafd.

1.8.5.

Bij uitspraak van 6 februari 2012 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar en de besluiten van 16 juli 2004 en 21 februari 2005 vernietigd, het productschap veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 254,44 en gelast dat het productschap het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.

Hoger beroep

1.9.

Het tegen de onder 1.1. tot en met 1.8. vermelde uitspraken van de rechtbank ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 19 maart 2012, aangevuld bij brief van 13 april 2012. Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend. Per fax van 6 januari 2014 heeft het productschap het Hof geïnformeerd over zijn visie inzake zijn bevoegdheid.

1.10.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

In hoger beroep is op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil, het volgende komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbenden hebben ieder een aanvraagformulier ingediend voor erkenning deelname aan GATT-contingent 09.4003 (overige importeurs/exporteurs). In de aanvraag heeft iedere belanghebbende verklaard niet “verbonden” te zijn als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van Verordening nr. 954/2002 van de Commissie van 4 juni 2002 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor bevroren rundvlees van GN-code 0202 en de producten van GN-code 0206 29 91 (hierna Verordening 954/2002).

2.2.

Het productschap heeft in de erkenning van ieder van de belanghebbenden de volgende passage opgenomen:

“Overigens kunnen de PVE op ieder moment nader onderzoek (laten) verrichten overeenkomstig art. 143 naar eventuele verbondenheid van bedrijven. Wordt verbondenheid aangetoond dan wordt de erkenning alsnog ingetrokken.”

Aan elk van de desbetreffende beschikkingen is een post scriptum toegevoegd, dat luidt:

“P.S. Wat betreft de aan u verstrekte erkenning dient het volgende te worden opgemerkt. De PVE verrichten nog nader onderzoek naar de eventuele “verbondenheid” van uw bedrijf (zie eerder genoemde circulaire). Op de lijst van erkende bedrijven, welke heden aan de Commissie is verstuurd, is hiervan melding gedaan overeenkomstig art. 9, lid 4 van Verordening (EG) 954/2002.”

2.3.

De belanghebbenden hebben ieder aanvragen ingediend voor invoercertificaten voor bepaalde hoeveelheden rundvlees, waarna aan ieder van hen diverse invoercertificaten zijn toegewezen.

2.4.

Tot de gedingstukken behoort een memo op briefpapier van het productschap waarin, voor zover van belang, het volgende staat vermeld:

“De opsporingsdiensten zullen, gezien hun onderzoek en expertise op dit gebied, niet tot een andere conclusie komen dan dat er van verbondenheid sprake is, gezien o.a. het gestelde onder e en f in artikel 143, resp. te weten:

• dat één van de rechtspersonen de ander, rechtstreeks of zijdelings, controleert

• dat beide rechtspersonen, rechtstreeks of zijdelings, worden gecontroleerd door een derde (rechts)persoon.

Indien dit leidt tot in-/navordering, dan vindt dit plaats door de Douane.”

2.5.

Bij brief van 19 februari 2003 heeft het productschap de Algemene Inspectie Dienst verzocht een onderzoek in te stellen naar, voor zover hier van belang, de mogelijke verbondenheid in de zin van artikel 143, van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (hierna: UCDW).

2.6.

Bij brief van 27 maart 2003 heeft het Europees bureau voor fraudebestrijding, OLAF, de Algemene Inspectie Dienst verzocht mogelijke verbondenheid van Nederlandse aanvragers van invoercertificaten voor deelcontingenten voor de invoer van rundvlees in het kader van de Verordening te onderzoeken. OLAF verwijst in dit verband naar gedetailleerde berichtgeving in de Nederlandse pers, met name de Financiële Telegraaf van 22 maart 2003.

2.7.

Naar aanleiding van het verzoek van OLAF en van het productschap heeft de Algemene Inspectiedienst West Nederland (hierna: de AID) een rapport uitgebracht inzake onder meer de verbanden tussen de betrokken coöperaties. Het Hof verwijst naar het tot de gedingstukken behorende rapport waarin onder meer gegevens zijn opgenomen aangaande de diverse door de belanghebbenden verrichte transacties, de behaalde brutowinstmarges, de gesloten verzekeringen en de gestelde zekerheden. In dit rapport is onder meer het volgende opgenomen:

5. Juridische structuur en historie coöperaties

De structuur en de historie van de genoemde zeven cooperaties (marktdeelnemers) is als volgt:

Deze informatie is medio 2002 door [G] BV aan het P.V.E. doorgegeven, ten bewijze dat de cooperaties, sinds 01/05/2002, geen verbondenheid meer kenden met [G] BV.

Deze verstrekte gegevens zijn door ons geverifieerd bij de diverse Kamers van Koophandel en daar werden de verstrekte inschrijvings- en mutatiegegevens bevestigd.

(…)

8 Verbanden tussen alle coöperaties

Tijdens de controle blijken er opmerkelijke overeenkomsten tussen de zeven coöperaties te bestaan. Het blijkt dat de coöperaties dezelfde werkwijze hebben en dat op eenzelfde tijdstip dezelfde handelingen plaatsvinden. In dit kader kunnen de navolgende punten worden genoemd:

1.) alle coöperaties kennen hetzelfde verleden; zij zijn op dezelfde dag (01/05/2002) afgesplitst/verzelfstandigd van hun oorspronkelijke leden ([G] B.V. en[G] N.V.). Deze afsplitsing/verzelfstandiging is op dezelfde dag (26/04/2002) en op dezelfde lokatie ([X]) tijdens opvolgende vergaderingen besloten. Na afsplitsing van [G]. is de werkwijze voortgezet, (het verkrijgen van certificaten vereist op basis van Vo(EEC)954/2002 dat de transacties nu daadwerkelijk via de coöperaties, en dus ook via de boekhouding van de coöperaties lopen.) Tot mei 2002 werden de transacties bij alle coöperaties meegenomen in de boekhouding van [G] B.V.

