Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5564

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
200.134.792-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 24 juni 2014. Omvang van de schade vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.134.792/01

zaak-/rolnummer rechtbank: 129736 CV HA ZA 11-449 (Noord-Holland)

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 december 2014

inzake

[appellante],

gevestigd te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. M. Drolsbach te Badhoevedorp,

tegen:

[geïntimeerde],

gevestigd te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. N.E.N. de Louwere te Waalre.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 24 juni 2014 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar dat tussenarrest verwezen.

[appellante] heeft van de in dat tussenarrest geboden gelegenheid om een akte te nemen gebruik gemaakt door het indienen van een memorie na tussenarrest, met producties.

[geïntimeerde] heeft daarop bij antwoordmemorie gereageerd.

Vervolgens is wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1.

Het hof heeft in genoemd tussenarrest overwogen dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de door [appellante] als gevolg van het niet (tijdig) aanvragen van de fiscale eenheid geleden schade en heeft [appellante] in de gelegenheid gesteld om op het door [geïntimeerde] tegen de hoogte van deze schade gevoerde verweer in te gaan en de door haar opgevoerde schadeposten nader toe te lichten.

2.2.

Partijen zijn het er thans over eens dat over de door [appellante] gevorderde schadevergoeding niet de wettelijke handelsrente maar de wettelijke rente verschuldigd is.

2.3.

Het hof acht genoegzaam aangetoond dat - zoals mr. Drolsbach namens [appellante] in eerste aanleg ter comparitie heeft verklaard - aan [X] (hierna: [X], die als financier van de onroerend goed transactie optrad, een bedrag van € 16.000,- is betaald en dat die betaling verband hield met de vervroegde aflossing van de door Bartels op 5 juli 2007 ten behoeve van deze transactie verstrekte geldlening. Het hof wijst in dit verband op de door [appellante] ter gelegenheid van bedoelde comparitie van partijen overgelegde producties 18, 20 en 21 alsmede op de bij memorie na tussenarrest als productie HB4 overgelegde kopie van een bankafschrift waaruit de overmaking van bedoeld bedrag door Aerdenburgh Holding B.V. ten gunste van Bartels blijkt. Dat tot het beloop van die betaling vervolgens door Aerdenburgh Holding een vordering op [appellante] in rekening courant is geboekt, zoals [appellante] in haar memorie na tussenarrest heeft betoogd, ligt op zichzelf voor de hand en is door [geïntimeerde] niet voldoende gemotiveerd bestreden. Hetgeen [geïntimeerde] in haar antwoordmemorie na tussenarrest aanvoert is te weinig concreet en te speculatief van aard om hier anders over te oordelen.

2.4.

Van de zijde van [geïntimeerde] is ter gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg verklaard dat de nota van de notaris, voor zover voldaan, op zich redelijk is.

Het door [geïntimeerde] in dit verband gestelde in aanmerking genomen, acht het hof de post notariële en aanverwante kosten ad € 1.710,55 toewijsbaar, zij het zonder de in rekening gebrachte btw ten belope van € 255,55. De desbetreffende afrekening is aan [appellante] gericht. Dat het de teruglevering van de “uitgezakte” panden betreft (gelegen aan het Julianapark en de Javastraat te Haarlem) blijkt genoegzaam uit de ter gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg als producties 18 en 19 overgelegde aktes. Dat [appellante] de hierbedoelde kosten verschuldigd is geworden en heeft voldaan is in het licht daarvan in redelijkheid niet aan twijfel onderhevig.

2.5.1.

Met betrekking tot de declaraties van de door [appellante] ingeschakelde belastingadviseur(s) (de “advieskosten”) heeft de advocaat van [geïntimeerde] bij comparitie van partijen opgemerkt dat deze onvoldoende gespecificeerd zijn, dat de noodzaak van meerdere adviseurs onvoldoende is onderbouwd en dat een en ander niet voldoet aan de dubbele redelijkheidstoets. Bij antwoordmemorie na tussenarrest heeft [geïntimeerde] er voorts op gewezen dat twee van de declaraties niet aan [appellante] maar aan Aerdenburgh Holding zijn gericht en voorts aangevoerd dat een aantal in die declaraties opgenomen posten niet kloppen.

2.5.2.

[appellante] heeft in haar memorie na tussenarrest gesteld dat de verschillende declaraties afkomstig zijn van dezelfde belastingadviseur, die in de desbetreffende periode tweemaal van naam is gewijzigd. Dit wordt door [geïntimeerde] in haar antwoordmemorie niet bestreden, zodat het hof van de juistheid van deze stelling uitgaat.

Aan het verweer dat twee van de declaraties niet aan [appellante] maar aan Aerdenburgh Holding zijn gericht en dat het om die reden niet om door [appellante] geleden schade gaat, gaat het hof voorbij reeds omdat dit verweer ook ter gelegenheid van de comparitie van partijen gevoerd had kunnen worden en het eerst opwerpen daarvan bij antwoordmemorie na tussenarrest in het licht van de eisen van goede procesorde als tardief moet worden beschouwd.

2.5.3.

