Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5560

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
200.138.251-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Kostbaarhedenverzekering. Beroep van de verzekeraar op een uitsluiting of beperking van de dekking omdat de verzekerde zaak is verduisterd, dan wel sprake is van vermissing in de zin van de ‘voorzichtigheidsclausule’ wordt afgewezen. De schade is het gevolg van oplichting.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 925
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 2, p. 114
JA 2015/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.138.251/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/539070 / HA ZA 13-377

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 december 2014

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats],

appellant,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. P.A.C. de Vries te Arnhem,

tegen:

de rechtspersoon naar buitenlands recht

HISCOX INSURANCE COMPANY LTD.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellante,

advocaat: mr. P.N. van Regteren Altena te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Hiscox genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 29 november 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 september 2013, gewezen tussen hem als eiser en Hiscox als gedaagde. Het betreft een tussenvonnis waarvan de rechtbank op verzoek van [appellant] bij vonnis van 23 oktober 2013 tussentijds hoger beroep heeft opengesteld.

De appeldagvaarding bevat de grieven. Op de eerst dienende dag heeft [appellant] de grieven in de appeldagvaarding genomen, producties overgelegd en geconcludeerd overeenkomstig de eis zoals deze in de appeldagvaarding is verwoord.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel van Hiscox;

- akte naar aanleiding van de memorie van antwoord tevens memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellant].

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – primair zijn vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van Hiscox in de proceskosten, met rente, kosten en nakosten, althans subsidiair het tussenvonnis van 25 september 2013 zal vernietigen – waarbij [appellant] tot het leveren van tegenbewijs is toegelaten – en de zaak zal terugverwijzen naar de rechtbank, met beslissing over de proceskosten.

Hiscox heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en in het incidenteel hoger beroep tot gedeeltelijke vernietiging daarvan, voor zover daarbij het primaire verweer van Hiscox is verworpen, alles met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

In het incidenteel hoger beroep heeft [appellant] geconcludeerd tot verwerping daarvan, met veroordeling van Hiscox in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De rechtbank heeft in het in deze zaak bestreden tussenvonnis van 25 september 2013 onder 2.1 tot en met 2.17 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof daarvan als vaststaand zal uitgaan. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.1

[appellant] heeft met ingang van 9 november 2000 een kunst- en verzamelingverzekering gesloten. Voor de verzekering is eerst op 8 februari 2001 een bewijs van voorlopige dekking afgegeven. Daarin staat vermeld dat van toepassing zijn de voorwaarden Kunst- en verzamelingverzekering 2000-1. Vervolgens is op 20 maart 2001 een polisblad afgegeven waarin deze genoemde verzekeringsvoorwaarden van toepassing worden verklaard en AXA Nordstern ART Vers.AG als risicodrager staat vermeld. [bedrijf] (hierna: [bedrijf]) is als verzekeringsmakelaar bij de totstandkoming van de verzekering betrokken.

2.1.2

Op 14 juni 2006 is een nieuw polisblad afgegeven. Daaruit volgt dat met ingang van 6 mei 2006 een verzekering van kracht is waarbij [bedrijf] als gevolmachtigde optreedt van Hiscox en de voorwaarden Kunst- en verzamelingverzekering 2004-01 van toepassing zijn.

2.1.3

Op 8 oktober 2007 en 3 februari 2012 zijn in verband met mutaties wederom nieuwe polisbladen door [bedrijf] afgegeven. Daarin staat vermeld dat de voorwaarden Kunst- en Verzameling Verzekering 2006-01 (hierna: KVV 2016-01) op de verzekering van toepassing zijn.

2.1.4

Onder de verzekering is onder andere verzekerd een aan [appellant] toebehorend collier van platina en wit goud, voorzien van een marquise briljant als middensteen met een entourage van kleine briljanten. Het collier is op 10 november 2009 getaxeerd op een waarde van € 340.000,00.

2.1.5

In verband met een voorgenomen verkoop van het collier op Bali (Indonesië) is [appellant] met een bevriende politieagent op 26 maart 2012 met het collier en het echtheidscertificaat daarvan naar het door de potentiële koper (door partijen als [X] aangeduid) opgegeven kantooradres gegaan. Zij werden begeleid door vier andere politieagenten. Tijdens een gesprek tussen [appellant], [X] en de politieagent in een aparte kamer is [X] op enig moment met het collier en het echtheidscertificaat via een zijdeur en een raam uit het kantoor verdwenen. Van het collier (en van [X]) is sindsdien niets meer vernomen.

2.1.6

Bij brief van 1 november 2012 heeft [bedrijf] aan [appellant] geschreven dat Hiscox van mening is dat de verzekering voor de geleden schade geen dekking biedt.

