Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5775

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2014
Datum publicatie
23-01-2015
Zaaknummer
23-005232-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontnemingszaak mensenhandel. Overschrijding redelijke termijn leidt tot mindering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-005232-13

Datum uitspraak: 31 oktober 2014

VERSTEK (niet gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 19 februari 2003 op de vordering van het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 14-010111-01 tegen de veroordeelde

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

adres: [adres].

Procesgang

Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 131.707,44.

De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Alkmaar van 19 februari 2003 -kort gezegd- veroordeeld ter zake van mensenhandel.

Voorts heeft de rechtbank Alkmaar bij vonnis van 19 februari 2003 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 126.273,44 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 10 juli 2001 en 8 januari 2003 alsmede op de terechtzitting van dit hof -na terugwijzing- op 17 oktober 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

De redelijke termijn en de verplichting tot betaling

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is overschreden en dat die overschrijding verdisconteerd moet worden in de betalingsverplichting. De advocaat-generaal heeft het hof dientengevolge voorgesteld de betalingsverplichting te matigen met 10%.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 103.198,24 – 10% = € 90.000,00 (afgerond) ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid, dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In eerste aanleg is de ontnemingszaak aangevangen met een schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie op 11 november 2002 – welke datum het hof als aanvang neemt voor de beoordeling van de (redelijke) termijn in de ontnemingszaak, gelijk de advocaat-generaal – en afgerond met een eindbeslissing binnen twee jaar op 19 februari 2003. De zaak is vervolgens in hoger beroep afgerond met een eindbeslissing binnen twee jaar op 1 december 2004 na instelling van het rechtsmiddel op 4 maart 2003. De verstekmededeling is niet binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig betekend zoals is voorzien in art 588, eerste lid, onder b, sub 3, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Van overschrijding van de redelijke termijn is sprake nu op grond van art. 366 Sv een verstekmededeling dient te worden betekend en het Openbaar Ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht.

De zaak is vervolgens gecasseerd bij arrest van 12 november 2013 en teruggewezen. Het hof heeft de zaak op 17 oktober 2014 inhoudelijk behandeld met arrestwijzing op 31 oktober 2014.

Het hof stelt vast, dat de procedure als geheel een periode van bijna 12 jaren heeft bestreken en dat uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie (Rechtbank-Hof-Hoge Raad-Hof), deze periode is overschreden met (afgerond) 4 jaren.

Het hof ziet dienaangaande aanleiding, gelet op het uniforme aspect van behandeling van soortgelijke kwesties op andere rechtsgebieden (bestuursrecht en civiel recht), ook in het ontnemingsrecht als maatstaf voor de vergoeding van immateriële schade het (standaard) bedrag te hanteren van € 500,00 per half jaar voor overschrijding van de termijn als geheel.

In totaal is een termijn verstreken van 4 jaren zodat een vergoeding van immateriële schade van

€ 4.000,00 (8x €500,00) het hof redelijk voorkomt.

Op dit aldus vastgestelde bedrag dient -naar het oordeel van het hof- evenwel in mindering te worden gebracht het materiële voordeel1 dat door de veroordeelde is (kunnen worden) verkregen doordat hij de beschikking heeft gehad over het door het hof geschatte wederrechtelijk verkregen vermogen van afgerond

€ 103.100,00. Vanaf minst genomen de aanvang van de termijn op 11 november 2002 tot de dag van de feitelijke betaling, die gemakshalve in deze procedure wordt gesteld op de datum van arrestwijzing van 31 oktober 2014 heeft de veroordeelde aldus gedurende die periode van (naar beneden afgeronde periodes van 6 maanden) 11 jaren en 6 maanden rente kunnen (doen) genereren, dan wel rente kunnen besparen (door geen geld te hoeven lenen).

Het hof hanteert schattenderwijs als redelijke rentemaatstaf een percentage van 2% per jaar; hetgeen bezien over de gehele periode (van 11 jaren en 6 maanden x 2% x € 103.100,00) neerkomt op een totaal bedrag afgezien van rente over rente - van € 23.713,00. Nu met betrekking tot dit vervolgprofijt geen aanvullend financieel rapport is ingebracht zal het hof dit niet in de berekening (kunnen) betrekken maar wel meent het, omdat dit bedrag het bedrag aan te vergoeden immateriële schade aanzienlijk overtreft, onder die omstandigheid te kunnen volstaan met louter de constatering van de overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof is van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel, geschat op (minst genomen) een bedrag van € 103.100,00 heeft verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit ter zake waarvan hij bij vonnis van 24 juli 2001 is veroordeeld.

Het hof komt op dat bedrag door uit te gaan van de volgende berekening:

Inkomsten:

[slachtoffer 1]:

113 dagen te Den Haag (16 uur per dag) x fl 1.200,00) fl 135.600,00

[slachtoffer 2]:

144 dagen te Den Haag x fl 1.500,00 fl 216.000,00

[slachtoffer 3]:

12 dagen te Hilversum x fl 300,00 fl 3.600,00

96 dagen te Den Haag x fl 1.200,00 fl 115.000,00

Totaal 365 dagen fl 470.200,00

Kosten:

Kamerhuur en condooms 365 dagen x fl 175,00 fl 63.875,00

Maaltijd, reis- en verblijfkosten 365 dagen x fl 250,00 fl 91.250,00

Kosten van kleding 365 dagen x fl 100,00 fl 36.500,00

Kosten van verdovende middelen 365 dagen x fl 100,00 fl 36.500,00

Totaal fl 228.125,00

Het wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt fl 470.200,00 – fl 228.125,00 = fl 242.075,00

Hierop worden de toegewezen vorderingen en de kosten die benadeelde partijen hebben moeten maken in mindering gebracht, te weten fl 14.856,00.

Het bedrag komt dan (fl 242.075,00 – fl 14.856,00 = fl 227.219,00 => in euro’s 1:2.20371 en ten gunste van de veroordeelde naar beneden afgerond) op € 103.100,00.

Het hof ontleent deze schatting aan de inhoud van de bewijsmiddelen.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Aan de veroordeelde dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 103.100,00.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 103.100,00 (eenhonderddrieduizend en honderd euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 103.100,00 (eenhonderddrieduizend en honderd euro).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. P.F.E. Geerlings en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. D. van Nes, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 oktober 2014.

Mrs. J.D.L. Nuis en A. Dantuma-Hieronymus zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]

1 Vgl. artikel 6:100 Burgerlijk Wetboek: Heeft een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan moet, voor zover dit redelijk is, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht.