Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5737

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-12-2014
Datum publicatie
05-01-2015
Zaaknummer
12/00520 t/m 12/00523
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2012:5523, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:2682
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De hoger beroepen van belanghebbende zijn niet-ontvankelijk. De aanslagen en boetebeshcikingen zijn op de juiste wijze bekendgemaakt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 22, geldigheid: 2003-01-01
Algemene wet bestuursrecht 3:41, geldigheid: 2003-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0085
V-N Vandaag 2015/11

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 12/00520 tot en met 12/00523

4 december 2014

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[belanghebbende], verblijvende te [woonplaats], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken AWB 11/4125, AWB 11/4126, AWB 11/4127 en AWB 11/4130 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 31 december 2008 aan belanghebbende over het jaar 2003 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 368.230 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 865. Tegelijk met het vaststellen van deze navorderingsaanslag is bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 89.260.

1.1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 31 december 2008 aan belanghebbende over het jaar 2005 een aanslag IB opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 114.413 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 959. Tegelijk met het vaststellen van deze belastingaanslag is bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 23.838.

1.1.3.

De inspecteur heeft met dagtekening 2 november 2009 aan belanghebbende over het jaar 2006 een aanslag IB opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 155.651 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 628. Tegelijk met het vaststellen van deze belastingaanslag is bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 113.

1.1.4.

De inspecteur heeft met dagtekening 7 mei 2010 aan belanghebbende over het jaar 2007 een aanslag IB opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 67.350 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 248. Tegelijk met het vaststellen van deze belastingaanslag is bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 340.

1.2.

Na tegen de hiervoor onder 1.1.1 tot en met 1.1.4 gemelde belastingaanslagen gemaakte bezwaren heeft de inspecteur bij (in één geschrift vervatte) uitspraken op bezwaar, gedagtekend 17 juni 2011, de bezwaren wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Bij uitspraak van 5 juni 2012 heeft de rechtbank de door belanghebbende ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

De tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 12 juli 2012. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op 25 maart 2014 zijn nadere stukken ontvangen van de inspecteur. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2014. Het onderzoek ter zitting is vervolgens geschorst. Van het verhandelde op deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak aan partijen wordt toegezonden.

1.7.

Op 6 november 2014 heeft de gemachtigde van belanghebbende een verzoek tot uitstel van de (nadere) zitting gedaan. Dit verzoek is door het Hof afgewezen.

1.8.

Op 11 november 2014 heeft een nadere zitting plaatsgevonden. Deze zitting deed de gemachtigde van belanghebbende een verzoek tot schorsing van het onderzoek ter zitting. Dit verzoek is door het Hof afgewezen.

Van het verhandelde op deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak aan partijen wordt toegezonden.

2 Feiten

Het Hof vindt aanleiding de feiten zelfstandig vast te stellen.

2.1.

Belanghebbende staat vanaf 5 januari 1999 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) op het adres [adres] te [plaats] (verder ook: het Adres).

2.2.

Vanaf 2007 tot aan zijn arrestatie op 27 augustus 2010 was belanghebbende voortvluchtig.

2.3.

De belastingdeurwaarder heeft op 19 december 2008 een document betekend aan het Adres van belanghebbende. Omdat op het Adres niemand aanwezig was, is het document in een gesloten envelop aldaar achtergelaten. In de akte van betekening staat onder andere:

Aan [belanghebbende]

[adres]

[…] [plaats]

[…]

Ik heb een document voor u achter gelaten. Omdat het om een belangrijk document gaat, heb ik deze akte van betekening opgemaakt. Ik heb hiervoor opdracht gekregen van […] de ontvanger van de Belastingdienst / Amsterdam.

Document dat ik voor u heb achtergelaten

[…]

Brief van Belastingdienst Amsterdam

[…]

Er was niemand aanwezig. Het document is in een gesloten envelop achtergelaten op dit adres.

2.4.

Op 15 oktober 2010 heeft de belastingdeurwaarde in opdracht van de belastingdienst voor belanghebbende een document achtergelaten in de Penitentiaire Inrichting Vught (waar belanghebbende op dat moment verbleef). Volgens de bijlagen bij het document had belanghebbende een openstaande schuld bij de belastingdienst vanwege de niet-betaling van onder meer de in geschil zijnde aanslagen.

Het bezwaarschrift tegen deze aanslagen is bij de inspecteur op 24 november 2010 ingekomen.

2.5.