2.1.7

Bij brief van 6 februari 2013 heeft [appellant] Hiscox gesommeerd de verzekerde waarde binnen vijf dagen uit te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2012. In die brief heeft [appellant] tevens de voorwaarden KVV 2006-01 vernietigd.

3 Beoordeling

3.1

[appellant] vordert, samengevat, dat Hiscox wordt veroordeeld over te gaan tot uitkering van € 340.000,00 onder de verzekering, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2012 en tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten, nakosten en proceskosten.

3.2

Bij het bestreden tussenvonnis van 25 september 2013 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de KVV 2006-01 niet op de verzekering van toepassing zijn. Volgens de rechtbank is niet komen vast te staan dat over de toepasselijkheid van deze voorwaarden wilsovereenstemming bestaat. Hiscox heeft daarvan ook geen bewijs aangeboden. Hiscox heeft zich ter afwering van de aanspraak van [appellant] primair beroepen op een in de KVV 2006-01 opgenomen uitsluiting voor schade als gevolg van verduistering. Bij gebreke van toepasselijkheid van de KVV 2006-01 heeft de rechtbank dit primaire verweer van Hiscox verworpen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Hiscox op met haar grieven 1 en 2 in incidenteel hoger beroep. Ten overvloede heeft de rechtbank overwogen dat in het voorliggende geval niet kan worden gesproken van verduistering, maar wel van oplichting. Daartegen richt zich grief 3 in incidenteel hoger beroep.

3.3

De rechtbank heeft verder voorshands aangenomen dat [appellant] niet heeft voldaan aan de vereisten van de op de verzekering van toepassing verklaarde ‘voorzichtigheidsclausule’ doordat hij het collier heeft afgedaan en heeft gegeven aan [X]. [appellant] is bij het bestreden tussenvonnis toegelaten tot tegenbewijs tegen de voorshands bewezen stelling dat hij het collier heeft afgegeven aan de potentiële koper.

3.4

Met grief 1 in principaal hoger beroep klaagt [appellant] erover dat de rechtbank niet heeft onderzocht of de voorzichtigheidsclausule in dit geval wel van toepassing is. [appellant] voert daartoe aan dat hij in eerste aanleg heeft betoogd dat de voorzichtigheidsclausule alleen van toepassing is in geval van diefstal of vermissing. Volgens beide partijen is daarvan geen sprake. Ook de rechtbank zelf gaat blijkens r.o. 4.3 van het bestreden tussenvonnis ervan uit dat in dit geval gesproken moet worden van oplichting en dus niet van diefstal of vermissing. De rechtbank had daarom aan het beroep van Hiscox op de voorzichtigheidsclausule voorbij moeten gaan, aldus [appellant].

3.5

De grief is terecht voorgesteld. [appellant] heeft in de inleidende dagvaarding onder 4.2 aangevoerd dat de voorzichtigheidsclausule slechts van toepassing is in geval van diefstal of vermissing. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat daarvan geen sprake is, maar wel van oplichting (inleidende dagvaarding onder 5.2). Verder heeft [appellant], onder verwijzing naar de correspondentie die tussen partijen voorafgaand aan de procedure is gevoerd, gesteld dat Hiscox zelf ook ervan uitgaat dat geen sprake is van diefstal of vermissing (inleidende dagvaarding onder 5.3), zodat de voorzichtigheidsclausule toepassing mist. De rechtbank kon zonder op deze stellingen in te gaan niet uitgaan van de toepasselijkheid van de clausule en tot het oordeel komen dat tussen partijen niet in geschil is dat de voorzichtigheidsclausule in het voorliggende geval een beperking inhoudt van de uitkering tot € 100.000,00 als niet aan de in deze clausule gestelde voorwaarden is voldaan.

3.6

Het slagen van grief 1 brengt mee dat het hof de opnieuw de vraag dient te behandelen of Hiscox dekking dient te verlenen voor de aanspraak van [appellant] en of daarbij de voorzichtigheidsclausule dient te worden toegepast. Bij de behandeling van de dekkingsvraag zullen de grieven in incidenteel hoger beroep gelet op de strekking daarvan gelijktijdig worden betrokken. Het hof zal hierna eerst ingaan op de gebeurtenissen die tot de aanspraak van [appellant] hebben geleid. Vervolgens wordt het feitencomplex bezien in het licht van de verzekeringsvoorwaarden.

3.7

Uit de stellingen van partijen volgt dat Hiscox is gehouden een verzekeringsuitkering te doen ter hoogte van de waarde van het collier, tenzij komt vast te staan dat Hiscox een beroep kan doen op een beperking van de dekking in de verzekeringsvoorwaarden. Ten aanzien van de toedracht van het schadevoorval stelt Hiscox het volgende ter onderbouwing van haar beroep op het ontbreken van dekking, dan wel de volgens haar toepasselijke beperking van de aanspraak van [appellant].

