Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:562

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2014
Datum publicatie
11-03-2014
Zaaknummer
200.136.514/01
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid; onderzoek bevolen; benoeming van een bestuurder en de overdracht van aandelen ten titel van beheer aan een derde als beheerder bevolen bij wijze van onmiddellijke voorzieningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0113
ARO 2014/55
JONDR 2014/778

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer : 200.136.514/01

beschikking van de Ondernemingskamer van 27 februari 2014

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster 1] ,

gevestigd te Nijmegen,

VERZOEKSTER,

advocaat: mr. K. de Vries, kantoorhoudende te Groningen,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JMJ INVEST B.V.,

gevestigd te Elst (Gelderland),

VERWEERSTER,

advocaat: mr. C.J. van Dijk, kantoorhoudende te Ede,

e n t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[belanghebbende 1] ,

gevestigd te Elst (Gelderland),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DORMIL OOSTERHOUT BEHEER B.V.,

gevestigd te Oosterhout,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: mr. C.J. van Dijk, kantoorhoudende te Ede.

1 Het verloop van het geding

1.1

In het vervolg zullen partijen (ook) als volgt worden aangeduid:

  • -

    verzoekster met MB;

  • -

    verweerster met JMJ Invest;

  • -

    belanghebbende 1 met JEB, en

  • -

    belanghebbende 2 met DOB.

1.2

MB heeft bij op 4 november 2013 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht – zakelijk weergegeven – bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad,

1. een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van JMJ Invest over de periode vanaf 1 januari 2009;

2. bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding een bestuurder dan wel commissaris te benoemen, onder de bepaling dat de zittende bestuurder van JMJ Invest alleen rechtsgeldige besluiten kan nemen in aanwezigheid van deze door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder dan wel commissaris, alsmede onder de bepaling dat de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder dan wel commissaris in alle gevallen een doorslaggevende stem heeft binnen het bestuur van JMJ Invest;

3. JMJ Invest te veroordelen in de kosten van het geding.

1.3

JMJ Invest, JEB en DOB hebben bij op 24 december 2013 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht het verzoek af te wijzen met veroordeling van MB in de kosten van het geding.

1.4

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 23 januari 2014. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van - aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde - aantekeningen en onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartijen gezonden nadere producties. Mr. De Vries heeft daarnaast één productie, productie 32, overgelegd, die hij niet op voorhand aan de wederpartijen en de Ondernemingskamer had toegezonden. Mr. Van Dijk heeft ter zitting verklaard dat hij geen bezwaar heeft tegen overlegging van deze productie. Partijen hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord.

2 De feiten

De Ondernemingskamer gaat uit van de volgende feiten:

2.1

JMJ Invest is op 18 juni 1996 opgericht.

2.2

JEB, DOB en MB houden elk een derde (1/3) van de aandelen in het geplaatste kapitaal van JMJ Invest.

2.3

[A] (hierna [A]) houdt alle aandelen in JEB. [B] (hierna [B]) houdt alle aandelen in DOB. [C] (hierna [C]) houdt alle aandelen in MB.

2.4

[B] en [A] zijn broers.

2.5

JMJ Invest houdt alle aandelen in JPO Projecten B.V. en JPO Participaties B.V..

2.6

Volgens de statuten heeft JMJ Invest tot doel het verkrijgen, vervreemden en exploiteren van onroerende zaken en andere vermogenswaarden.

2.7

JMJ Invest is opgericht om de krachten van [B], [A] en [C] op het gebied van vastgoedontwikkeling te bundelen. De oorspronkelijke samenwerking was gebaseerd op gelijkwaardigheid en gericht op eenstemmigheid. Behoudens besluiten tot ontslag en schorsing van een bestuurder, kan de algemene vergadering van aandeelhouders van JMJ Invest, naar blijkt uit artikel 17 van de statuten, slechts unaniem besluiten nemen in een vergadering waarin het gehele geplaatste kapitaal is vertegenwoordigd. Tot 21 mei 2010 (zie hierna) vormden JEB, DOB en MB gezamenlijk het bestuur van JMJ Invest.

2.8

In de eerste jaren na oprichting van JMJ Invest zijn door haar investeringen in diverse vastgoedprojecten gedaan, waarvan een deel onder de noemer ‘materiële vaste activa’ in haar jaarrekening is opgenomen.