In een op 14 september 2014 opgemaakte ‘AMBTSEDIGE VERKLARING’ wordt door [naam] als volgt verklaard:

Met dagtekening 31 december2008 zijn door mij aan [belanghebbende] (navorderings-)aanslagen inkomstenbelasting opgelegd voor de jaren 2003 en 2005. […] Vanwege het feit dat uit diverse perspublicaties bleek dat [belanghebbende] in 2008 geen vaste woon- en/of verblijfplaats had, zijn door mij van de aanbiedingsbrief en de onderliggende aanslagen drie sets gemaakt. Een set was bestemd om te laten betekenen op het in 2008 bekende GBA-adres van [belanghebbende], namelijk [het Adres] de tweede set was bestemd voor de advocaat van belanghebbende […] en de derde set was om te laten betekenen bij het Arrondissementsparket Amsterdam.

2.6.

In een op 24 september 2012 opgemaakte ‘Ambtsedige verklaring’ van[naam] staat onder andere:

“1. Rapporteur

Naam:

[…][naam]

[…]

Functie:

Behandelfunctionaris

Werkzaam bij:

B/CA Rechtshandhaving

2 Verzoeker

Naam:

[de inspecteur]

[…]

4 Betrokkene

Naam:

[belanghebbende]

[…]

Adres en woonplaats:

[het Adres]

[…] beschikking:

[aanslag IB 2007 …]

5 Onderzoek

Ik ben geautoriseerd om de heffingssystemen en het systeem Beheer van Relaties (BvR) te raadplegen. Ik heb vandaag 19 september 2012 […] de volgende systemen geraadpleegd:

Digitaal Archief Sy[s]teem

DAS

SAP Dispositielijst

ZP05

Ik heb in DAS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanslag 2007 IB […] het volgende waargenomen:

Dat op 27-04-2010 […] voor de Aanslag 2007 IB […] een document is gearchiveerd met dagtekening 07-05-2010.

Ik heb in ZP05 ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanslag 2007 IB […] het volgende waargenomen:

Dat partij met generatienummer [nummer] op 29-04-2010 is aangeboden ter postverzending.

Ik heb in systeem ZP05 ten aanzien van betrokkene, inzake het document […] Aanslag 2007 IB […] waargenomen dat dit document is opgenomen in een partij documenten, genaamd C53093 CAV Vrl./DEF./V.N. aansl. Met generatienummer [nummer].

Ik heb in ZPO5 waargenomen dat de partij documenten met generatienummer op 29-04-2010 is aangeboden aan Post.NL.

Met postbedrijf Post.NL heeft de Belastingdienst/CA contractueel vastgelegd dat partijen documenten van het soort als generatienummer [nummer] worden bezorgd binnen 48 uren na aanbieding.”

2.7.

Op donderdag 6 november 2014 ontving het Hof van belanghebbendes gemachtigde een verzoek om de voor dinsdag 11 november 2014 geplande zitting uit te stellen, welk verzoek hij als volgt toelichtte:

“Thans zijn er in de lopende strafzaak van cliënt de nodige gecompliceerde ontwikkelingen, ik veronderstel u bekend met een aantal daarvan welke u wellicht via de media hebben bereikt. Door deze complicaties die de nodige aandacht en tijd en energie van cliënt vergen, is het thans voor cliënt niet mogelijk om dinsdag a.s. ter zitting aanwezig te zijn.

Nu cliënt er groot belang aan hecht om bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn, verzoek ik u derhalve de zaak aan te houden tot een nader tijdstip in het eerste kwartaal van 2015.”

Het Hof heeft dit verzoek niet ingewilligd en zulks aan de gemachtigde bericht.

2.8.

Op 10 november 2014 ontving het Hof van de Dienst Justitiële Inrichtingen, Ministerie van Veiligheid en Justitie, een door belanghebbende - op 10 november 2014 - ondertekende ‘afstandverklaring bijwonen zitting’. In die verklaring staat onder meer:

“Ondergetekende [belanghebbende]

Thans verblijvende in de PI […] verklaart hierbij dat hij niet [Hof: accentueringen belanghebbende] wenst te verschijnen voor de zitting van […] 11 nov. 2014 […] te Amsterdam.”

3 Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en daarbij het volgende overwogen (waarbij belanghebbende is aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

Bekendmaking (navorderings)aanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente

4.1.1.Ingevolge artikel 22j, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) vangt de termijn voor het instellen van bezwaar – in afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) – aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

4.1.2.Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid van deze bepaling geschiedt de bekendmaking van het besluit op een andere geschikte wijze als de bekendmaking niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid.