3.8

Volgens Hiscox heeft [X] [appellant] gevraagd hem het collier te geven. [appellant] heeft dat gedaan. [X] heeft het collier vervolgens met een vergrootglas bekeken, het certificaat gevraagd en dat eveneens overhandigd gekregen. Vervolgens is [X] alleen met het collier en het certificaat de kamer uitgegaan, naar zijn zeggen om het collier verder te onderzoeken. [appellant] en de politieagent die hem begeleidde, hebben vervolgens ongeveer een minuut gewacht op zijn terugkeer. Toen [X] niet terugkwam en zij de kamer uit wilden gaan, bleek de deur waardoor [X] de kamer had verlaten in het slot te zijn gevallen. De deur kon niet van binnenuit geopend worden. Zij hebben vervolgens de andere politieagenten gewaarschuwd die [appellant] hebben begeleid en deze hebben de deur geforceerd. [X] heeft het pand via een zijdeur en een raam kunnen verlaten.

3.9

De KVV 2006-01 waarop Hiscox zich beroept, luiden voor zover van belang als volgt:

Artikel 3 Omvang van de dekking

3.1

All Risks

Deze verzekering vergoedt alle verlies van en materiële schade aan de verzekerde voorwerpen, mits plotseling en onverwacht ontstaan, onverschillig door welke oorzaak.

(…)

Artikel 4 Uitsluitingen

4.1

Uitgesloten van de verzekering is schade veroorzaakt door of als gevolg van:

(…)

g onverklaarbaar verlies of onverklaarbare vermissing (zoals bij inventarisatie kan worden opgemerkt);

h verduistering van verzekerde voorwerpen die door verzekerde aan personeel, cliënten, zakenrelaties en dergelijke zijn toevertrouwd (…)”

3.10

De voorzichtigheidsclausule luidt als volgt:

“Schade met betrekking tot kostbaarheden als gevolg van diefstal, vermissing zijn uitsluitend verzekerd indien:

- deze op / aan het lichaam worden gedragen;

- deze met de hand worden gedragen, onder persoonlijk toezicht van verzekerde; (…)

Bovenstaande is niet van toepassing voor kostbaarheden met een totale waarde tot EUR 100.000,00 (…)”

3.11

Welk recht op verzekeringsuitkering [appellant] geldend kan maken, dient door uitleg van de verzekering te worden vastgesteld. Over de exacte tekst van de specifieke voorwaarden wordt in de praktijk in het algemeen niet of niet uitvoerig onderhandeld. Daarom geldt bij een verzekering als de onderhavige als uitgangspunt voor de uitleg dat deze met name afhankelijk is van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de relevante bepalingen zijn gesteld, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel. Dit uitgangspunt kan bijvoorbeeld uitzondering lijden als partijen op concrete, voor het geschil relevante onderdelen van de tekst van de verzekering wel overleg hebben gehad en/of als daarover onderhandelingen hebben plaatsgevonden. Gesteld noch gebleken is dat daarvan in dit geval sprake is geweest.

3.12

Het hof komt niet tot een andere kwalificatie van het voorval dan de rechtbank in r.o. 4.3 van het vonnis ten overvloede heeft gegeven. Het hof sluit zich aan bij die overwegingen van de rechtbank. Uit de hiervoor genoemde feiten valt af te leiden dat [X] van de aanvang af kennelijk het oogmerk had zich het collier onrechtmatig toe te eigenen. Typerend voor zijn optreden is dat hij onder valse voorwendselen en op een slinkse manier – door het aannemen van de hoedanigheid van potentiële koper en onder het valse voorwendsel om het collier te willen onderzoeken – [appellant] tot het afgeven van het collier heeft bewogen en vervolgens daarmee ervandoor is gegaan. Ook als met Hiscox ervan wordt uitgegaan dat [appellant] [X] het collier ter hand heeft gesteld om dit door hem te laten bekijken en te controleren, kan daarmee niet van verduistering worden gesproken. Bij het afgeven van een voorwerp, enkel om dat in de directe aanwezigheid of nabijheid van de eigenaar – onder escorte van politieagenten – te mogen bekijken, kan naar het oordeel van het hof niet worden gesproken van het ‘toevertrouwen’ van de verzekerde zaak aan een derde, gevolgd door de verduistering daarvan, zoals verwoord in de uitsluiting van artikel 4.1 KVV 2006-01. Dit alles brengt mee dat in het midden kan blijven of de KVV 2006-01 op de verzekering van toepassing zijn. Ook als dat het geval zou zijn, zou Hiscox geen beroep op de genoemde uitsluiting toekomen. De grieven in incidenteel hoger beroep zijn vergeefs voorgesteld.