Met betrekking tot de hoogte van de declaraties oordeelt het hof als volgt. Vast staat dat de belastingdienst Holland-Midden op 7 juni 2011 een brief heeft doen uitgaan waarin deze zich akkoord verklaarde met het opvoeren van een herinvesteringsreserve, waarmee het gevaar van de onnodig hoge aanslag vennootschapsbelasting met betrekking tot de door [appellante] (voorheen Liba) in 2007 gerealiseerde boekwinst op de onroerend goed transactie was afgewend. Dat deze boekwinst ten minste € 2.040.205,- beliep, zoals [appellante] in eerste aanleg heeft gesteld, en dat daarover vennootschapsbelasting ten bedrage van ruim € 500.000,- zou zijn geheven indien de maatregelen waarop de onderhavige advieskosten betrekking hebben niet zouden zijn genomen, wordt door [geïntimeerde] niet (voldoende duidelijk) betwist.

Het hof acht tegen deze achtergrond de hoogte van de in bedoelde declaraties verwerkte kostenposten voor zover die betrekking hebben op tot 7 juni 20011 verrichte werkzaamheden redelijk en als schadepost toewijsbaar (declaraties van 5 juni 2008, gedeeltelijk, 3 juli 2008, gedeeltelijk, 30 december 2010, 16 mei 2011 en 26 juli 2011). [geïntimeerde] heeft in dit verband opgemerkt dat uit de overgelegde specificaties van de declaraties van 3 juli 2008 en 30 december 2010 valt op te maken dat door de belastingadviseur bedragen zijn gedeclareerd die hoger zijn dan uit de declaratiestaten zou volgen, maar het hof acht de verschillen tussen de bedragen berekend op basis van declaratiestaten en de opgevoerde “definitieve bedragen” niet zodanig dat geoordeeld kan worden dat [appellante] door laatstbedoelde bedragen niet ter discussie te stellen niet voldoende aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan. Het hof verwerpt ten slotte het betoog van [geïntimeerde] dat een aantal van de declaraties van de belastingadviseur onvoldoende is toegelicht: de toelichting daarop is voldoende adequaat.

2.5.4.

Door middel van de declaratie van 17 november 2011 is door de belastingadviseur een bedrag van € 1.265,- in rekening gebracht zijnde kosten van het “opzoeken, uitzoeken en splitsen” van de hiervoor besproken declaraties. Het hof acht de hoogte van dit bedrag niet onredelijk en de desbetreffende kosten toewijsbaar op de voet van artikel 6:96 lid 2 sub b BW.

2.6.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten (declaratie mr. Drolsbach met specificatie overgelegd als productie 25 in eerste aanleg) zijn naar de maatstaven zoals die (ook) in 2011 golden te hoog. Het hof zal deze bepalen op € 1.158,- (conform Voorwerk II).

2.7.

Dit brengt mee dat het hof, na aftrek van de door de notaris in rekening gebrachte btw, in hoofdsom een bedrag van € 34.687,50 toewijsbaar acht. Voor toewijzing van nadere, gedurende de loop van deze procedure (in 2014) ter vaststelling van schade gemaakte kosten, (zoals deze bij memorie na tussenarrest worden gevorderd) is - naast de hiervoor reeds vermelde posten en de proceskostenveroordeling - onvoldoende grond, het in dit verband bij wege van eisvermeerdering bij memorie na tussenarrest gevorderde bedrag van € 1.460,- zal worden afgewezen.

2.8.

Met betrekking tot de door [geïntimeerde] verschuldigde wettelijke rente oordeelt het hof als volgt. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf het tijdstip dat schade is geleden. Het hof stelt dit tijdstip met betrekking tot de aan Bartels verschuldigde vergoeding op de datum waarop het desbetreffende bedrag - ten belope van € 16.000,- - aan Bartels is voldaan, zijnde 7 april 2009 (met ingang van welke datum, naar mag worden aangenomen, het in de rekening courant verhouding tussen Aerdenburgh Holding en [appellante] als vordering van Aerdenburgh Holding op [appellante] is geboekt). Met betrekking tot de door de notaris in rekening gebrachte kosten - zijnde, exclusief btw, € 1.455, - geldt als tijdstip de datum van de desbetreffende afrekening zijnde 4 mei 2009. Met betrekking tot de door de belastingadviseur in rekening gebrachte kosten (de bedragen van € 3.307,50, € 1.487, € 3.295,- € 4.135,-, € 2.585,- en € 1.265,-) ontbreken gegevens met betrekking tot het tijdstip van de betaling daarvan, gelet hierop wordt de wettelijke rente toewijsbaar geacht vanaf de datum waarop bedoelde posten in dit geding worden gevorderd, zijnde 9 februari 2012. Dit geldt ook voor de declaratie van de advocaat van [appellante] van 1 juli 2011 betreffende in het tweede kwartaal van 2011 gemaakte buitengerechtelijke kosten (die zoals gezegd tot beloop van een bedrag van € 1.158,- voor vergoeding in aanmerking komen).

2.9.

Het voorgaande brengt mee dat het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd en de vordering van [appellante] alsnog (grotendeels) zal worden toegewezen. [geïntimeerde] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende;

veroordeelt [geïntimeerde] om tegen kwijting aan [appellante] te betalen een bedrag van € 34.687,50 te vermeerderen met wettelijke rente berekend aan de hand van hetgeen hierboven onder 2.8 is overwogen;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties aan de zijde van [appellante] begroot op € 1.274,31 aan verschotten en € 2.034,- voor salaris in eerste aanleg en tot op heden op € 770,71 aan verschotten en € 1.341,- voor salaris in hoger beroep;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van het bedrag van € 2.608,72 dat door [appellante] uit hoofde van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg aan haar is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente sedert 22 mei 2013;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell, D.J. Oranje en J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 december 2014.