2.9

Vanaf 2000 hebben JEB, DOB en MB geen overeenstemming bereikt over verdere investeringen door JMJ Invest.

2.10

In de periode 2004 tot en met 2009 hebben JEB en MB diverse pogingen ondernomen om de samenwerking te beëindigen.

2.11

In 2004 is [C] in loondienst getreden bij de Woningcorporatie Volkshuisvesting te Arnhem.

2.12

Op 30 januari 2005 heeft [C] aan [B] en [A] geschreven: “Nogmaals geef ik nu aan (nu voor de derde keer) dat ik vind dat de administratie en alle accountantswerkzaamheden extern moeten gaan plaatsvinden”.

2.13

In maart 2008 hebben DOB, JEB en MB een vaststellingsovereenkomst gesloten en hebben zij (onder meer) afgesproken de administratie, het opstellen van de jaarrekeningen, alsook het beheer van het vastgoed uit te besteden aan derden.

2.14

JMJ Invest heeft op 3 mei 2o10 haar aandeelhouders opgeroepen voor een vergadering van aandeelhouders op 21 mei 2010. Op de aandeelhoudersvergadering van 21 mei 2010 zijn de jaarrekeningen over de jaren 2002 tot en met 2008 vastgesteld. Verder is MB als bestuurder van JMJ Invest ontslagen. JEB heeft laten weten als bestuurder per gelijke datum terug te treden. Sinds 21 mei 2010 is DOB derhalve enig bestuurder van JMJ Invest. DOB is zelfstandig bevoegd.

2.15

Op 28 juni 2010 heeft JMJ Invest aan DOB een kredietfaciliteit in rekening-courant verstrekt tot een bedrag van € 300.000 tegen een rentepercentage dat gelijk is aan de marginale beleningsrente van dat jaar vastgesteld door de Europese Centrale Bank, hetgeen neerkomt op een rentepercentage van 1,75% over de jaren 2010, 2011 en 2012 en een rentepercentage van 1,5% over het jaar 2013. Bij het aangaan van de kredietovereenkomst is door DOB geen zekerheid verstrekt. Het rekening-courantsaldo bedroeg eind 2012 circa € 103.000 en eind 2013 circa € 200.000.

2.16

Op 6 januari 2011 heeft JMJ Invest een bedrag van € 325.000 van [O BV] (hierna OVC) geleend. De rente bedraagt “minimaal 3,00% en maximaal 6,60% per jaar en het exacte rentepercentage zal worden gerelateerd aan 50% van het door JMJ Invest jaarlijks gerealiseerde resultaat” van de exploitatie van een aantal onroerende zaken.

2.17

Bij brief van 29 december 2011 betreffende de “Jaarrekening 2010 van JMJ Invest B.V. en de gang van zaken 2011/2012” heeft JMJ Invest aan MB het financieel verslag van JMJ Invest over het jaar 2010 gestuurd. De brief houdt onder meer in dat het bestuur van JMJ Invest voor de jaren 2011 en 2012 aanzienlijke verliezen verwacht.

2.18

Op 15 november 2012 heeft JMJ Invest een bedrag van € 220.000 aan [K] en [L] (hierna [K L c.s.]) geleend tegen een rentepercentage van 5% per jaar ter financiering van een onroerende zaak in Duitsland.

2.19

Bij brief van 9 mei 2012 heeft de advocaat van MB, mr. K.W.A. Wools, onder meer het volgende aan DOB geschreven:

“Cliënte heeft kennis genomen van uw brief van 29 december 2011. Naar aanleiding van deze brief wenst cliënte van u, als bestuurder, de nodige verantwoording te krijgen voor het door u gevoerde beleid.

Ondermeer verlangt cliënte verantwoording over de verwachte aanzienlijke verliezen voor 2011 en 2012 die door de directie van JMJ Invest BV worden veroorzaakt. U dient zich daarbij met name te verantwoorden voor:

  • -

    het investeren in een rechtszaak waarvan de kans van slagen in de visie van cliënte zeer gering was. Op z’n minst dient u aan te geven op grond waarvan de beslissing is genomen om deze rechtszaak door te zetten.

  • -

    de veel te hoge kosten in de bedrijfsvoering in 2009 en 2010. Binnen de BV vinden, afgezien van het beheer van enkele onroerende zaken, geen activiteiten plaats. In relatie tot deze activiteiten lijken de kosten dramatisch hoog;

  • -

    het doen verstrekken van een lening door JMJ Invest B.V. aan Dormil Oosterhout Beheer B.V. Met name wenst cliënte te vernemen onder welke voorwaarden deze lening is aangegaan, welk belang van JMJ Invest B.V. gediend is met het aangaan van deze lening en op grond waarvan u, als bestuurder, heeft besloten om deze geldlening door JMJ Invest B.V. te laten verstrekken. Ik wijs er op voorhand op dat er hier sprake is van een tegenstrijdig belang tussen JMJ Invest B.V. en Dormil Oosterhout B.V., zodat u, als bestuurder, de aandeelhoudersvergadering voorafgaand aan het verstrekken van de geldlening had moeten informeren omtrent uw voornemen.

De verantwoording ontvang ik graag schriftelijk en wel binnen 10 dagen na heden. Voorts verzoek ik u namens cliënte om een bijzondere aandeelhoudersvergadering uit te roepen met als onderwerpen de hierboven genoemde kwesties waarover verantwoording wordt gevraagd.

Aanbieding aandelen door cliënte

Voorts meld ik u dat cliënte hierdoor haar aandelen te koop aanbiedt conform het bepaalde in artikel 8 van de statuten van JMJ Invest B.V.. Ik deel u derhalve namens cliënte mede dat zij alle haar in bezit zijnde aandelen van JMJ Invest B.V. wenst over te dragen. Ik verzoek u, in uw hoedanigheid van bestuurder, om conform het bepaalde in artikel 8 van de statuten te handelen. Dit betekent dat u de mededeling ter kennis dient te brengen van de andere aandeelhouders en dat de prijs van de aandelen conform de statuten wordt bepaald. Cliënte is bereid om gezamenlijk een deskundige te benoemen die de waarde kan vaststellen. Ik verneem graag of u daaraan meewerkt, bij gebreke waarvan cliënte zich voor de benoeming van deskundigen tot de kantonrechter zal wenden.”

2.20

Bij brief van 21 mei 2012 heeft de advocaat van DOB, mr. R.A. van Huussen aan MB onder meer het volgende geschreven:

“Uw voorstel om gezamenlijk een deskundige te benoemen die de waarde van de aandelen van uw cliënte vaststelt, spreekt cliënte aan. Kunt u een voorstel voor een te benoemen deskundige doen?”

2.21

Bij brief aan JMJ Invest van 7 november 2012 heeft JEB haar aandelen in JMJ Invest te koop aangeboden voor een prijs van € 250.000.

2.22

Bij brief aan DOB van 28 maart 2013 heeft mr. K. de Vries als advocaat van MB de bezwaren van MB tegen het beleid en de gang van zaken van JMJ Invest kenbaar gemaakt en heeft MB verzocht om een buitengewone vergadering van aandeelhouders uit te roepen. Op voormelde brief heeft DOB gereageerd met de mededeling dat de brief aan JMJ Invest gericht moet worden. Vervolgens heeft mr. K. de Vries deze brief alsmede de brief van 28 maart op 18 april 2013 aan JMJ Invest gezonden. Naar aanleiding van de brief van 18 april 2013 van mr. K. de Vries heeft het bestuur van JMJ Invest bij brief van 17 mei 2013 aan MB gereageerd. Deze brief houdt onder andere het volgende in:

“In de eerste zin van dat schrijven – in eerste instantie gedateerd op 28 maart jl. en later gecorrigeerd op 18 april 2013 – staat dat de heer De Vries voor u c.q. [verzoekster 1] optreedt. Voor wat betreft het vervolg van de inleiding is mij echter niet duidelijk of daarin uw mening of die van de heer De Vries is verwoord.

Alvorens de directie van JMJ Invest B.V. een besluit kan nemen omtrent haar reactie op onderhavig schrijven van de heer De Vries is het noodzakelijk dat deze onduidelijkheden niet meer bestaan. Daarom verzoek ik u de navolgende vragen te beantwoorden.

In de derde alinea van de brief staat dat ‘JMJ Invest B.V. feitelijk een beleggingsmaatschappij geworden is met enig vastgoed in portefeuille’.

Onderschrijft u deze bewering en welke argumenten liggen daaraan ten grondslag?

In de vierde alinea van onderhavige brief staat dat inmiddels ‘feitelijk het bestaansrecht aan JMJ Invest B.V. is ontvallen’ en dat ‘het nog steeds voor de hand ligt om over te gaan tot liquidatie van JMJ Invest B.V.

Onderschrijft u deze twee beweringen en welke argumenten liggen daaraan ten grondslag?

Na zijn inleiding becommentarieert de heer De Vries allerlei formele, financiële en operationele zaken van JMJ Invest B.V.. Het komt mij voor dat een briefwisseling met de heer De Vries niet het geëigende platform is om dit soort zaken te behandelen. Dit behoort namelijk tot het domein van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA).”

2.23

Bij brief van 16 augustus 2013 heeft JMJ Invest de aandeelhouders van JMJ Invest opgeroepen voor een algemene vergadering van aandeelhouders. Deze vergadering - de eerste sinds 21 mei 2010 - heeft op 3 september 2013 plaatsgevonden. Bij de uitnodiging voor deze vergadering waren geen jaarstukken gevoegd. Op deze vergadering zijn de jaarrekeningen 2009 t/m 2012 (waaronder de winstreserveringen over de jaren 2009 t/m 2012), zoals opgemaakt door het bestuur, ter vaststelling aan de aandeelhouders voorgelegd. DOB en JEB hebben vóór vaststelling van deze jaarrekeningen gestemd; MB heeft tegen gestemd en heeft te kennen gegeven dat zij de jaarrekeningen niet wil goedkeuren omdat zij geen antwoord heeft gekregen op haar vragen als gesteld in haar brief van 18 april 2013. De jaarrekeningen zijn derhalve niet vastgesteld. MB heeft ter vergadering nogmaals haar bezwaren tegen het beleid en gang van zaken bij JMJ Invest kenbaar gemaakt. De voorzitter ([B]) heeft ter vergadering toegezegd een buitengewone vergadering van aandeelhouders te beleggen, zodra MB inhoudelijk zal hebben gereageerd op voormelde brief van JMJ Invest van 17 mei 2013 Tevens heeft hij MB verzocht nauwkeurig geformuleerde agendapunten voor deze vergadering aan te leveren.

3 De gronden van de beslissing

3.1

MB heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid van JMJ Invest en dat gelet op de toestand van de vennootschap onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen. Ter toelichting heeft MB de volgende bezwaren naar voren gebracht:

  • -

    i) het stond DOB niet vrij namens JMJ Invest, zonder de aandeelhoudersvergadering van JMJ Invest in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten, een ongesecureerde rekening-courant faciliteit tegen een rentevergoeding gelijk aan de marginale beleningsrente per 1 januari van ieder jaar aan DOB te verstrekken;

  • -

    ii) de door JMJ Invest verstrekte lening aan [K L c.s.] is gelet op het belang van JMJ Invest onbegrijpelijk en in strijd met het doel van JMJ Invest;

  • -

    iii) de door OVC aan JMJ Invest verstrekte lening is gelet op het belang van JMJ Invest onbegrijpelijk;

  • -

    iv) de belangen van JMJ Invest worden verstrengeld met de privébelangen van haar bestuurder DOB c.q. diens bestuurder [B];

  • -

    v) de jaarrekeningen van JMJ Invest worden te laat of niet aan MB verstrekt;

  • -

    vi) de administratie van JMJ Invest en de door DOB zelf opgestelde jaarrekeningen worden in strijd met artikel 12 lid 2 van de statuten en de tussen partijen in maart 2008 overeengekomen vaststellingsovereenkomst niet onderzocht door een accountant;

  • -

    vii) de kantoor- en administratiekosten van JMJ Invest zijn vanaf 2009 ruwweg verdubbeld en een verklaring voor de toename van deze kosten ontbreekt;

  • -

    viii) DOB gaat iedere inhoudelijke communicatie, informatieverstrekking en verantwoording over het in JMJ Invest gevoerde beleid stelselmatig uit de weg;

  • -

    ix) door JMJ Invest wordt al jarenlang geen dividend uitgekeerd.

3.2

JMJ Invest, DOB en JEB hebben verweer gevoerd.

3.3

De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig op dit verweer ingaan.

3.4

De Ondernemingskamer oordeelt als volgt.

3.5

Uit de gedingstukken en hetgeen ter zitting is verhandeld is niet gebleken welk belang JMJ Invest had bij het verstrekken van de kredietfaciliteit in rekening-courant aan DOB zonder zekerheidstelling en met – in de praktijk – relatief lage rente (zie hierboven onder 2.15). Ter terechtzitting heeft DOB naar voren gebracht dat zij behoefte had aan financiering en dat de kredietfaciliteit in haar belang werd verstrekt om noodzakelijke werkzaamheden binnen DOB te kunnen uitvoeren. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer doet zich hier een tegenstrijdig belang voor waarvan de vennootschap zich geen rekenschap heeft gegeven. Op grond van dit een en ander moet worden getwijfeld aan de zakelijkheid van het aangaan van de lening en aan de daaraan verbonden voorwaarden. Dat geeft geen inzicht in het belang van JMJ Invest.

Naar het oordeel van de Ondernemingskamer doet zich hier tevens een tegenstrijdig belang voor waarvan de vennootschap zich geen rekenschap heeft gegeven. Op grond van dit een en ander moet voorts worden getwijfeld aan de zakelijkheid van het aangaan van de lening en aan de daaraan verbonden voorwaarden.

3.6

DOB en JMJ Invest hebben evenmin een bevredigende verklaring gegeven wat het belang van JMJ Invest was bij het verstrekken van een lening aan [K L c.s.]. Het belang dat DOB ([B]) wilde investeren in een goede relatie met [K L c.s.] geeft geen afdoende verklaring. Ook is geen inzicht verstrekt wat het belang van JMJ Invest is bij het aantrekken van een lening van OVC. Uit de gedingstukken en hetgeen ter zitting is verhandeld blijkt niet hoe en waarvoor deze geleende gelden door JMJ Invest zijn c.q. worden aangewend.

3.7

Het in- en uitlenen zonder duidelijk belang, met onderscheiden rentes die – gelet op het ontbreken van een verklaring – onnodige kosten voor de vennootschap lijken mee te brengen en het hierboven vastgestelde tegenstrijdig belang en zonder ten aanzien van het krediet in rekening-courant behoorlijke zekerheid te bedingen, leveren reeds gegronde redenen op om aan een juist beleid te twijfelen.

3.8

Met betrekking tot het tijdig vaststellen van de jaarrekeningen overweegt de Ondernemingskamer het volgende. Na de aandeelhoudersvergadering die in mei 2010 plaatsvond is er nog slechts één aandeelhoudersvergadering gehouden, namelijk die van 3 september 2013 (zie hierboven onder 2.23). Het staat dus vast dat algemene vergaderingen van aandeelhouders tot vaststelling van de jaarrekeningen over de boekjaren 2009 t/m 2012 niet tijdig hebben plaatsgevonden. Verder is het de Ondernemingskamer ter terechtzitting gebleken dat deze jaarrekeningen niet of niet tijdig aan MB zijn verstrekt.

3.9

Daar komt bij dat, ondanks herhaald verzoek van MB daartoe, de door DOB opgestelde jaarrekeningen van JMJ Invest, in weerwil van het bepaalde in artikel 12 lid 2 van de statuten, niet onderzocht zijn door een accountant. Naleving van het desbetreffende voorschrift was temeer van belang nu er al sinds lange tijd spanningen bestaan tussen partijen over de (financiële) ontwikkelingen binnen JMJ Invest en de daardoor voor JMJ Invest ontstane verplichtingen en risico’s.

3.10

Verder is zonder nadere toelichting, waarover (het bestuur van) JMJ Invest desgevraagd ter zitting geen bevredigende verklaring heeft gegeven, niet te begrijpen hoe de OVC lening in de jaarrekening over 2012 is verwerkt. Zij is onder de post ‘langlopende leningen’ opgenomen, terwijl het – gelet op de tussen JMJ Invest en OVC overeengekomen opzegtermijn – in feite een kortlopende lening is.

3.11

Tot slot moet de Ondernemingskamer gelet op de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van 3 september 2013 en hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard aannemen dat DOB op de algemene vergadering van aandeelhouders van 3 september 2013 heeft geweigerd vragen van MB over de jaarrekeningen 2009 t/m 2012 (waarin ook de winstreservering is opgenomen) te beantwoorden. Daarmee zette zij haar weinig bereidwillige houding zoals die blijkt uit haar brief van 17 mei 2013 (zie hierboven onder 2.22) voort. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer heeft DOB geen althans onvoldoende openheid betracht en daardoor MB niet in staat gesteld op basis van adequate informatie de (inhoud van de) jaarrekeningen over 2009 t/m 2012 te beoordelen. Het in het verweerschrift opgenomen verweer dat [C] werkzaam is voor of bij één van de concurrenten van JMJ Invest, hetgeen gemotiveerd is bestreden, is naar het oordeel van de Ondernemingskamer geen reden om de vragen van MB niet te beantwoorden.

3.12

Ook uit hetgeen onder 3.8 t/m 3.11 is overwogen, mede in onderling verband bezien, volgt dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid van JMJ Invest te twijfelen. De Ondernemingskamer zal een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van JMJ Invest vanaf 1 januari 2009 bevelen.

3.13

Diezelfde feiten en omstandigheden nopen gelet op de belangen van JMJ Invest en in verband met de toestand van de vennootschap ertoe om bij wijze van onmiddellijke voorziening in te grijpen in de samenstelling van het bestuur van JMJ Invest. De Ondernemingskamer zal DOB als bestuurder van JMJ Invest schorsen en in haar plaats een tijdelijke bestuurder benoemen. De te benoemen bestuurder mag het onder meer tot zijn of haar taak rekenen een minnelijke regeling tussen partijen te beproeven.

3.14

De verstoorde onderlinge verhoudingen rechtvaardigen voorts de vrees dat ordentelijke besluitvorming in het belang van JMJ Invest niet zal plaatsvinden. Dit geldt temeer nu gelet op de statuten van JMJ Invest de algemene vergadering van aandeelhouders slechts unaniem besluiten kan nemen, behoudens besluiten tot ontslag en schorsing van de bestuurder. De Ondernemingskamer zal daarom bij wijze van onmiddellijke voorziening (ook) bepalen dat alle aandelen van MB, DOB en JEB in JMJ Invest ten titel van beheer zijn overgedragen aan een beheerder.

3.15

De Ondernemingskamer zal JMJ Invest, DOB en JEB als de overwegende in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding verwijzen.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van JMJ Invest B.V., gevestigd te Elst, over de periode vanaf 1 januari 2009;

benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon teneinde het onderzoek te verrichten;

stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vast op € 15.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;

bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van JMJ Invest B.V. en dat zij voor de betaling daarvan ten genoege van de onderzoeker voor de aanvang van diens werkzaamheden zekerheid dient te stellen;

benoemt mr. P. Ingelse tot raadsheer-commissaris als bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW;

schorst bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding Dormil Oosterhout Beheer B.V. als bestuurder van JMJ Invest B.V.;

benoemt bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding - voor zover nodig in afwijking van de statuten - een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot bestuurder van JMJ Invest B.V.;

bepaalt dat het salaris en de kosten van deze bestuurder ten laste komen van JMJ Invest B.V. en bepaalt dat JMJ Invest B.V. voor de betaling daarvan ten genoege van de bestuurder zekerheid dient te stellen vóór de aanvang van diens werkzaamheden;

bepaalt vooralsnog voor de duur van het geding dat de aandelen die [verzoekster 1], Dormil Oosterhout Beheer B.V. respectievelijk [belanghebbende 1] in JMJ Invest B.V. houden ten titel van beheer aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon met ingang van heden zijn overgedragen;

bepaalt dat het salaris en de kosten van de beheerder van aandelen ten laste komen van JMJ Invest B.V. en bepaalt dat JMJ Invest B.V. voor de betaling daarvan ten genoege van de bestuurder zekerheid dient te stellen vóór de aanvang van diens werkzaamheden;

verwijst JMJ Invest B.V., DOB en JEB hoofdelijk in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van MB begroot op € 3.365;

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Ingelse, voorzitter, mr. E.A.G. van der Ouderaa en mr. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar, raadsheren, en prof. dr. R.A.H. van der Meer RA en prof. drs. E. Eeftink RA, raden, in tegenwoordigheid van, mr. M.A. Sterk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 27 februari 2014.