Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5793

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
09-01-2015
Zaaknummer
23-003127-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Krakersdemonstratie in Amsterdam op 1 mei 2012. Betoging op internet aangekondigd, maar er was geen kennisgeving aan de burgemeester van Amsterdam gedaan. Naar het oordeel van het hof was de burgemeester van Amsterdam bevoegd voor de betoging op 1 mei 2012 het voorschrift inzake de gezichtsbedekkende kleding te geven. De aanhouding van de verdachte is niet onrechtmatig geweest. De door de raadsman genoemde uitspraken van de rechtbank Amsterdam leiden niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003127-12

datum uitspraak: 11 juni 2014

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2012 in de strafzaak onder parketnummer 13-850830-12 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

dat hij op of omstreeks 01 mei 2012 te Amsterdam toen een of meer politieambtena(a)r(en) werkzaam bij politieregio Amsterdam Amstelland, belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten een onbekend gebleven persoon als verdacht van overtreding van artikel 184 Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, althans vast had teneinde de voornoemde onbekend gebleven persoon, ten spoedigste te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het Cellencomplex Meer en Vaart, deze door die opsporingsambtenaar ter uitvoering van het bepaalde in artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering ondernomen handeling(en) opzettelijk heeft belet en/of belemmerd en/of verijdeld, door eenmaal of meermalen tegen die politieambtenaren te duwen en/of te trekken en/of de aan te houden persoon vast te pakken en/of vast te houden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan om proceseconomische redenen niet in stand blijven.

Nadere bewijsoverwegingen

De verdachte in deze zaak nam deel aan, althans was aanwezig bij, een betoging van krakers op 1 mei 2012 op het Mercatorplein en de Jan Evertsenstraat in Amsterdam. Door de burgemeester van Amsterdam was tevoren onder andere bepaald dat bij die betoging het dragen van gezichtsbedekkende kleding of middelen, zoals bivakmutsen en helmen, niet was toegestaan. Toen een groot aantal betogers niet voldeed aan het bevel van de politie gezichtsbedekkende kleding af te doen, werd overgegaan tot hun aanhouding. De verdachte werd aangehouden omdat hij zich (fysiek) mengde in de aanhouding van een van de betogers.

De raadsman heeft beoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd:

a. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij heeft belemmerd dat een al aangehouden persoon naar het politiebureau werd overgebracht, terwijl de desbetreffende opsporingsambtenaren hebben gerelateerd dat de verdachte de aanhouding zelf belemmerde. Nu dat niet hetzelfde is en verder bewijs ontbreekt kan het feit niet worden bewezen.

b. De (onbekend gebleven) persoon werd aangehouden omdat hij geweigerd had te voldoen aan het bevel (van de burgemeester) gezichtsbedekkende kleding af te doen. Aangezien de burgemeester niet bevoegd was een dergelijk bevel te geven – hetgeen in andere strafzaken heeft geleid tot vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging – was de aanhouding van de (onbekend gebleven) persoon onrechtmatig en derhalve niet gebaseerd op een wettelijk voorschrift, zoals overeenkomstig artikel 184 Sr aan de verdachte is tenlastegelegd.

c. De identiteit van de persoon die werd aangehouden vanwege zijn gezichtsbedekkende kleding is niet achterhaald, de identiteit van de agenten die hem aanhielden is evenmin bekend en er is geen bewijs dat bedoelde persoon op heterdaad is aangehouden noch dat hij werd, of zou worden, overgebracht naar een plaats van verhoor. Voorts strookt de aanhoudingenkaart betreffende de verdachte niet in alle opzichten met het van de aanhouding opgemaakte proces-verbaal, terwijl dat proces-verbaal dezelfde formuleringen behelst voor wat betreft de aan de verdachte verweten gedragingen als de processen-verbaal van aanhouding van andere verdachten. Op grond hiervan moet worden geconstateerd dat de opsporingsambtenaren niet hebben voldaan aan hun plicht proces-verbaal op te maken op de wijze als bedoeld in artikel 152 Sv, zodat hun proces-verbaal moet worden uitgesloten van het bewijs, en kan voorts niet met zekerheid worden vastgesteld dat de aanhoudingenkaart en het proces-verbaal van aanhouding betrekking hebben op dezelfde persoon noch dat dit de verdachte betreft.

Het hof overweegt omtrent deze verweren als volgt.

Ad a.