4.3.Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de (navorderings)aanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente rechtsgeldig bekend zijn gemaakt, zodat de bezwaartermijn hiervoor is gaan lopen.

4.4.1.Met betrekking tot de aanslagen over 2003 en 2005 oordeelt de rechtbank als volgt.

De navorderingsaanslag over 2003 en de aanslag over 2005, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente zijn gedagtekend op 31 december 2008.

Verweerder stelt dat deze besluiten in de eerste plaats aan eiser bekend zijn gemaakt door betekening aan het woonadres van eiser. Volgens verweerder bevatte de envelop die op 19 december 2008 aan het woonadres van eiser is betekend de motivering van de (navorderings)aanslagen over 2003 en 2005, de boetes en de aanslagbiljetten over die jaren. Ter onderbouwing van deze stelling heeft verweerder aangevoerd dit te weten omdat het hier handmatig op het kantoor van de Belastingdienst Amsterdam opgemaakte aanslagen betrof, en geen aanslagen die, zoals gebruikelijk, in Apeldoorn werden opgemaakt en van daaruit verzonden. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat niet duidelijk is wat er op 19 december 2008 bekend is gemaakt.

De rechtbank acht aannemelijk dat het op 19 december 2008 aan het woonadres van eiser betekende document de navorderingsaanslag over 2003 en de aanslag over 2005 bevatte. Daarbij hecht de rechtbank belang aan de omstandigheid dat op de akte van betekening bij het op dezelfde datum aan het kantoor van mr. [naam] betekende document, in tegenstelling tot de akte van betekening aan het woonadres van eiser, de eerste cijfers van het aanslagnummer van de betreffende aanslagen staan vermeld (1241.32.698), zodat ervan uitgegaan kan worden dat dit document de door verweerder gestelde inhoud had. Het is niet aannemelijk dat het aan eisers woonadres betekende document een andere inhoud had dan het aan mr. [naam] betekende document. Voorts is aannemelijk dat verweerder juist voor de bekendmaking van de betreffende aanslagen heeft gekozen voor betekening hiervan. Tot slot is het niet ongebruikelijk dat een aanslagbiljet een dagtekening heeft die later ligt dan de datum van verzending, zodat de dagtekening 31 december 2008 geenszins betekent dat de verzending eerst op of na deze datum moet hebben plaatsgevonden. Dit blijkt tevens uit de aanslag over 2006 die is gedagtekend 2 november 2006 en waarvan betekening heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2006. Dit leidt tot de slotsom dat niet aannemelijk is dat de op 19 december 2008 aan het woonadres van eiser betekende envelop iets anders heeft bevat dan de (navorderings)aanslagen over 2003 en 2005 en de motivering van deze aanslagen en de boetes.

4.4.2.

Het voorgaande leidt ertoe dat de navorderingsaanslag over 2003 en de aanslag over 2005 alsmede de boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente voor deze jaren met inachtneming van artikel 3:41 van de Awb rechtsgeldig bekend zijn gemaakt door betekening aan het woonadres van eiser. Dit betekent dat de bezwaartermijn is aangevangen op 1 januari 2009 en dat deze is geëindigd op 11 februari 2009. Gelet hierop behoeft de vraag of die aanslagen en bijbehorende beschikkingen rechtsgeldig bekend zijn gemaakt door toezending en betekening aan de advocaat die eiser bijstaat in een strafrechtelijke procedure, geen beantwoording.

4.5.

De aanslag over 2006, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente zijn gedagtekend op 2 november 2009. Deze zijn in ieder geval rechtsgeldig bekendgemaakt door toezending per gewone post aan het huisadres van eiser. Dit betekent dat de bezwaartermijn is aangevangen op 3 november 2009 en dat deze is geëindigd op 14 december 2009.

4.6.

De aanslag over 2007, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente zijn gedagtekend op 7 mei 2010. Deze zijn rechtsgeldig bekendgemaakt door toezending per gewone post aan het huisadres van eiser. Dit betekent dat de bezwaartermijn is aangevangen op 8 mei 2010 en dat deze is geëindigd op 18 juni 2010.

4.7.