2.) alle coöperaties houden zich uitsluitend met exact dezelfde handel bezig; nl. de in- en verkoop en de import van bevroren GATT-rundvlees i.h.k.v. Vo(EEG) 954/2002, de in- en verkoop en de import van vers GATT-rundvlees i.h.k.v. Vo(EEG) 936/1997, en de in- en verkoop en de import van zuivelproducten i.h.k.v. Vo(EEG) 2535/2001.

3.) de coöperaties verwijzen bij de import van bevroren GATT-rundvlees diverse malen naar dezelfde leveranciers, inkoopcontractnummers, namen van zeeschepen en containernummers, (zie hiervoor transactiedetails onder 7.2.1 t/m 7.2.7)

4.) alle nieuwe bestuurders/leden van de coöperaties besteden hun feitelijke werkzaamheden bij inkoop, verkoop, import, opslag, vervoer en administratie uit. Daarbij kiezen zij allen voor dezelfde ondernemingen ([G] B.V., [I] BV, [J]), terwijl de administratie van de overige bedrijven van de bestuurders/leden van de coöperaties niet door [J] worden uitgevoerd.

5.) de zekerheidstelling van € 1.590.000,- ten behoeve van het P.V.E., is voor alle coöperaties op dezelfde dag gesteld door[bank], waarbij [G] B.V. voor alle coöperaties feitelijk borg staat.

6.) in alle gevallen (m.u.v. enkele transacties van [K] W.A.) verkopen de coöperaties het bevroren GATT- rundvlees door aan [G] B.V., tegen een niet-zakelijke prijs. Bij de eerste transacties in 2002 berekenen alle coöperaties geen bruto- winstopslag; deze handelwijze komt overeen met de handelwijze over 2000 en 2001, toen de coöperaties nog niet 'verzelfstandigd' waren en bestuurd werden door dhr.[Y] en mevr.[Z]. Op hetzelfde moment in 2002 gaan alle coöperaties een (minimale) brutowinstopslag berekenen.

7.) alle coöperaties ontvangen voor het 'in gebruik geven' van hun GATT-rechten een 'bestuursvergoeding'. Bij geen enkele coöperatie is schriftelijk vastgelegd, middels notulen, wanneer en hoe dit bepaald is.

8.) Alle coöperaties hebben op dezelfde dag een tweetal bankrekeningen geopend bij de [bank]. Bij alle coöperaties wordt voorafgaand aan de transacties 500 EURO op hetzelfde tijdstip door [G] B.V. op de EURO-bankrekening van de coöperatie gestort. Dit bedrag is steeds als 'bank charges' in de boekhouding opgenomen; een kostenfactuur hiervan is niet aangetroffen.

9.) aan alle coöperaties wordt op hetzelfde moment door [G] B.V. een 'marge' betaald.

10.) alle nieuwe leden van de coöperaties zijn het overeengekomen 'inleggeld' van 9.000 Euro t.o.v. de coöperatie nog altijd verschuldigd.

11.) Zoals aangegeven onder punt 7.6 van dit rapport wordt bij de aan- en verkoop van producten van leverander[O] in de purchase confirmations en de commercial invoices verwezen naar een contractnummer. Dit contractnummer verwijst naar een eerder door[O] verstuurde sales confirmation. Deze werkwijze vindt bij alle coöperaties plaats. Uit de diverse aangetroffen sales confirmations blijkt dat de producten aan [G] B.V. waren verkocht.

12.) Op 13 januari 2003 vindt bij alle coöperaties (m.u.v.[K]) eenzelfde transactie bevroren rundvlees plaats; het restant van de certificaathoeveelheid welke nog niet ingevoerd is, wordt door de coöperatie aangekocht bij [G] B.V., welke het direct weer afneemt. De coöperatie berekent de gebruikelijke geringe bruto-marge.

13.) Zoals aangegeven in hoofdstuk 7 van dit rapport worden er door de coöperaties in 2002 ook zuiveltransarties (Vo(EEG)2535/0l) gedaan. Op deze zuiveltransacties wordt geen bruto- winstmarge berekend. De transacties zijn op dezelfde dagen gefactureerd voor dezelfde hoeveelheden en voor hetzelfde bedrag.

Aankoop vindt altijd plaats bij[P 2] B.V. De afnemer is altijd [Q] B.V. Uit de gesprekken met enkele bestuurders van coöperaties bleek ons dat deze bestuurders deze zuiveltransacties niet of nauwelijks kenden.

14.) Zes coöperaties hebben bij notariële akte van 29/08/2003 een statuten- en naamswijziging ondergaan, waarbij verder de aansprakelijkheid is omgezet van W.A. naar U.A. Bij de laatste coöperatie is de omzetting nog niet doorgevoerd.