Het hof begrijpt de tenlastelegging aldus dat daarin met de term “had aangehouden”, die door het hof wordt gelezen als “hadden aangehouden”, wordt gedoeld op de omstandigheid dat de opsporingsambtenaren de betrokkene hadden medegedeeld dat hij was aangehouden, waarna zij voornemens waren de betrokkene mee te nemen naar het politiebureau. Gelet op deze uitleg en in aanmerking genomen dat de aanhouding van een verdachte in de regel voortduurt totdat deze naar een plaats van verhoor is overgebracht – behoudens bijzondere omstandigheden waarvan ten deze niet is gebleken – is geen sprake van enige tegenstrijdigheid tussen hetgeen is ten laste gelegd en hetgeen door de opsporingsambtenaren is gerelateerd, zodat hun proces-verbaal bruikbaar is voor het bewijs.

Ad b.

De voor de beoordeling van het verweer relevante bepalingen van de Wet openbare manifestaties (WOM) luiden als volgt:

Paragraaf II. Bepalingen voor openbare plaatsen

Artikel 2

De bij of krachtens de bepalingen uit deze paragraaf aan overheidsorganen gegeven bevoegdheden tot beperking van het recht (…) tot vergadering en betoging, kunnen slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en er bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 4

  1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast met betrekking tot de gevallen waarin vore vergaderingen en betogingen op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving is vereist

  2. De verordening voorziet tenminste in:

a. de regels betreffende de gevallen waarin een schriftelijke kennisgeving wordt vereist van degene die voornemens is een vergadering of betoging te houden;

b. de regels betreffende het tijdstip waarop de kennisgeving moet zijn gedaan, de bij de kennisgeving te verstrekken gegevens, en het verstrekken van een bewijs van ontvangst aan degene die de kennisgeving doet.

3. Over de inhoud van de te openbaren gedachten of gevoelens worden geen gegevens verlangd.

Artikel 5

  1. De burgemeester kan naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven.

  2. Een verbod geven kan slechts worden gegeven indien:

a. de vereiste kennisgeving niet tijdig is gedaan;

b. de vereiste gegevens niet tijdig zijn verstrekt;

c. een van de in artikel 2 genoemde belangen dat vordert.

3. Een voorschrift, beperking of gebod kan geen betrekking hebben op de (…) te openbaren gedachten of gevoelens.

4. Beschikkingen als bedoeld in het eerste lid worden zo spoedig mogelijk bekendgemaakt aan degene die de kennisgeving heeft gedaan.

Artikel 6

De burgemeester kan tijdens een (…) vergadering of betoging aanwijzingen geven, die degenen die deze houden of daaraan deelnemen in acht moeten nemen.

Artikel 7

De burgemeester kan aan degenen die een (…) vergadering of betoging houden of daaraan deelnemen opdracht geven deze terstond te beëindigen en uiteen te gaan, indien:

a. de vereiste kennisgeving niet is gedaan, of een verbod is gegeven;

b. in strijd wordt gehandeld met een voorschrift, beperking of aanwijzing;

c. een van de in artikel 2 genoemde belangen dat vordert.

De in artikel 4 WOM bedoelde regels zijn voor wat betreft de gemeente Amsterdam opgenomen in artikel 2.32 en 2.33 van de APV 2008. Artikel 2.32 houdt in, voor zover hier van belang, dat de organisator van een betoging op een openbare plaats de burgemeester van de betoging ten minste 24 uur vóór de aanvang daarvan in kennis stelt. Artikel 2.33 bepaalt dat bij die kennisgeving gebruik wordt gemaakt van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarop specifieke gegevens moeten worden vermeld, en dat de organisator een bewijs van de kennisgeving en het tijdstip waarop deze is gedaan, ontvangt.

De onderhavige betoging betreft een “anarchistische anti-kapitalistische demonstratie” op 1 mei 2012 die op internet was aangekondigd. Vaststaat dat van deze betoging geen kennisgeving aan de burgemeester was gedaan.

De burgemeester heeft op 1 mei 2012 voor deze betoging “Voorschriften en beperkingen van de burgemeester op basis van artikel 5 van de Wet op de Openbare Manifestaties” vastgesteld. Een van die voorschriften hield in dat “het dragen van gezichtsbedekkende kleding of middelen, zoals in ieder geval bivakmutsen en helmen niet is toegestaan”.

De parlementaire geschiedenis van de Wet openbare manifestaties houdt onder meer het volgende in (i.h.b. Kamerstukken II 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 5-7, 9-11, 13, 19-20; 1986-1987, nr. 5, p. 9-10/11; 1987-1988, p. 4-5).

