Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:574

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
20-03-2014
Zaaknummer
200.131.512/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstandsverhaal; draagkracht van de onderhoudsplichtige; verdeling van zijn voor onderhoud beschikbare draagkracht over de kinderen jegens wie hij onderhoudsplichtig is; het hof houdt bij deze verdeling rekening met het verschil in levensstandaard tussen Nederland en Marokko.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0066

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 11 februari 2014

Zaaknummer: 200.131.512/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/516622 / FA RK 12-3720 (PG/NW)

in de zaak in hoger beroep van:

Gemeente Amsterdam,

zetelende te Amsterdam,

appellante,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. E. Tahitu te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de gemeente en de man genoemd.

1.2.

De gemeente is op 8 augustus 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 8 mei 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/516622 / FA RK 12-3720 (PG/NW).

1.3.

De man heeft op 19 september 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 12 december 2013 ter terechtzitting behandeld, alwaar zijn verschenen:

  • -

    de heer mr. H.H.J. ten Hoope namens de gemeente;

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2 De feiten

2.1.

De man en[x] (hierna: de vrouw) zijn [in] 1991 gehuwd. Hun huwelijk is op 19 januari 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 18 november 2009 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren […] (hierna: [kind a]) [in] 1994, […] (hierna: [kind b]) [in] 1999 en […] (hierna: [kind c]) [in] 2003 (hierna gezamenlijk: de kinderen). De kinderen verblijven bij de vrouw.

2.2.

De vrouw ontvangt met ingang van 31 maart 2009 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder.

2.3.

Bij beschikking van 6 juli 2011 van de rechtbank Amsterdam is een door de man in zijn hoedanigheid van onderhoudsplichtige jegens de vrouw en de kinderen aan de gemeente te betalen verhaalsbijdrage bepaald van € 1.466,24 per maand met ingang van 1 november 2010.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.4.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1969. Hij is [in] 2005 te Tanger, Marokko, gehuwd met [y]. Uit hun huwelijk zijn geboren […] (hierna: [minderjarige 1]) [in] 2008 en […] (hierna: [minderjarige 2]) [in] 2012. Zijn echtgenote en hun gezamenlijke kinderen wonen in Marokko.

Hij is in het verleden werkzaam geweest althans is nog steeds werkzaam in loondienst bij […] (hierna: [bedrijf 1]), bij […] (hierna: [bedrijf 2]) en bij […] (hierna: [bedrijf 3]).

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 6 juli 2011, de door de man in zijn hoedanigheid van onderhoudsplichtige jegens de kinderen aan de gemeente te betalen verhaalsbijdrage:

  • -

    met ingang van 1 november 2010 tot 1 januari 2012 op nihil gesteld;

  • -

    met ingang van 1 januari 2012 op € 240,- per maand bepaald;

  • -

    met ingang van 1 januari 2013 op € 195,- per maand bepaald.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de man de verhaalsbijdrage met ingang van 1 november 2010 op nihil te stellen, althans deze te bepalen op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist zou achten.

3.2.

De gemeente verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de verhaalsbijdrage te bepalen op:

  • -

    € 74,- per maand met ingang van 1 november 2010 tot 1 januari 2012;

  • -

    € 329,- per maand met ingang van 1 januari 2012 tot 1 oktober 2012;

  • -

    € 309,58 per maand met ingang van 1 oktober 2012 tot 1 januari 2013;

  • -

    € 263,03 per maand met ingang van 1 januari 2013;

althans deze te bepalen op een zodanig bedrag als het hof juist zal achten.

3.3.

De man verzoekt het verzoek in hoger beroep van de gemeente af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Ter zitting in hoger beroep heeft de man (incidentele) grieven aangevoerd tegen de bestreden beschikking, hoewel hij voordien al een verweerschrift had ingediend zonder daarbij incidenteel appel in te stellen. Hij verzoekt thans, met vernietiging van de bestreden beschikking, de verhaalsbijdrage op nihil te stellen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

In geschil is of de man met ingang van 1 november 2010 in zijn hoedanigheid van onderhoudsplichtige jegens de kinderen een verhaalsbijdrage aan de gemeente dient te betalen en zo ja, van welke hoogte die behoort te zijn. De gemeente heeft ter zitting verklaard geen verhaalsbijdrage te verlangen uit hoofde van een onderhoudsplicht jegens de vrouw.

4.2.

De man heeft eerst ter zitting in hoger beroep grieven aangevoerd tegen de bestreden beschikking. De man handelt hiermee in strijd met de regel dat incidentele grieven niet later dan in het verweerschrift mogen worden bijgebracht. Er bestaat in dit geval aanleiding voor het aannemen van een uitzondering op deze in beginsel strakke regel. Het betreft verhaal voor een wettelijke onderhoudsplicht van de man. De omvang van een dergelijke onderhoudsplicht kan steeds bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, zelfs met terugwerkende kracht, wanneer zij door een wijziging van de omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Beide partijen hebben daarom belang erbij dat de vaststelling van de onderhoudsplicht berust op een juiste en volledige waardering van de van belang zijnde omstandigheden ten tijde van de uitspraak in hoogste ressort. Dit “veranderlijkheidsbeginsel” geldt naar het oordeel van het hof ook voor de vaststelling van een verhaalsbijdrage als hier aan de orde. De man kan worden ontvangen in het door hem ingestelde incidenteel appel.

Het hof ziet, gezien de onderlinge samenhang van de grieven in principaal en incidenteel appel, aanleiding deze gezamenlijk te behandelen.

4.3.

Partijen twisten over de draagkracht van de man. De rechtbank heeft wat betreft de periode vanaf 1 november 2010 tot 1 januari 2012 een fiscaal jaarloon gehanteerd van € 16.224,-, zoals dat is berekend door de gemeente, die daarbij ervan is uitgegaan dat de man toen verschillende inkomstenbronnen had. Wat betreft de periode vanaf 1 januari 2012 is de rechtbank uitgegaan van een fiscaal jaarloon van in totaal € 25.513,-, in verband met arbeidsinkomsten die hij in 2012 heeft gegenereerd bij [bedrijf 2], [bedrijf 1] en [bedrijf 3]. Het hof beschikt over onvoldoende gegevens om een voldoende nauwkeurig beeld te kunnen krijgen van het inkomen van de man over 2013. Voor dat jaar zal het fiscaal inkomen over 2012 worden gehanteerd. Wel zal het hof in aanmerking nemen dat vanaf 2013 de inkomensafhankelijke bijdrage premie Zorgverzekeringswet op een andere wijze wordt geheven over het loon.

De gemeente heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat wat betreft het salaris van de man bij [bedrijf 3] in 2012 moet worden uitgegaan van een hoger inkomen dan door de rechtbank in aanmerking is genomen. Verder is namens de gemeente ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat enkele van de kostenvergoedingen die vermeld zijn op de door de man ingediende salarisspecificaties van [bedrijf 1], als belastbaar loon behoren te worden aangemerkt. Met deze vergoedingen is door de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden bij het in aanmerking te nemen inkomen, aldus te gemeente. Het hof volgt de gemeente hierin echter niet. Uitgangspunt is dat alle vergoedingen die voor de man belastbaar inkomen vormen, bij zijn fiscaal loon zijn inbegrepen. De gemeente heeft onvoldoende aangevoerd om het gehanteerde fiscaal loon van de man met dergelijke vergoedingen te verhogen.

De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat van een lager inkomen zou moeten worden uitgegaan dan door de rechtbank is gehanteerd. Dat hij slechts één enkele bron van inkomsten heeft (gehad), heeft hij tegenover de gemotiveerde betwisting door de gemeente, ontoereikend onderbouwd, zodat het hof hem hierin niet volgt.

Het hof zal bij het bepalen van de draagkracht van de man derhalve zijn inkomen zoals dat door de rechtbank is gehanteerd tot uitgangspunt nemen.

Het hof zal de man voor de vaststelling van de verhaalsbijdrage als alleenstaande aanmerken en ten aanzien van hem de daarbij behorende bijstandsnorm hanteren. Hieraan doet niet af dat hij gehuwd is en dat uit dit huwelijk kinderen zijn geboren, nu zijn echtgenote met hun kinderen in Marokko wonen en zij dus geen gezin met hem vormen in Nederland.

Namens de gemeente is verklaard dat het hof kan uitgaan van huurlasten van € 300,- per maand, zijnde een hoger bedrag aan woonlasten dan waarvan door de rechtbank is uitgegaan. Dat hogere woonlasten dan € 300,- per maand in aanmerking zouden moeten worden genomen, zoals door de man is betoogd, is door hem onvoldoende onderbouwd. Daar komt bij dat volgens de man bij de door hem opgevoerde woonlasten van € 400,- per maand, kosten voor gas, licht en water zijn inbegrepen, terwijl deze laatste kosten reeds zijn verdisconteerd in de bijstandsnorm.

De man heeft de door hem opgevoerde premie voor een zorgverzekering van € 170,- per maand niet onderbouwd, terwijl het gelet op de betwisting door de gemeente op zijn weg had gelegen dit wel te doen. Het hof zal derhalve net zoals de rechtbank heeft gedaan, rekening houden met een basispremie van € 106,- per maand. Het hof gaat er voorts vanuit dat de man in 2011 en 2012 een zorgtoeslag heeft aangevraagd van respectievelijk € 69,- en € 45,- per maand.

Het hof zal, evenmin als de rechtbank, rekening houden met door de man opgevoerd schoolgeld dat de man voor [minderjarige 1] betaalt. [minderjarige 1] zal worden meegenomen bij het verdelen van de draagkracht van de man over de kinderen jegens wie hij onderhoudsplichtig is. Voor zover de voor [minderjarige 1] bestemde draagkracht lager is dan het schoolgeld dat de man ten behoeve van [minderjarige 1] betaalt, heeft de man niet aannemelijk gemaakt dat de rest van dit schoolgeld voor de man een noodzakelijke last vormt die ten opzichte van al zijn kinderen als een redelijke uitgave kan worden beschouwd. Dit restant dient de man dan ook uit zijn vrije ruimte te voldoen.

