Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:559

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-02-2014
Datum publicatie
28-02-2014
Zaaknummer
12/01101
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor het oordeel dat de inspecteur op grond van enig beginsel van behoorlijk bestuur gehouden is een juiste toepassing van de regelgeving achterwege te laten is in de gedingstukken evenmin steun te vinden. Aan de enkele omstandigheid dat het gezamenlijke kamerverhuurbedrijf met [E 1] tot 1 juli 2012 was ingedeeld bij sector 45, zakelijke Dienstverlening III, kan geen in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend dat het kamerverhuurbedrijf als eenmanszaak ook na die datum in deze sector zou worden ingedeeld. Bijkomende omstandigheden waardoor wel vertrouwen zou kunnen zijn gewekt, zijn door belanghebbende niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 12/01101

6 februari 2014

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het beroep van

[A] te [B 1], belanghebbende,

Gemachtigde:[C],

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/[B 2],

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft belanghebbende bij beschikking van 23 september 2012 in het kader van de sectorindeling per 1 juli 2012 ingedeeld in sector, 33 Horeca algemeen.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 8 oktober 2012, de bestreden beschikking gehandhaafd.

1.3.

Het tegen deze uitspraak ingestelde beroep is ter griffie van het gerechtshof ontvangen op 13 november 2012, en aangevuld bij brief van 6 december 2012. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof op 4 december 2013. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het ter zitting verhandelde is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De onderneming van belanghebbende wordt sinds 1 juli 2012 uitgeoefend in de vorm van een eenmanszaak. Voor die tijd dreef belanghebbende een kamerverhuurbedrijf samen met [E 1].

2.2.

De bedrijfsactiviteiten van belanghebbende bestaan uit het ter beschikking stellen van kamers aan prostituees die tegen vergoeding voor een beperkte tijd (een halve of hele dag) de beschikking krijgen over een afsluitbare kamer waarin zij hun werkzaamheden kunnen uitoefenen. De prostituees kunnen tevens gebruik maken van zogenoemde "vitrines".

De kamers zijn zodanig ingericht dat zij geschikt zijn om daarin prostitutiediensten te verrichten. Naast het ter beschikking stellen van kamers verzorgt belanghebbende de schoonmaak, handdoeken en linnengoedservice. De bedrijfsactiviteiten vinden plaats in een pand [te F].

2.3.1.

Op 5 oktober 2012 heeft een hoorgesprek en tevens een indelingsonderzoek plaatsgevonden. Belanghebbende werd daarbij vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De bevindingen hiervan zijn neergelegd in een rapport van 8 oktober 2012 opgesteld door de Belastingdienst[G].

2.3.2.

In het rapport is onder meer het volgende opgenomen:

“Vaststaat dat werkgever zich bezighoudt met het verhuren van gemeubileerde kamers aan derden. Betreft specifiek bij werkgever kamerverhuur aan dames en heren die zich in de kamers in de regel voor korte tijd met bezoekers kunnen terugtrekken voor het bedrijven van prostitutie en/of het geven van (erotische) massages. Deze activiteiten vallen onder de werkingssfeer van sector 33 Horeca algemeen met als maatschappelijke functie verhuur van gemeubileerde kamers.”

4 Geschil

In geschil is of belanghebbende terecht is ingedeeld in sector 33, Horeca algemeen.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Naar partijen ter zitting hebben verklaard is niet meer in geschil dat de werkzaamheden van belanghebbende zoals die onder 2.2. zijn omschreven kunnen worden geduid als werkzaamheden van een kamerverhuurbedrijf genoemd bij sector 33, Horeca algemeen.
Dit uitgangspunt getuigt niet van een onjuist juridisch inzicht zodat het Hof partijen daarin zal volgen.

4.2.

Voor het oordeel dat de inspecteur op grond van enig beginsel van behoorlijk bestuur gehouden is een juiste toepassing van de regelgeving achterwege te laten is in de gedingstukken evenmin steun te vinden. Aan de enkele omstandigheid dat het gezamenlijke kamerverhuurbedrijf met [E 2]tot 1 juli 2012 was ingedeeld bij sector 45, zakelijke Dienstverlening III, kan geen in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend dat het kamerverhuurbedrijf als eenmanszaak ook na die datum in deze sector zou worden ingedeeld. Bijkomende omstandigheden waardoor wel vertrouwen zou kunnen zijn gewekt, zijn door belanghebbende niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt.

4.3.

De stelling van belanghebbende dat het gelijkheidsbeginsel door de inspecteur zou zijn geschonden verwerpt het Hof, omdat ook daarvoor de feitelijke grondslag ontbreekt..

4.4.

De indeling bij sector 33 is terecht. Het beroep is mitsdien ongegrond.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, J. den Boer en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van [de]griffier. De beslissing is op 6 februari 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.