Met de wet is onder meer beoogd nadere regels te stellen met betrekking tot de uitoefening van het recht tot vergadering en betoging. Bij vergaderingen en betogingen op openbare plaatsen is (uiteindelijk) gekozen voor een kennisgevingsstelsel; de inrichting van dat stelsel is aan de gemeenten overgelaten teneinde deze gelegenheid te geven rekening te houden met de lokale noden en praktijken.

Bij de door de burgemeester op grond van artikel 5 WOM te stellen beperkingen wordt een manifestatie “omlijnd”, bijvoorbeeld doordat datum, plaats en groepering worden aangeduid. Bij de te stellen voorschriften gaat het om meer concrete gedragsnormen met het oog op een goed verloop van de manifestatie, zoals het volgen van een bepaalde route, het voorkomen van excessieve geluidsoverlast en het al dan niet laten deelnemen van voertuigen. Indien de vereiste kennisgeving niet tijdig is gedaan, is het aan de burgemeester te bepalen of de manifestatie toch doorgang kan vinden, waarbij hij een ruime beoordelingsmarge heeft. Zo’n manifestatie kan alsnog worden “gelegaliseerd” doordat bijvoorbeeld ter plekke een kennisgeving wordt ingevuld.

De ratio van de vereiste kennisgeving en de bevoegdheid van de burgemeester beperkingen en voorschriften uit te vaardigen, is gelegen in de wenselijkheid op lokaal niveau vooraf controle op de manifestatie te kunnen oefenen, zonder dat deze raakt aan de inhoud van de door de betogers uit te dragen denkbeelden.

Uit voormelde wettelijke bepalingen en de parlementaire geschiedenis valt af te leiden dat de vereiste kennisgeving van een voorgenomen betoging de burgemeester in staat stelt te beoordelen of en, zo ja welke beperkingen en voorschriften daaraan moeten worden verbonden, maar dat die kennisgeving geen (noodzakelijke) voorwaarde is voor het ontstaan van de bevoegdheid terzake van de burgemeester. De tekst van artikel 5 lid 1 WOM dwingt niet tot een andersluidende opvatting, zoals door de raadsman voorgestaan, nu daarin wordt gesproken van de burgemeester die voorschriften en beperkingen kan stellen “naar aanleiding van” een kennisgeving. Een andersluidende opvatting zou bovendien het kennisgevingssysteem illusoir maken doordat het de burgemeester onmogelijk kan worden gemaakt voorafgaand toezicht uit te oefenen door het enkele verzuim van de kennisgeving, hetgeen duidelijk niet de bedoeling van de wetgever is. Voorts zou het bijzonder ongerijmd zijn dat in zo’n geval de burgemeester, aan wie op het gebied van openbare manifestaties veel beleidsruimte is gelaten, wel bevoegd is de betoging te doen beëindigen (artikel 7 WOM), maar niet de betoging aan - voor de deelnemers veel minder verregaande - voorschriften te verbinden.

Dit brengt naar het oordeel van het hof mee dat de burgemeester van Amsterdam bevoegd was voor de betoging op 1 mei 2012 het voorschrift inzake de gezichtsbedekkende kleding te geven. De door de raadsman genoemde uitspraken van de rechtbank Amsterdam leiden niet tot een ander oordeel. Terzijde merkt het hof nog op dat niet aannemelijk is geworden, en evenmin is aangevoerd, dat met voormeld voorschrift inbreuk is gemaakt op het recht tot vergadering en betoging.

Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of in een zaak als de onderhavige de enkele omstandigheid dat het bevel geen gezichtsbedekkende kleding te dragen, naar achteraf zou moeten worden vastgesteld, onbevoegd was gegeven, meebrengt dat de opsporingsambtenaren die de betogers aanhielden ter zake van het niet opvolgen van dat bevel niet handelen op grond van een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 184 Sr.

Ad c.

Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen genoegzaam kan worden afgeleid dat de onbekend gebleven persoon werd aangehouden omdat hij geen gehoor gaf aan het bevel gezichtsbedekkende af te doen en dat die aanhouding na ontdekking van het feit op heterdaad plaatsvond. Voorts staat

voldoende vast dat de verdachte degene is die vervolgens werd aangehouden vanwege het belemmeren van de aanhouding van die eerdergenoemde persoon. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de aan de aanhoudingenkaart gehechte foto, die kennelijk ter plaatse en vlak na de aanhouding is genomen en waarop de aangehouden persoon te zien is, samen met een van de verbalisanten die hem hadden aangehouden. De persoon op die foto vertoont genoeg gelijkenis met foto’s van de verdachte in het dossier om te concluderen dat het om dezelfde persoon gaat. Voorts is door of namens de verdachte in eerste aanleg noch in hoger beroep betwist dat hij degene is die op de foto op de aanhoudingenkaart staat. De door de raadsman genoemde gebreken in de gegevens op de aanhoudingenkaart, zoals het signalement van de aangehouden persoon, kan daaraan niet afdoen, evenmin als de discrepantie tussen de aanhoudingenkaart en het proces-verbaal van aanhouding over het gebruik van handboeien. De omstandigheid dat een niet bij de onderhavige strafzaak betrokken opsporingsambtenaar in een zaak tegen een andere verdachte bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard over de wijze waarop hij achteraf de personalia van een door hem aangehouden persoon vaststelt, leidt evenmin tot een ander oordeel. De stelling tenslotte dat uit de bewijsmiddelen moet blijken dat de agenten die de onbekend gebleven persoon hadden aangehouden, doende waren deze persoon over te brengen naar een plaats van verhoor als bedoeld in artikel 53 Sv, berust op een onjuiste lezing van de tenlastelegging.

Ten aanzien van het op de verbaliseringsplicht van artikel 152 Sv gerichte verweer - waarmee de raadsman kennelijk heeft bedoeld te bepleiten dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv - stelt het hof voorop dat het proces-verbaal van aanhouding enigszins gebrekkig kan worden genoemd. Dat moet evenwel worden beoordeeld tegen de achtergrond van de onderhavige zaak, die erop neerkomt dat sprake was van een betoging van krakers, waaraan vele personen deelnamen, dat door tal van betogers het bevel gezichtsbedekkende kleding af te doen niet werd opgevolgd en dat vervolgens vele aanhoudingen plaatsvonden. Het is niet onbegrijpelijk dat in de hectiek van die situatie door de opsporingsambtenaren die de verdachte aanhielden niet nader is onderzocht wie de eerder aangehouden persoon was en welke agenten hem aanhielden. Ten deze is dan ook veeleer sprake van het niet verder verrichten van nader (opsporings)onderzoek dan van het onvolledig opmaken van proces-verbaal. Het hof onderkent dat daarmee de verdediging op achterstand is gezet, omdat zij geen gelegenheid heeft gehad die personen als getuigen te horen, maar daarin ziet het hof geen grond het proces-verbaal van aanhouding uit te sluiten van het bewijs. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, dan behelst dat bij de geschetste gang van zaken geen - tot bewijsuitsluiting leidende - aanzienlijke schending van artikel 152 Sv. De omstandigheid dat de omschrijving van de litigieuze handelingen van de verdachte in dat proces-verbaal (groten)deels gelijkluidend is aan de omschrijving van de handelingen van andere verdachten in de hen betreffende processen-verbaal, brengt evenmin mee dat aan genoemd proces-verbaal bewijskracht moet worden ontzegd, aangezien het gebruik van standaardformuleringen in processen-verbaal op zichzelf niet problematisch hoeft te zijn, de door de raadsman bedoelde omschrijvingen niet identiek zijn en voor de beschrijving van fysieke handelingen als de onderhavige met een beperkt vocabulaire kan worden volstaan.

Het voorgaande brengt mee dat alle verweren worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

dat hij op 1 mei 2012 te Amsterdam, toen politieambtenaren werkzaam bij politieregio Amsterdam Amstelland, belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten een onbekend gebleven persoon als verdacht van overtreding van artikel 184 Wetboek van Strafrecht, op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden teneinde voornoemde onbekend gebleven persoon ten spoedigste te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, deze door die opsporingsambtenaren ter uitvoering van het bepaalde in artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering ondernomen handeling opzettelijk heeft belemmerd door de aangehouden persoon vast te houden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk enige handeling, door een ambtenaar belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belemmeren.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Door tijdens een aanhouding de dienstdoende politieambtenaren te belemmeren bij het uitoefenen van hun werkzaamheden, heeft de verdachte blijk gegeven van gebrek aan respect voor het openbaar gezag.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 16 mei 2014 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 184 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. F.W.J. den Ottolander en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Lieberwirth, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 juni 2014.

Mr. F.W.J. Den Ottolander en mr. P.F.E. Geerlings zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]