Van de aanwezige draagkracht acht het hof volgens de thans gebruikelijke normen 70% beschikbaar voor kinderalimentatie.

4.4.

De voor onderhoud beschikbare draagkracht van de man dient te worden verdeeld over de kinderen jegens wie hij onderhoudsplichtig is. Het betreft [kind a], [kind b], [kind c] en [minderjarige 1]. Aangezien hij vanaf 20 december 2012 eveneens onderhoudsplichtig is jegens [minderjarige 2], zal het hof daarmee – evenals door de gemeente onbetwist is gedaan – vanaf 1 januari 2013 rekening houden.

De gemeente heeft betoogd dat [kind a] met ingang van […] 2012 vanwege het bereiken van de leeftijd van achttien jaren niet langer in de bijstandsnorm is begrepen. [kind a] dient volgens de gemeente vanaf 1 oktober 2012 niet langer te worden meegenomen bij het verdelen van de draagkracht van de man over zijn kinderen. Niet aannemelijk is dat de man sindsdien nog een onderhoudsbijdrage ten behoeve van hem zal betalen, aldus de gemeente, hetgeen niet is weersproken door de man. Het hof zal de gemeente hierin volgen.

Uitgangspunt is dat indien de draagkracht van een onderhoudsplichtige niet voldoende is om aan zijn onderhoudsverplichtingen volledig te voldoen, een redelijke wetstoepassing meebrengt dat het voor het onderhoud beschikbare bedrag tussen zijn kinderen wordt verdeeld, in beginsel gelijkelijk tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte. De gemeente stelt dat vanwege het verschil in levensstandaard tussen Nederland en Marokko, de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Marokko 43% lager ligt dan de behoefte van [kind a], [kind b] en [kind c] in Nederland. Hiermee dient bij de verdeling van de draagkracht van de man over deze kinderen rekening te worden gehouden, aldus de gemeente. De man heeft het standpunt van de gemeente betwist.

Het hof acht voldoende aannemelijk dat het door de gemeente genoemde levensstandaardverschil tussen beide landen bestaat. Het hof gaat in redelijkheid ervan uit dat de kosten van de kinderen in Marokko 60 procentpunten van de kosten van kinderen in Nederland belopen (zie de Bijlage als bedoeld in artikel 1 van de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012). Toepassing van dit percentage leidt ertoe dat aan de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij het verdelen van de draagkracht van de man over al zijn kinderen ieder een weging van 0,6 wordt toegekend. [kind a], [kind b] en [kind c] wegen tezamen 3. Met inachtneming van het voorgaande komt het hof tot de volgende verhaalsbijdragen.

De man heeft in de periode van 1 november 2010 tot 1 januari 2012 € 45,- per maand beschikbaar voor kinderalimentatie. Daarvan is (3 / 3,6) × € 45,- = € 37,- per maand beschikbaar voor [kind a], [kind b] en [kind c], zodat de verhaalsbijdrage in deze periode op dat bedrag zal worden bepaald.

In de periode van 1 januari 2012 tot 1 oktober 2012 heeft de man € 344,- per maand beschikbaar voor kinderalimentatie. Daarvan is (3 / 3,6) × € 344,- = € 287,- per maand beschikbaar voor [kind a], [kind b] en [kind c]. Rekening houdend met het fiscaal voordeel dat voor de man verbonden is aan het betalen van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van deze kinderen, is de man in staat de door de gemeente over deze periode verzochte verhaalsbijdrage van € 329,- per maand te betalen.

In de periode van 1 oktober 2012 tot 1 januari 2013 heeft de man eveneens € 344,- per maand beschikbaar voor kinderalimentatie. Daarvan is (2 / 2,6) × € 344,- = € 265,- per maand beschikbaar voor [kind b] en [kind c]. Eveneens rekening houdend met voormeld fiscaal voordeel in verband met deze kinderen, is de man in staat de door de gemeente over deze periode verzochte verhaalsbijdrage van € 309,58 per maand te betalen.

De man heeft in de periode vanaf 1 januari 2013 € 354,- per maand beschikbaar voor kinderalimentatie. Van dit bedrag is (2 / 3,2) × € 354,- = € 221,- per maand beschikbaar voor [kind b] en [kind c]. Met inachtneming van voormeld fiscaal voordeel, kan de man de door de gemeente over deze periode verzochte verhaalsbijdrage van € 263,03 per maand betalen.

4.5.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man in zijn hoedanigheid van onderhoudsplichtige jegens [kind a], [kind b], [kind c] aan de gemeente zal betalen:

- € 37,- per maand met ingang van 1 november 2010 tot 1 januari 2012;

  • -

    € 329,- per maand met ingang van 1 januari 2012 tot 1 oktober 2012;

  • -

    € 309,58 per maand met ingang van 1 oktober 2012 tot 1 januari 2013;

  • -

    € 263,03 per maand met ingang van 1 januari 2013;

zolang de bijstandsverlening aan de vrouw ten behoeve van deze kinderen voortduurt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. W.J. van den Bergh en mr. J.W. van Zaane in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2014.