15.) Zoals aangegeven onder punt 7.7 van dit rapport is er bij diverse bestuurders van coöperaties onduidelijkheid over de verzekering van de producten tijdens transport. Door ons is in de administratie van de coöperaties over 2002 nergens een verzekering (geen polisblad noch premiekosten) aangetroffen. Hierover zijn door ons vragen gesteld. Later werd er vastgesteld dat er op 12 augustus 2003 door alle coöperaties met terugwerkende kracht tot 01/01/2003 een transportverzekering afgesloten was bij dezelfde verzekeringsmaatschappij[naam].

16.) Zoals eerder in dit rapport aangegeven zijn er geen notulen van vergaderingen. Ook op diverse andere momenten tijdens de controle is gevraagd om correspondentie, mailverkeer en vastleggingen van telefonische besprekingen; er blijkt geen enkele schriftelijke vastlegging te zijn.

Uit bovenstaande en uit verklaringen van dhr. K. Ockenburg van [G] B.V. en de bestuurders van diverse coöperaties blijkt dat de coöperaties zelf niet actief zijn bij de in- en verkoop, de invoer, het vervoer en de opslag van het bevroren GATT-rundvlees en het voeren van de administratie.

Deze werkzaamheden worden, namens de coöperaties, verricht door [G] B.V., [I] B.V. en[J].

[G] B.V. zou gebruik maken van de GATT-rechten van de coöperaties, en daarvoor een vergoeding betalen.

[G] B.V. regelt de in- en verkopen, waarbij de beslissing bij de coöperatie zou liggen.

Gezien het feit dat genoemde afspraken niet schriftelijk zijn vastgelegd is dit laatste voor ons niet controleerbaar.

Uit de gesprekken met de bestuurders van de coöperaties blijkt dat deze niet goed op de hoogte zijn van de dagelijkse gang van zaken binnen hun coöperatie.

Voordat een contractprijs tot stand komt zou altijd telefonisch overleg met de coöperatie plaatsvinden. Hiervan wordt niets vastgelegd.

Ook dit is voor ons niet controleerbaar.

Het is ons inziens niet logisch dat alle coöperaties bij de eerste transacties geen bruto- winstmarge berekenen, maar het GATT-rundvlees voor dezelfde prijs doorverkopen aan [G] B.V., en het is, gezien de bijkomende administratieve kosten voor [J]., zakelijk ook niet logisch als de coöperaties hiermee telefonisch akkoord zouden zijn gegaan.

Gezien het feit dat de bruto-winstmarge bij de eerste transacties geheel en later vrijwel geheel terecht komt bij [G] B.V., en het feit dat [G] B.V. altijd (m.u.v. enkele transacties van [K] W.A.) de afnemer van het GATT- rundvlees is, lijkt dit te duiden op een overheersende invloed van [G] B.V. t.o.v. de coöperaties op het terrein van afzet en prijszetting.

Gezien het feit dat er opmerkelijk veel overeenkomsten bestaan in de werkwijze, de in- en verkoopprijzen en de afzet van de coöperaties, met name het feit dat alle coöperaties bij de eerste transacties geen bruto-winstmarge berekenen en allen op hetzelfde moment een bruto- winstmarge berekenen lijkt er sterk op te duiden dat [G] B.V. feitelijk, al dan niet namens de coöperatie(s), de leiding in handen heeft bij het in- en verkoopbeleid, inclusief het bepalen van de in- en verkoopprijzen, en de afzet van het rundvlees.

De beslissende rol van de coöperaties op de in- en verkoopprijzen is niet middels schriftelijke bescheiden aantoonbaar.

De bestuurders van de coöperaties geven aan geen contacten te onderhouden met andere coöperaties. Tijdens ons onderzoek is hier ook niets van gebleken.

Vastgesteld kan worden dat de zeven coöperaties, die duidelijk aangeven elkaar niet te kennen en op geen enkele wijze contact met elkaar hebben, toch exact dezelfde werkwijze hebben.

Ook op belangrijke beslispunten (zie ook punt 8. van dit rapport), wordt in elke coöperatie op hetzelfde moment een zelfde beslissing genomen. Het is uitgesloten dat de bestuurders van de zeven coöperaties, waarvan zojuist is vastgesteld dat zij nauwelijks bemoeienis hebben met de werkzaamheden, op dezelfde momenten dezelfde beslissingen nemen en afspraken maken.

Uit de jaarrekeningen van de coöperaties is vastgesteld dat geen enkele coöperatie zelfstandig in staat is de vereiste zekerheid van € 1.590.000,- ten behoeve van het P.V.E. te stellen. Deze zekerheid wordt feitelijk voor rekening en risico door [G] B.V. gesteld. Deze betaalt ook de bankprovisie.

Hierdoor maakt [G] B.V. het feitelijk voor de coöperaties mogelijk om de aanvraag voor het invoercertificaat in te dienen, en dientengevolge daadwerkelijk rundvlees i.h.k.v. Vo(EEG)954/2002 met gebruikmaking van het tariefcontingent in te voeren.”

2.8.

In een brief aan de AID van 6 november 2003 merkt het productschap in reactie op het rapport van de AID onder andere het volgende op:

“De concluderende 16 punten van het concept-rapport worden door het inspectieteam aangemerkt als verbanden tussen alle betrokken coöperaties. Op basis van de praktijkervaring die de PVE in deze hebben zijn de PVE van mening dat bepaalde verbanden die worden gelegd, binnen de sector als zeer gangbaar gelden en dat men zich derhalve af moet vragen in hoeverre deze verbanden ten grondslag kunnen worden gelegd aan een eventuele conclusie dat sprake is van ongeoorloofde verbondenheid tussen de coöperaties.”

(…)

5. Bij punt 11 zou het kunnen zijn dat het importbedrijf in eerste instantie prijsafspraken maakt met een leverancier. Er zijn tenslotte sales conformations op naam van de coöperaties. (…)

Bij de punten 2, 6 en 7 worden respectievelijk de activiteiten en de vergoedingen behandeld. De PVE maken uit het rapport op dat er verschillen zijn tussen de coöperaties in omvang van de activiteiten en de hoogte van de vergoedingen. De vergoedingen variëren tussen de coöperaties van pakweg 12.000 Euro tot 30.000 Euro. Hieruit zou ook de conclusie getrokken kunnen worden dat de coöperaties wel degelijk een zekere invloed hebben op hoeveelheden en prijzen.

Uit verklaringen van betrokkenen van de coöperaties blijkt ook dat zij van het importbedrijf een complete transactie aangeboden krijgen waarop zij zelf kunnen beslissen of die kan worden uitgevoerd of niet. Hieruit kan ook de conclusie worden getrokken dat niet N.V.C. maar de coöperatie uiteindelijk bepaalt welke zaken er gedaan worden. Het feit dat dit niet op papier vastligt is mogelijk niet relevant als beide partijen verklaren dat het wel zo is.

(…)

6. Gelet op de hierboven besproken omstandigheden en achtergronden stellen de PVE zich de vraag of deze verbanden onverkort kunnen bijdragen aan de eventuele conclusie dat er in deze zaak sprake is van (ongeoorloofde) verbondenheid.”

2.9.

Naar aanleiding van het rapport van de AID heeft het productschap de erkenning van de belanghebbenden ingetrokken vanwege verbondenheid als bedoeld in artikel 143 van het UCDW.

2.10.

Het productschap heeft de aan de belanghebbenden verstrekte invoercertificaten ingetrokken en vervangen door gewone invoercertificaten.

2.11.

De inspecteur van de Belastingdienst/Douane, heeft aan de belanghebbenden uitnodigingen tot betaling van douanerechten uitgereikt. De belanghebbenden hebben daartegen bezwaar gemaakt, welke bezwaren in afwachting van de uitkomst van de onderhavige procedure zijn aangehouden.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of de besluiten waarbij de belanghebbenden zijn erkend als marktdeelnemer terecht zijn ingetrokken alsmede of de daarmee samenhangende invoercertificaten terecht zijn ingetrokken.

Met name is in geschil of er sprake is van verbondenheid als bedoeld in artikel 143 van het UCDW, hetgeen het productschap stelt en belanghebbende weerspreekt.

Zo het gelijk inzake de verbondenheid aan belanghebbende is, is niet in geschil dat de besluiten inzake de erkenningen ten onrechte zijn ingetrokken alsmede dat de invoercertificaten ten onrechte zijn ingetrokken.

Zo het gelijk inzake de verbondenheid aan het productschap is, is in geschil of de Verordening 954/2002 de ruimte biedt de besluiten inzake de erkenning in te trekken en zo dat het geval is, of het productschap door de intrekking in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel dan wel het vertrouwensbeginsel..

3.2

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken waaronder het proces-verbaal van de zitting.

3.3.

De relevante bepalingen luiden als volgt.

Verordening 954/2002

Artikel 8

Aanvragen voor invoercertificaten voor deelcontingent II, in totaal 26 500 ton, mogen alleen worden ingediend door marktdeelnemers die daartoe vooraf zijn erkend door de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar zij in het BTW-register zijn ingeschreven. Die autoriteit kan aan elke erkende marktdeelnemer een erkenningsnummer toekennen.

Artikel 9

1. Marktdeelnemers kunnen worden erkend indien zij daartoe uiterlijk op 14 juni 2002 een verzoek indienen bij de bevoegde autoriteit, welk verzoek vergezeld dient te gaan van bewijsstukken waaruit blijkt dat zij:

  1. in 2000 en 2001 voor eigen rekening een handelsactiviteit hebben uitgeoefend als importeur van rundvlees van de GN-codes 0201, 0202 of 0206 29 91 naar de Gemeenschap of als exporteur van dergelijk vlees uit de Gemeenschap,

  2. in het kader van deze activiteit:

— in de loop van de beide betrokken jaren ten minste 100 ton rundvlees, uitgedrukt in productgewicht, hebben ingevoerd, of

— in de loop van de beide betrokken jaren ten minste 220 ton rundvlees, uitgedrukt in productgewicht, hebben uitgevoerd, in ten minste twee verrichtingen per jaar.

Marktdeelnemers die op 1 januari 2002 niet meer werkzaam zijn in de rundvleessector, komen wat dit deelcontingent betreft niet voor erkenning in aanmerking.

2. Als bewijs dat invoer of uitvoer heeft plaatsgevonden gelden uitsluitend douanedocumenten betreffende invoer tot verbruik of uitvoerdocumenten die door de douaneautoriteiten naar behoren zijn geviseerd.(…) De lidstaten mogen door de bevoegde instanties gecertificeerde afschriften van de bovengenoemde documenten accepteren. Voor de doeleinden van lid 1, onder a) en b), kan rundvlees dat als referentiehoeveelheid voor deelcontingent I is gebruikt, ook worden aangegeven als referentiehoeveelheid in het kader van deelcontingent II.

3. De lidstaten moeten de geldigheid van de ingediende documenten onderzoeken en controleren.

4. De lidstaten moeten in gevallen waarbij in het in lid 2 bedoelde bewijs van invoer of uitvoer twee of meer aanvragers zijn ingevuld met hetzelfde postadres, of wanneer de aanvragers ten tijde van de aanvraag voor BTW-doeleinden op hetzelfde postadres waren ingeschreven, of wanneer zij andere ernstige redenen hebben om te vermoeden dat marktdeelnemers met elkaar verbonden zijn, controleren of die aanvragers met elkaar verbonden zijn in de zin van artikel 143 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie. Wanneer vervolgens aan het licht komt dat de aanvragers met elkaar verbonden zijn, worden alle betrokken aanvragen afgewezen.

De lidstaten houden de Commissie op de hoogte van alle gevallen waarin dit lid is toegepast, en van het resultaat van de controle.

5. Een bedrijf dat een aanvraag om erkenning indient en dat is voortgekomen uit een fusie tussen andere bedrijven die elk overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 rechten op invoer hadden, krijgt dezelfde rechten als die voormalige bedrijven.

Artikel 10

1. De bevoegde autoriteit deelt de aanvragers vóór 10 juli 2002 mee wat de uitkomst is van de erkenningsprocedure, en tegelijkertijd moet zij de Commissie een lijst toezenden met de namen en adressen van de erkende marktdeelnemers.

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de erkenning is gebaseerd op vervalste documenten, wordt deze erkenning alsmede elk voordeel dat daaruit reeds is voortgevloeid, ingetrokken.

Agreement on Implementation of Article VII of the General Agreement on Tariffs and Trade 1994

Article 15

(…)

4. For the purposes of this Agreement, persons shall be deemed to be related only if:

( a) they are officers or directors of one another's businesses;

( b) they are legally recognized partners in business;

( c) they are employer and employee;

( d) any person directly or indirectly owns, controls or holds 5 per cent or more of the

outstanding voting stock or shares of both of them;

( e) one of them directly or indirectly controls the other;

( f) both of them are directly or indirectly controlled by a third person;

( g) together they directly or indirectly control a third person; or

( h) they are members of the same family.

Article 18

Institutions

1. There is hereby established a Committee on Customs Valuation (referred to in this Agreement as "the Committee") composed of representatives from each of the Members. The Committee shall elect its own Chairman and shall normally meet once a year, or as is otherwise envisaged by the relevant provisions of this Agreement, for the purpose of affording Members the opportunity to consult on matters relating to the administration of the customs valuation system by any Member as it might affect the operation of this Agreement or the furtherance of its objectives and carrying out such other responsibilities as may be assigned to it by the Members. The WTO Secretariat shall act as the secretariat to the

Committee.

2. There shall be established a Technical Committee on Customs Valuation (referred to in this Agreement as "the Technical Committee") under the auspices of the Customs Co-operation Council (referred to in this Agreement as "the CCC"), which shall carry out the responsibilities described in Annex II to this Agreement and shall operate in accordance with the rules of procedure contained therein.

ANNEX I

INTERPRETATIVE NOTES

(…)

Note to Article 15

Paragraph 4

For the purposes of Article 15, the term "persons" includes a legal person, where appropriate.

Paragraph 4(e)

For the purposes of this Agreement, one person shall be deemed to control another when the

former is legally or operationally in a position to exercise restraint or direction over the latter.

ANNEX II

TECHNICAL COMMITTEE ON CUSTOMS VALUATION

1. In accordance with Article 18 of this Agreement, the Technical Committee shall be established under the auspices of the CCC with a view to ensuring, at the technical level, uniformity in interpretation and application of this Agreement.

Explanatory Note 4.1. van het Technical Committee

(…)

11. The remaining provision of Article 15.4 defining relationships is that of 15.4 (e) wherein one person directly or indirectly controls the other. The Interpretative Note to Article 15.4 (e) provides that 'for the purposes of this Agreement, one person shall be deemed to control another when the former is legally of operationally in a position to exercise restraint of directions over the latter'.

12. Obviously, caution must be exercised in this respect to ensure that unintended results do not occur through improper interpretations of this provision when considering the terms and conditions of contracts which have been freely entered into by otherwise unrelated parties. The examples given in paragraphs 6 and 7 above represent situations wherein the terms and conditions of the contracts are weighted in favor of one party over the other and the former would be legally in a position to enforce its contractual rights over the latter. However, in any contract, verbal of written, even of the most simple type, one party is always in a position to specify certain rights, obligations and other expectations which are legally enforceable on the other.

13. For example, in a basic contract to deliver at a given price, both parties have an expectation that their legal rights and obligations will be honoured, that is, one must deliver and one must pay a certain price. This, however, would not create a relationship under Article 15.4 (e). Even in a more complex contractual arrangement where the seller, because of royalty payments on the imported goods, has the right to establish and audit the accounting systems the importer must use to account for the royalties, the exercise of this right would not in itself create a relationship under Article 15.4 (e).

14. It can be concluded that it is not the intent of the Agreement to create a relationship out of every contract or agreement which of their very nature establish legal rights or obligations enforceable under national laws. Therefore, the wording of the Interpretative Note to Article 15.4 (e) must normally be taken to apply to situations which go beyond usual buyer/seller or distribution arrangements and involve a position to exercise restraint or direction in respect of essential aspects relating to the management of the activities of the other person.

15. The considerations of control and the existence of a position to exercise restraint or direction requires the determination of questions of fact and degree which must be based on the particulars of each individual situation.

