Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5784

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2014
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
23-000401-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wederrechtelijk verkregen voordeel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-000401-12

Datum uitspraak: 10 oktober 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 16 januari 2012 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-660051-11 tegen de veroordeelde

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,

adres: [adres].

Procesgang

Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 9.764,99.

De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 16 januari 2012 -kort gezegd- veroordeeld ter zake van het telen van hennep.

Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Haarlem bij vonnis van 16 januari 2012 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.200,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 oktober 2014 veroordeeld ter zake van -kort gezegd- het telen van hennep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2013 en 26 september 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Door en namens de veroordeelde is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat hij geen voordeel heeft verkregen door middel van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld, omdat de hennepkwekerij geheel voor eigen gebruik was.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep geoordeeld dat de besparing van kosten voor eigen gebruik voordeel oplevert voor de veroordeelde en gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 11.898,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof is van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel, geschat op een bedrag van € 6.944,08, heeft verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit ter zake waarvan hij bij arrest van 10 oktober 2014 is veroordeeld.

Het hof acht aannemelijk, gelet op de hoeveelheid hennep die op 11 augustus 2010 is aangetroffen, dat deze in ieder geval deels was bestemd voor de handel. De hennep waarvan de veroordeelde stelt dat deze voor eigen gebruik bestemd was, levert de veroordeelde voordeel op omdat hij daarmee kosten heeft bespaard: hij hoefde voor eigen gebruik immers geen hennep bij een ander in te kopen.

Het hof acht aannemelijk dat de veroordeelde 4 eerdere oogsten heeft gehad. Dit heeft de veroordeelde

ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard. De veroordeelde heeft verklaard dat hij één oogst met 40

planten heeft gehad en 3 oogsten van 16 planten. In de berekening wordt deze verklaring gevolgd.

Het hof komt aan de hand van de standaardwaarden uit het rapport Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie uit april 2005 (BOOM-rapport) tot de volgende berekening:

Oogst van 40 planten:

Opbrengst:

40 planten x 25,7 gram x € 3,30 = € 3.392,40

Kosten:

Afschrijvingskosten: € 125,00 en variabele kosten € 4,40 x 40 planten = € 176,00

Wederrechtelijk voordeel voor deze oogst: € 3.392,40 - € 125,00 - € 176,00 = € 3.091,40

Oogst van 16 planten:

Opbrengst:

16 planten x 25,7 gram x € 3,30 = € 1.356,96

Kosten:

Afschrijvingskosten: € 125,00 en variabele kosten € 4,40 x 16 planten = € 114,40

Wederechtelijk voordeel voor deze oogst: € 1.356,96 - € 125,00 - € 114,40 = € 1.117,56 x

3 oogsten = € 3.352,68

Elektriciteitskosten: 2 lampen à € 140 voor de oogst van 40 planten: € 280 + 3 x 1 lamp à € 140 voor de oogsten van 16 planten (toen er nog in één tent werd gekweekt). Totaal: € 700,00

Ice-o-lator: de veroordeelde heeft verklaard dat hij € 1200,00 heeft verdiend aan de verkoop van

ice-o-lator-hasj.

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel:

€ 3.091,40 + € 3.352,68 = € 6.444,08

+ opbrengst ice-o-lator € 1.200,00

-/- elektriciteitskosten - € 700,00

€ 6.944,08

Het hof ontleent deze schatting aan de inhoud van de bewijsmiddelen.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Aan de veroordeelde dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.944,08.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 6.944,08 (zesduizend negenhonderdvierenveertig euro en acht cent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 6.944,08 (zesduizend negenhonderdvierenveertig euro en acht cent).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens-van der Stoel, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van mr. D. van Nes, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 oktober 2014.

=========================================================================

[....]