Nu de bezwaren van eiser tegen de aanslagen eerst op 22 november 2010 door verweerder zijn ontvangen, zijn deze buiten de wettelijke bezwaartermijn van artikel 6:7 van de Awb ontvangen.

Verschoonbaarheid termijnoverschrijding (navorderings)aanslagen en beschikkingen heffingsrente

4.8.

De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Deze vraag zal allereerst worden beantwoord voor de (navorderings)aanslagen en de beschikkingen heffingsrente.

4.9.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.10.

Eiser heeft hiertoe gesteld dat de aanslagbiljetten hem nimmer hebben bereikt. Hiertoe heeft eiser onder meer aangevoerd dat hij weliswaar was ingeschreven op het [Adres] maar dat hij hier niet feitelijk woonachtig was, en dat verweerder hiervan op de hoogte was.

Voor de navorderingsaanslag over 2003 en de aanslag over 2005, welke aanslagen in een gesloten envelop zijn achtergelaten op het woonadres van eiser, kan er geen twijfel over zijn dat deze aanslagen ook daadwerkelijk zijn bezorgd. De ontvangst van de aanslagen staat derhalve vast. Dat eiser feitelijk geen kennis heeft genomen van de aanslagen doordat hij niet op het betreffende adres verbleef, is niet een omstandigheid die leidt tot een verschoonbare termijnoverschrijding.

Voor de aanslagen over 2006 en 2007 ligt het op de weg van eiser aannemelijk te maken dat de niet-ontvangst niet aan hem is te wijten. Nu eiser daartoe slechts heeft aangevoerd dat hij niet woonachtig was op het adres waarop hij in het GBA stond ingeschreven, is hij hierin niet geslaagd. Eiser heeft er zelf voor gekozen voor onbepaalde tijd buiten zijn woning te verblijven zonder maatregelen te nemen die voorzagen in een adequate behartiging van zijn belangen tijdens zijn afwezigheid. Dit is geen omstandigheid die de termijnoverschrijding kan rechtvaardigen. Deze omstandigheid is immers het rechtstreeks gevolg van de bewuste keuze van eiser, zodat de gevolgen van die keuze voor rekening en risico van eiser dienen te blijven.

Verschoonbaarheid termijnoverschrijding boetes

4.11.

Voor wat betreft de aan eiser opgelegde vergrijp- en verzuimboetes dient de ontvankelijkheidsvraag te worden beoordeeld met inachtneming van – onder meer – het arrest van de Hoge Raad van 22 juni 1988, BNB 1988/292 […]

4.12.1.

Voor de boetebeschikkingen over 2003 en 2005 leidt dit niet tot een ander oordeel dan hiervoor met betrekking tot de (navorderings)aanslagen is gegeven, nu vaststaat dat ook de boetebeschikkingen zijn bezorgd aan het woonadres van eiser. Hiervan staat derhalve vast dat de stelling van eiser dat de termijnoverschrijding niet aan hem is te wijten, onjuist is, aangezien de boetebeschikkingen zijn ontvangen op het woonadres van eiser.

4.12.2.

De boetebeschikking over 2006, waarvan eiser de ontvangst heeft betwist, is niet alleen per gewone post naar het woonadres van eiser toegezonden maar is tevens betekend aan het arrondissementsparket te Amsterdam met het verzoek tot publicatie in het Parool. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank alles gedaan wat redelijkerwijs in zijn macht lag teneinde ervoor zorg te dragen dat eiser kennis kon nemen van de boetebeschikking. De overschrijding van de termijn waarbinnen bezwaar moest worden gemaakt tegen die beschikking is dan ook aan eiser te wijten.

4.12.2.

Eiser heeft eveneens de ontvangst van de boetebeschikking over 2007 betwist. Verweerder heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die ertoe kunnen leiden dat bewezen moet worden geacht dat deze besluiten wél daadwerkelijk op het adres van eiser zijn ontvangen dan wel hem anderszins hebben bereikt. Dit leidt ertoe dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat deze beschikking ook daadwerkelijk door eiser is ontvangen dan wel dat hij op een andere manier kennis heeft kunnen nemen van de beschikking, welke onzekerheid niet voor risico van eiser kan worden gebracht.

4.13.

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat verweerder de bezwaren tegen de boetebeschikkingen over 2003, 2005 en 2006 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voor de boetebeschikking over 2007 geldt dat eiser niet kan worden tegengeworpen dat hij niet binnen de bezwaartermijn bezwaar heeft gemaakt. Vervolgens dient te worden onderzocht of eiser na kennisname van de beschikking zo spoedig als dit redelijkerwijs van hem kon worden verlangd, alsnog bezwaar heeft gemaakt. In het arrest van 22 maart 2002, BNB 2002, 186, heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis overwogen dat een belastingplichtige daarvoor een termijn van tenminste veertien dagen dient te worden gegund. Eiser is op de hoogte geraakt van (onder meer) de boetebeschikking over 2007 na kennisneming van een exploot van executoriaal derdenbeslag dat aan hem is betekend op 15 oktober 2010. Het bezwaarschrift is gedagtekend 22 november 2010, derhalve achtendertig dagen na kennisname door eiser van de beschikking. Mede gelet op het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad kan hiervan niet worden gezegd dat eiser hiermee zo spoedig als redelijkerwijs van hem kon worden verlangd alsnog bezwaar heeft gemaakt. Onvoldoende is de stelling van eiser dat hij onmiddellijk na zijn arrestatie zodanig in zijn contacten beperkt werd dat het contact met een fiscaal geschoolde kantoorgenoot van zijn advocaat in de tegen hem lopende strafzaken hem werd onthouden. De indiening van een bezwaarschrift eerst achtendertig dagen na kennisname van de beschikking leidt er dan ook toe dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

4.14.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

4 Geschil in hoger beroep

4.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of de inspecteur belanghebbendes bezwaarschriften terecht niet ontvankelijk heeft verklaard.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de belastingaanslagen en boetebeschikkingen op de juiste wijze zijn bekendgemaakt; en zo ja: of sprake is van een (verschoonbare) termijnoverschrijding.

4.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

5 Beoordeling van het geschil

Vooraf

Verzoek uitstel mondelinge behandeling

5.1.1.

Op 6 november 2014 heeft de gemachtigde het Hof om uitstel van de voor 11 november 2014 geplande zitting gevraagd (zie 2.7).

5.1.2.

Het Hof vermag gelet op de motivering van het verzoek niet in te zien dat de ontwikkelingen die zich in de ten tijde van de onderhavige hofzitting lopende strafzaak van belanghebbende voordeden (ook niet na de daarop ter zitting gegeven toelichting als weergegeven onder 5.2.1) dusdanig veel aandacht, tijd en energie van belanghebbende vergden, dat het om die reden voor belanghebbende onmogelijk was om op de zitting van het Hof van 11 november 2014 aanwezig te zijn. Daar komt bij dat belanghebbende zich ter zitting van het Hof heeft laten vertegenwoordigen door een professionele gemachtigde (een advocaat) - die zich, naar niet in geschil is, adequaat op de zitting heeft kunnen voorbereiden - en niet aannemelijk is dat de behandeling van het geschilpunt in hoger beroep zich niet leende voor een behandeling buiten tegenwoordigheid van belanghebbende. Ook de enkele stelling dat de eerder genoemde ontwikkelingen voor belanghebbende geestelijk dermate belastend waren dat hij om die reden de zitting op dat moment niet kon bijwonen, is onvoldoende om belanghebbendes uitstelverzoek in te willigen. In ieder geval heeft de gemachtigde die stelling onvoldoende onderbouwd.

5.1.3.

Het Hof is dan ook van oordeel dat er geen, althans onvoldoende, gewichtige redenen aan belanghebbendes uitstelverzoek ten grondslag lagen en dat het belang dat hij in beginsel heeft om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, in de omstandigheden van het onderhavige geval minder zwaar weegt dan een voortvarende behandeling van de zaak (vergelijk Hoge Raad, 28 januari 2011, 09/04360, ECLI:NL:HR:2011:BN3529).

5.1.4.

Aan voornoemd oordeel doet niet af dat de gemachtigde ter nadere zitting van het Hof met betrekking tot het geschilpunt (de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift) namens belanghebbende met relevante nieuwe informatie is gekomen, te weten het bestaan van de Regeling (zie hierna onder 5.3.6). Echter, omdat die informatie op zichzelf gezien voldoende duidelijk was om het geschilpunt te beslechten en de gemachtigde ook niet na het verstrekken van die informatie alsnog verzocht heeft om belanghebbende op dat punt nadere informatie te laten verstrekken, lag ook daarin geen reden om belanghebbendes verzoek om aanhouding alsnog te honoreren.

5.2

Verzoek schorsing mondelinge behandeling

5.2.1.

Ter zitting heeft de gemachtigde verzocht de mondelinge behandeling van belanghebbendes zaak te schorsen totdat belanghebbende erbij aanwezig kan zijn. De gemachtigde heeft dit verzoek als volgt toegelicht.

“Ik heb mijn cliënt kort geleden gesproken en naar aanleiding van dit gesprek heb ik donderdag 6 november 2014 een fax aan het Hof gestuurd met een verzoek om uitstel van de zitting. Dit onder meer vanwege een aantal gebeurtenissen, zoals u heeft kunnen lezen in de dagbladen. Belanghebbende heeft als gevolg van zijn strafzaak bij het hof veel “huiswerk” en hij moet zich inlezen in die stukken. Er is een nieuwe getuige in de strafzaak; belanghebbende is emotioneel; hij heeft er zijn aandacht niet bij. Daarom voelde hij zich niet klaar om deze zitting bij te wonen. Ik doe nu formeel op de zitting op dezelfde gronden het verzoek om aanhouding.”

5.2.2.

Nu de gronden die de gemachtigde heeft aangevoerd in de kern dezelfde zijn als die in belanghebbendes uitstelverzoek staan, wijst het Hof dit verzoek op dezelfde gronden als weergegeven onder 5.1 af. In dit kader acht het Hof mede van belang dat belanghebbende blijkens de op 10 november 2014 bij het Hof ingekomen ‘afstandverklaring bijwonen zitting’ schriftelijk heeft verklaard dat hij niet ter zitting van het Hof wenste te verschijnen (zie 2.8).

5.3.

Bekenmaking aanslag

5.3.1.

Vaststaat dat belanghebbende vanaf 1999 in de GBA ingeschreven staat op het Adres.

5.3.2.

Vanaf circa 2007 tot aan zijn arrestatie op 27 augustus 2010 is belanghebbende voortvluchtig.

5.3.3.

De inspecteur stelt in zijn bij de rechtbank ingediende verweerschrift:

“Belanghebbende woont tenminste sinds 1999 in Nederland. Het ligt op zijn weg om ervoor zorg te dragen dat de Belastingdienst op de hoogte is van zijn postadres of ander contactadres. […] Bovendien stel ik dat belanghebbende alles in het werk heeft gesteld om zijn feitelijke binnenlandse woonplaats te verhullen voor, onder andere, de Belastingdienst. Justitie heeft jaren naar hem gezocht. In de strafzaak tegen belanghebbende is hij op 30 december 2009 bij verstek veroordeeld. Op 28 augustus 2010 is hij getraceerd en gearresteerd.”

5.3.4.

Belanghebbende heeft de onder 5.3.3 geciteerde stellingen van de inspecteur niet, althans onvoldoende, betwist.

5.3.5.

Gelet op het voorgaande acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende op het Adres ingeschreven stond en dat hij er tot in 2007 woonde, alsmede dat hij vanaf 2007 zijn verblijfplaats voor de Nederlandse autoriteiten, waaronder de inspecteur, verborgen hield.

5.3.6.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbendes gemachtigde verklaard dat belanghebbende gedurende zijn voortvluchtigheid met betrekking tot de bezorging van post op het Adres een voorziening getroffen had die ertoe strekte dat ‘belangrijke’ post belanghebbende zou bereiken (verder de Regeling).

5.3.7.

Met betrekking tot de bekendmaking van een aanslag overwoog de Hoge Raad op 5 maart 2004 (nr. 39 245, ECLI:NL:HR:2004:AO5063):

“De bekendmaking van een aanslag geschiedt ingevolge artikel 8, lid 1, van de Invorderingswet 1990 door de ontvanger, en wel, zulks in overeenstemming met artikel 3:41, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht, door toezending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet. Als de bekendmaking niet kan geschieden door toezending of uitreiking kan, op grond van artikel 3:41, lid 2, van laatstgenoemde wet, de bekendmaking ook geschieden op een andere geschikte wijze.

Indien de bekendmaking van het aanslagbiljet geschiedt door toezending, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. In een zodanig geval vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van terpostbezorging. De evenvermelde regel lijdt echter uitzondering indien de zending de belastingschuldige niet heeft bereikt en zulks het gevolg is van een fout van de belastingdienst (bijvoorbeeld een verkeerde adressering die aan de belastingdienst is te verwijten). In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.”

5.3.8.

Op basis van de gedingstukken acht het Hof aangaande de bekendmaking van de onderhavige beschikkingen aannemelijk:

  1. dat het document dat de belastingdeurwaarder op 19 december 2008 op het Adres heeft achtergelaten in ieder geval de aanslagbiljetten IB 2003 en IB 2005 bevatte. Het Hof baseert dit oordeel met name op de verklaring van [naam] waarin samengevat staat dat het Document onder andere de aanslagbiljetten IB 2003 en 2005 bevatte (zie 2.5);

  2. dat het aanslagbiljet IB 2007 via het postbedrijf Post.nl naar het Adres is verzonden. In dit kader acht het Hof met name van belang dat[naam] heeft verklaard dat evenvermeld aanslagbiljet op 29 april 2010 aan het postbedrijf Post.nl ter verzending is aangeboden (zie 2.6);

  3. dat het aanslagbiljet IB 2006 per Post.nl naar het Adres is verzonden. In dit kader acht het Hof met name relevant (a) dat de inspecteur gesteld heeft dat het biljet aldus is verzonden, (b) dat het Hof uit de gedingstukken afleidt dat het biljet niet ‘onbestelbaar’ door de inspecteur terugontvangen is, en (c) dat belanghebbende de verzending door de inspecteur slechts betwist nu onder andere dit aanslagbiljet hem nimmer heeft bereikt. Voor wat betreft argument (c) is het Hof van oordeel dat uit de stelling van belanghebbende (dat hij het biljet niet ontvangen heeft) niet logischerwijze volgt dat het aanslagbiljet niet verzonden is. In aanmerking genomen (1) dat niet gesteld of gebleken is dat poststukken met het adres [adres] te [plaats] vaker aldaar niet worden bezorgd, noch dat zich destijds in zijn algemeenheid problemen bij de verzending van poststukken voordeden, en (2) nu aannemelijk is dat de aanslagbiljetten IB 2003 en IB 2005 op het Adres zijn bezorgd (zie hiervoor in deze rechtsoverweging onder 1), acht het Hof het waarschijnlijker dat – indien er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat het aanslagbiljet belanghebbende destijds niet heeft bereikt – het gestelde niet-ontvangen niet ligt aan de postverzending maar aan (het falen van) de Regeling. Aan dit een en ander ontleent het Hof het niet ontzenuwde vermoeden dat ook het aanslagbiljet IB 2006 naar het Adres is verzonden.

Aan het voorgaande voegt het Hof toe dat vaststaat dat op de onder 5.3.8 genoemde aanslagbiljetten, niet alleen de belastingaanslag maar ook de boetebeschikking stond vermeld.

5.3.9.

Naar het oordeel van het Hof was het adres [adres] te [plaats] het adres dat de ontvanger mocht gebruiken voor de bekendmaking van de litigieuze aanslagen en boetebeschikkingen. Immers belanghebbende stond op dat adres ingeschreven in de GBA en belanghebbende heeft de inspecteur willens en wetens niet bericht op welk adres hij sinds 2007 (zie onder 2.2, 5.3.3 en 5.3.4) verbleef.
Aan dit oordeel doet niet af dat belanghebbende ten tijde van de bekendmaking voortvluchtig was en de inspecteur hiervan op de hoogte was. Immers in een situatie waarin een belanghebbende zich voor de autoriteiten verborgen houdt, is het aan de belanghebbende om een dusdanige voorziening te treffen dat belangrijke stukken die op het Adres worden bezorgd, hem bereiken (en naar het oordeel van het Hof waren de onderhavige beschikkingen in die zin ‘belangrijk’ en was dit voor een derde ook kenbaar). Nu belanghebbende met de in 5.3.6 genoemde Regeling een voorziening heeft getroffen, maar - uitgaande van belanghebbendes stelling dat de stukken hem niet tijdig hebben bereikt - die voorziening kennelijk onvolkomen was dan wel gefaald heeft, komt dit een en ander voor rekening en risico van belanghebbende.

Daar komt bij dat belanghebbende niet gesteld heeft - en het Hof uit de stukken ook niet kan opmaken - op welke andere wijze de inspecteur de aanslagen en boetebeschikkingen had moeten bekendmaken.

5.3.10.

Op basis van rechtsoverweging 5.3.1 tot en met 5.3.9 concludeert het Hof dat de litigieuze aanslagen en boetebeschikkingen op de juiste wijze zijn bekend gemaakt en wel als volgt:

  1. de IB 2003 en IB 2005 doordat de belastingdeurwaarder - in opdracht van de ontvanger - het Document op het Adres heeft achtergelaten;

  2. de IB 2006 en IB 2007 doordat de ontvanger de aanslagbiljetten ter post heeft bezorgd.

5.4. (

Verschoonbaarheid) termijnoverschrijding

5.4.1.

Nu gelet op het vorenoverwogene de bekendmaking op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden (en in aanmerking genomen dat uit rechtsoverweging 5.3.10 volgt dat de dag van dagtekening niet gelegen is vóór de dag van bekendmaking) vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet.

5.4.2.

Voor wat betreft de data waarop de bezwaartermijnen zijn aangevangen en geëindigd, verwijst het Hof naar hetgeen de rechtbank dienaangaande onder 4.4.2, 4.5 en 4.6 heeft overwogen.

5.4.3.

Met de rechtbank (zie rechtsoverweging 4.7 rechtbankuitspraak) is het Hof van oordeel dat de bezwaarschriften tegen de litigieuze beschikkingen niet tijdig zijn ingediend.

5.4.4.

Een buiten de wettelijke termijn ingekomen bezwaarschrift is op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest.

5.4.5.

Belanghebbende stelt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat – zo begrijpt het Hof hem – hij niet eerder dan op 15 oktober 2010 kennis kreeg van de litigieuze beschikkingen en hij aldus niet eerder bezwaar kon indienen (zie 2.4 en de passage in rechtsoverweging 4.13 rechtbankuitspraak, die begint met “Eiser is op de hoogte …”).

5.4.6.

Naar het oordeel van het Hof is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende eerst op 15 oktober 2010 kennis kreeg van de - op de juiste wijze bekendgemaakte - beschikkingen. Integendeel, het Hof acht gelet op het bestaan van de Regeling aannemelijk dat belanghebbende niet veel later dan de datum van bekendmaking kennis kreeg van de litigieuze beschikkingen.
Maar ook indien het Hof er veronderstellenderwijs van uitgaat dat belanghebbende eerst op 15 oktober 2010 kennis kreeg van de beschikkingen, is dit kennelijk veroorzaakt door (het falen van) de getroffen voorziening die ertoe strekte dat belanghebbende, ook gedurende zijn voortvluchtigheid, kennis kreeg van ‘belangrijke’ post (waaronder het Hof de onderhavige beschikkingen schaart, zie ook 5.3.9). Dit een en ander komt voor rekening en risico van belanghebbende en is in ieder geval niet een omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat hij in verzuim is geweest.

5.4.7.

Belanghebbende heeft zich nog beroepen op een arrest van de Hoge Raad van 22 juni 1988, nr. 24998, LJN:ZC3854 (BNB 1988/292). Hierin overwoog de Hoge Raad:

“Ingeval de belastingplichtige aan wie een verhoging is opgelegd, stelt dat de termijnoverschrijding aan een hem niet toe te rekenen omstandigheid is te wijten, terwijl omtrent de juistheid van die stelling in rechte geen zekerheid valt te verkrijgen, is eerbiediging van zijn recht op toegang tot de rechter niet gewaarborgd wanneer die onzekerheid - gelijk bij de in cassatie bestreden uitspraak is geschied - voor zijn risico wordt gebracht. In zodanig geval zou immers de mogelijkheid open blijven dat de belastingplichtige als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid verstoken blijft van zijn recht om het opleggen van de verhoging aan het oordeel van de rechter te onderwerpen. Derhalve moet de regel volgens welke een na afloop van de gestelde termijn gemaakt bezwaar c.q. ingesteld beroep niet-ontvankelijk is, buiten toepassing blijven indien de belastingplichtige aan wie een verhoging is opgelegd stelt dat, en op welke grond, de termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen; de niet-ontvankelijkheid kan alsdan slechts worden uitgesproken indien de onjuistheid van deze stelling wordt bewezen.”

5.4.8.

Reeds omdat uit rechtsoverweging 5.4.6 volgt, dat de termijnoverschrijding wel aan een belanghebbende toerekenbare omstandigheid is te wijten, beroept belanghebbende zich ten onrechte op dit arrest.

Slotsom

De slotsom is aldus dat de hoger beroepen ongegrond zijn en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb (in verbinding met artikel 8:108 van die wet).

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. P.F. Goes, voorzitter, M.J. Leijdekker en M. Greebe, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 4 december 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.