Verordening (EG) nr. 2454/93 (hierna: UCDW)

Artikel 143, lid 1, onderdelen e en f

1.Voor de toepassing van het bepaalde in titel II, hoofdstuk 3, van het wetboek en in de bepalingen van de onderhavige titel worden personen slechts geacht te zijn verbonden indien:

(…)

e) één van hen de ander, rechtstreeks of zijdelings, controleert;

f) beiden, rechtstreeks of zijdelings, worden gecontroleerd door een derde persoon;

Bijlage 23 bij het UCDW. Aantekeningen voor de interpretatie van de douanewaarde

Artikel 143, lid 1, onder e

Een persoon wordt geacht een andere persoon te controleren, indien de eerstgenoemde wettelijk of feitelijk in staat is om ten opzichte van laatstgenoemde dwang of leiding uit te oefenen.

4. De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbenden op schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en schending van het evenredigheidsbeginsel verworpen en heeft voorts overwogen:

“Schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel

4.12.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat uit de Verordening kan worden afgeleid dat de erkenning van een marktdeelnemer niet met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken. Artikel 10, tweede lid, van de Verordening biedt slechts de bevoegdheid om de erkenning achteraf in te trekken indien vervalste documenten zijn overgelegd. Indien de Verordening wel de mogelijkheid biedt om een erkenning achteraf in te trekken, levert dit gelet op het verloop van de discussie tussen partijen strijd op met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Verweerder stelt zich op het tegenovergestelde standpunt.

4.13.1.

Artikel 9, vierde lid, van de Verordening luidt als volgt:

“De lidstaten moeten in gevallen waarbij in het in lid 2 bedoelde bewijs van invoer of uitvoer twee of meer aanvragers zijn ingevuld met hetzelfde postadres, of wanneer de aanvragers ten tijde van de aanvraag voor BTW-doeleinden op hetzelfde postadres waren ingeschreven, of wanneer zij andere ernstige redenen hebben om te vermoeden dat marktdeelnemers met elkaar verbonden zijn, controleren of die aanvragers met elkaar verbonden zijn in de zin van artikel 143 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie(12). Wanneer vervolgens aan het licht komt dat de aanvragers met elkaar verbonden zijn, worden alle betrokken aanvragen afgewezen.

De lidstaten houden de Commissie op de hoogte van alle gevallen waarin dit lid is toegepast, en van het resultaat van de controle.”

Artikel 10 van de Verordening luidt als volgt:

“1. De bevoegde autoriteit deelt de aanvragers vóór 10 juli 2002 mee wat de uitkomst is van de erkenningsprocedure, en tegelijkertijd moet zij de Commissie een lijst toezenden met de namen en adressen van de erkende marktdeelnemers.

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de erkenning is gebaseerd op vervalste documenten, wordt deze erkenning alsmede elk voordeel dat daaruit reeds is voortgevloeid, ingetrokken.”

4.13.2.

De rechtbank is met eiseres van oordeel dat uit de tekst en de context van de Verordening volgt dat intrekking van een erkenning achteraf slechts kan plaatsvinden indien sprake is van vervalste documenten. Uit de overige taalversies van de Verordening kan worden afgeleid dat ‘frauduleuze documenten’ eveneens een grondslag vormen om een erkenning achteraf in te trekken. Deze opvatting past naar het oordeel van de rechtbank binnen het marktordeningssysteem van de Europese Unie, waar met het oog op de internationale verplichtingen binnen de GATT controle vooraf effectiever is dan het achteraf ontnemen van een erkenning. Hierop bestaan twee uitzonderingen: fraude en misbruik.

4.13.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres geen fraude heeft gepleegd. Gelet op hetgeen eiseres, zoals zij geloofwaardig heeft verklaard, had begrepen van de strekking van de voorwaarde dat zij niet met andere aanvragers verbonden mocht zijn, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring die eiseres bij haar aanvraag heeft overgelegd, geen vervalste of frauduleuze verklaring is. Dit oordeel vindt voorts steun in het advies dat eiseres op verzoek van verweerder heeft ingewonnen.

4.13.4.

Het is vaste jurisprudentie dat een voordeel dat is toegekend in strijd met strekking en doelstelling van het Unierecht wordt teruggenomen indien sprake is van misbruik. Anders dan de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft aangevoerd, bevat Verordening nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen een antimisbruikbepaling. Artikel 4, derde lid, van Verordening 2988/95 luidt als volgt:

“Wanneer vaststaat dat handelingen tot doel hebben om, door kunstmatig de voorwaarden te scheppen die voor het verkrijgen ervan nodig zijn, een voordeel te verkrijgen dat in strijd is met de doelstellingen van het ter zake toepasselijke Gemeenschapsrecht, wordt, naar gelang van het geval, dit voordeel niet toegekend of wordt het ontnomen.”

4.13.5.

De rechtbank komt evenwel tot het oordeel dat geen sprake is van misbruik, omdat niet aan een belangrijke voorwaarde voor toepassing van dit leerstuk is voldaan. Uit hetgeen namens eiseres ter zitting is verklaard omtrent de beweegredenen om de personele banden tussen onder anderen eiseres en [G] B.V. te verbreken, volgt dat het wezenlijke doel van eiseres niet was om ten laste van de eigen middelen van de Europese Unie een voordeel te verkrijgen waarop zij geen recht had, maar om haar voortbestaan veilig te stellen door middel van verzelfstandiging en daarop volgend de opbouw van haar bedrijfsactiviteiten met, in de opstartfase, steun van [G] B.V. Het bemachtigen van een contingent op basis van de Verordening was, vanwege de lage winstmarges die in de branche worden behaald, een absolute voorwaarde om handel te kunnen drijven. Het waren dus overwegend beweegredenen van bedrijfseconomische aard die aanleiding vormden voor de verzelfstandiging van eiseres. Hierbij heeft de rechtbank belang gehecht aan de wijze waarop de verzelfstandiging heeft plaatsgevonden, namelijk in alle openheid en in overleg met verweerder.

4.13.6.

De rechtbank is gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, van oordeel dat het beroep van eiseres op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt.

4.14.

Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd, hoeft geen bespreking. Dit laatste geldt ook voor het verzoek van eiseres om, ten overvloede, in te gaan op de verjaring van de mogelijkheid van verweerder om opnieuw gelijkluidende besluiten te nemen, nu uit het oordeel van de rechtbank volgt dat verweerder geen juridische basis had om de bestreden besluiten te nemen.”

5 Beoordeling van het geschil

Verbondenheid

5.1.

Ter zitting van het Hof hebben partijen het geschil aldus gepreciseerd dat dient te worden vastgesteld of tussen de belanghebbenden sprake is van verbondenheid in de zin van artikel 143, lid 1, onderdelen e en/of f, van het UCDW. Ingeval geen sprake is verbondenheid in de zin van evenvermeld artikel is niet in geschil dat de erkenning ten onrechte is ingetrokken alsmede dat de verstrekte invoercertificaten ten onrechte zijn ingetrokken. De UTB’s zijn alsdan eveneens ten onrechte uitgereikt, aldus partijen.

5.2.

Tussen partijen is aldus niet in geschil dat lid 1, onderdelen a tot en met d en onderdeel h, van artikel 143 UCDW niet meebrengen dat sprake is verbondenheid. Het Hof volgt partijen in dezen nu dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en gesteund wordt door de feiten.

5.3.

Ingevolge artikel 143, lid 1, onderdelen e en f, van het UCDW worden personen geacht verbonden te zijn indien - voor zover hier van belang - één van hen de ander, rechtstreeks of zijdelings controleert dan wel beiden rechtstreeks of zijdelings worden gecontroleerd door een derde persoon. Het productschap stelt dat dit het geval is omdat [G] de betrokken coöperaties controleert, doch de belanghebbenden betwisten dit. Het productschap verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar het rapport van de AID. Uit dit rapport blijkt, aldus het productschap, onomstotelijk dat [G] en de betrokken coöperaties als dergelijke verbonden ondernemingen actief waren.

5.4.

Artikel 143 van het UCDW vormt de implementatie van - in origine - artikel 15, lid 4, van het Agreement on Implementation of Article VII of the General Agreement on Tariffs and Trade 1994 (hierna: het Agreement), zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven. In dit artikel zijn opgenomen de criteria voor de beoordeling of personen verbonden zijn in de zin van het Agreement. De onderdelen e en f van artikel 15, betreffen de met artikel 143, lid 1, onderdelen e en f, van het UCDW corresponderende criteria inzake de (mogelijke) verbondenheid.

5.5.

Het Technical Committee, ingesteld op grond van artikel 18 van het Agreement, heeft in Annex I bij het Agreement toegelicht dat “for the purposes of this Agreement, one person shall be deemed to control another when the former is legally or operationally in a position to exercise restraint or direction over the latter.” In Bijlage 23 bij het UCDW is met betrekking tot artikel 143, lid 1, onderdeel e, UCDW een gelijkluidende toelichting opgenomen te weten dat een persoon geacht wordt een andere persoon te controleren, indien de eerstgenoemde wettelijk of feitelijk in staat is om ten opzichte van laatstgenoemde dwang of leiding uit te oefenen.

5.6.

In de Explanatory Note 4.1. heeft het Technical Committee een toelichting opgenomen op artikel 15, lid 4, van het Agreement, in het kader van een uniforme toepassing van het Agreement, zoals weergegeven onder 3.3. Volgens deze toelichting is, kort gezegd, sprake van controleren in evenbedoelde zin indien geen sprake meer is van een normale koper/verkoper relatie; de relatie moet buiten deze kaders treden en er moet dwang of leiding kunnen worden uitgeoefend met betrekking tot de bedrijfsvoering van de ander. Vervolgens zal aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld of sprake is van dwang of leiding als hier bedoeld.

5.7.

In de onderhavige situatie is er naar het oordeel van het Hof sprake van een niet onbetekenende invloed van [G] op de aard en de voorwaarden van de door de coöperaties gesloten transacties. Een dergelijke omstandigheid doet zich vaker voor in de relatie tussen een leverancier van goederen en een belangrijke of zelfs enige afnemer van die goederen en vloeit voort uit de positie die de verschillende partijen op de markt bekleden. Die omstandigheid rechtvaardigt naar het oordeel van het Hof op zichzelf niet de conclusie dat [G] de coöperaties controleert in de hier bedoelde zin. Een bijzondere machtspositie van een ondernemer in de markt houdt immers niet noodzakelijk in dat met betrekking tot transacties waarbij deze ondernemer partij is, sprake is van een niet normale relatie tussen koper en verkoper.

5.8.

Van controle als hier bedoeld is bij transacties tussen ongelijkwaardige marktdeelnemers als onder 5.7. weergegeven, sprake indien de ene partij de andere partij tot die transacties of andere handelingen kan dwingen of daarbij leiding kan geven aan de andere partij. Naar het oordeel van het Hof doet zich deze situatie hier niet voor. Het Hof acht in dit verband met name van belang dat het de betrokken coöperaties vrijstaat, zoals door belanghebbenden niet weersproken is gesteld en zoals ook uit de stukken van het geding en met name de onder 2.8. weergegeven brief van het productschap blijkt, overeenkomsten met [G] aan te gaan dan wel te weigeren. Feitelijk zijn er ook, aldus hebben belanghebbenden onweersproken gesteld, contracten geweigerd. Voorts worden er door de betrokken coöperaties verschillende prijzen in rekening gebracht aan [G] en ook de behaalde winstmarge verschilt per contract.

5.9.

Uit al het vorenoverwogene volgt dat het gelijk inzake de verbondenheid aan de belanghebbenden is. Alsdan is niet in geschil dat het hoger beroep van het Productschap ongegrond is. De overige stellingen behoeven geen behandeling meer.

Schadevergoeding

5.10.

Belanghebbenden hebben verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de (redelijke) termijn in de bezwaarfase. Dit verzoek ziet zowel op materiële als immateriële schade die uitsluitend het gevolg is van termijnoverschrijding in de bezwaarfase.

Met betrekking tot de immateriële schadevergoeding

5.11.

Het Hof stelt vast dat in geen enkel eerder stadium van deze procedures om een dergelijke vergoeding van schade is verzocht of dat is geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn. Eerst in de hoger beroepsfase, waarbij het hoger beroep is ingesteld door het productschap en niet door belanghebbenden, doen belanghebbenden in de ter zitting voorgedragen pleitnota een verzoek tot vergoeding van schade ten gevolge van termijnoverschrijding in de bezwaarfase.

5.12.

Belanghebbenden voeren aan dat de redelijke termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar met 4,5 jaar is overschreden. Dit brengt mee, aldus belanghebbenden, dat aanspraak bestaat op een schadevergoeding van € 18.000. Het productschap heeft aangegeven hierop niet onmiddellijk adequaat te kunnen reageren, nu zij ter zitting voor het eerst kennis neemt van deze stelling.

5.13.

Nu belanghebbenden eerst ter zitting bij het Hof dit verzoek inbrengen en niet eerder over de termijnoverschrijding in de bezwaarfase hebben geklaagd, en er bovendien nader onderzoek nodig is naar de oorzaken van de overschrijding van deze termijn alvorens hier gevolgen aan te kunnen verbinden, wijst het Hof het verzoek af. Het Hof acht het onder deze omstandigheden in strijd met een goede procesorde om in dit stadium van de hoger beroepsprocedure de zaak te verdagen en nader onderzoek in te stellen, terwijl belanghebbenden geen enkele reden hebben aangevoerd waarom dit verzoek eerst ter zitting in hoger beroep wordt ingebracht.

Met betrekking tot de materiële schadevergoeding

5.14.

Met betrekking tot het verzoek om vergoeding van materiële schade in verband met gemist rendement door de termijnoverschrijding in de bezwaarfase geldt het volgende. Belanghebbenden voeren aan dat [G] voorzieningen heeft getroffen ten laste van haar winst en ten laste van haar eigen vermogen. Deze voorzieningen hebben, aldus belanghebbenden, beslag gelegd op het eigen vermogen dat haar ter beschikking stond als handelskapitaal gedurende (in ieder geval) de periode van 4,5 jaar. Belanghebbenden berekenen het gemiste rendement op € 6.752.218.

5.15.

Afgezien van het moment waarop dit verzoek is gedaan geldt het volgende. Een voorziening als door belanghebbenden bedoeld kan naar het oordeel van het Hof betrekking hebben op de door de belastingdienst gevorderde en nog te vorderen bedragen. In zoverre is mogelijk sprake van schade die voortvloeit uit het opleggen van aanslagen en uitnodigingen tot betaling. Naar het oordeel van het Hof hebben belanghebbenden gelet op hetgeen in de pleitnota en overigens ter zitting is aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat de door belanghebbende gestelde voorziening en de daaruit volgens hen voortvloeiende schade te wijten is aan het enkele intrekken van de erkenning. Een en ander komt ook overeen met hetgeen belanghebbenden ter zitting hebben verklaard namelijk dat er materiële schade voortvloeit uit de uitgereikte uitnodigingen tot betaling. Deze schade valt evenwel buiten het bestek van deze procedure. Het verzoek van belanghebbenden komt ook in zo verre niet in aanmerking voor toewijzing.

Slotsom

5.16.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn de in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) vermelde kosten van door een derde beroepsmatige verleende bijstand.

Het Hof stelt ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit het bedrag van deze kosten in hoger beroep overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 2 (indienen verweerschrift in hoger beroep en verschijnen ter zitting) x 2 (wegingsfactor) x 1,5 wegens samenhang van de zaken x € 487 = € 2.922.

7 Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraken van de rechtbank;

- veroordeelt het productschap in de proceskosten van belanghebbenden in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 2.922;

- bepaalt dat van het productschap per belanghebbende een griffierecht wordt geheven van

€ 466, in totaal € 3728.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.M. Vrouwenvelder, voorzitter, B. A. van Brummelen en D.B. Bijl, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch als griffier. De beslissing is op 20 februari 2014 in het openbaar uitgesproken. Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door de oudste raadsheer.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.