3.13

Na de behandeling van het beroep op de uitsluiting van artikel 4.1 KVV 2006-01 resteert thans het subsidiaire beroep van Hiscox op de voorzichtigheidsclausule. In de eigen stellingen van Hiscox ligt besloten dat de voorzichtigheidsclausule alleen van toepassing is in geval van diefstal of vermissing. Hiscox heeft niet gesteld dat sprake is van diefstal. Met zoveel woorden bevestigt zij dat in de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel onder 4.8. Daarmee behoeft de vraag of het collier is gestolen door [X] niet te worden behandeld. Hiscox stelt wel dat de aanspraak van [appellant] is gebaseerd op ‘vermissing’ in de zin van de voorzichtigheidsclausule.

3.14

Hiscox meent dat de voorzichtigheidsclausule geen uitsluiting is, maar een beperking van de aanspraak inhoudt. [appellant] heeft alleen aanspraak op de volle verzekerde waarde als hij de voorwaarden van deze clausule in acht heeft genomen. Is dat niet het geval, dan is het recht op uitkering beperkt tot € 100.000,00.

3.15

[appellant] heeft de door Hiscox aan de voorzichtigheidsclausule gegeven uitleg bestreden. Uit de bewoordingen van deze clausule volgt dat de beperking van de aanspraak alleen aan de orde kan zijn in geval van diefstal of vermissing. Bij schade als gevolg van oplichting kan volgens hem niet van vermissing worden gesproken. Verder wijst hij op de brief van 1 november 2012 die [bedrijf] heeft geschreven om het afwijzende standpunt ten aanzien van de dekking mee te delen. Deze brief is geschreven nadat alle onderzoek naar de toedracht was uitgevoerd en vermeldt onder andere het volgende:

“Van diefstal of vermissing van het collier is geen sprake. Indien dat wel zo zou zijn, geldt dat de dekking mede wordt bepaald door de zogenaamde voorzichtigheidsclausule die onderdeel uitmaakt van de verzekeringsvoorwaarden.”

[appellant] meent dat Hiscox in strijd met de inhoud van deze brief in de onderhavige procedure het standpunt inneemt dat de voorzichtigheidsclausule wel van toepassing is omdat sprake zou zijn van ‘vermissing’. Deze ‘ommezwaai’ is volgens [appellant] niet toelaatbaar.

3.16

Aan [appellant] kan worden toegegeven dat Hiscox in de procedure een ander standpunt lijkt in te nemen dan volgt uit de genoemde brief van 1 november 2012. Gezien de hiervoor weergegeven passage lijkt Hiscox zich op het standpunt te hebben gesteld dat geen sprake is van diefstal of vermissing. Toch is het hof van oordeel dat niet gesproken kan worden van een niet-toelaatbare ommezwaai. Als de brief van 1 november 2012 in zijn geheel wordt bezien, blijkt dat Hiscox zich primair op het standpunt heeft gesteld dat het collier is verduisterd. Daarvan uitgaande is geen sprake van diefstal of vermissing. Subsidiair heeft Hiscox zich met de brief van 1 november 2012 evenwel ook beroepen op de voorzichtigheidsclausule, namelijk voor zover verduistering niet zou komen vast te staan. Dat doet zij in de onderhavige procedure ook. Van een (ontoelaatbare) standpuntwijziging is dan geen sprake.

3.17

Hiscox heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende aan de hand van de tekst en systematiek van de verzekeringsvoorwaarden toegelicht dat in het voorliggende geval gesproken kan worden van ‘vermissing’ in de zin van de voorzichtigheidsclausule. Blijkens de bewoordingen van de clausule ziet deze op schade ‘als gevolg van’ vermissing. Van vermissing wordt in het algemeen gesproken indien een voorwerp van het ene of ander moment onvindbaar is zonder aanwijsbare reden. Daarvan kan naar ’s hofs oordeel in dit geval niet worden gesproken. [appellant] is onder valse voorwendselen bewogen tot het afgeven van het collier. De schade is het gevolg van de oplichtingshandeling en niet het gevolg van ‘vermissing’. Anders gezegd: als een zaak door oplichting onrechtmatig door een derde wordt toegeëigend, kan niet worden gesproken van schade als gevolg van vermissing. Daarmee faalt het beroep op de voorzichtigheidsclausule.

3.18

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep succes heeft. Het bestreden vonnis kan niet in stand blijven. De rechtbank heeft ten onrechte aangenomen dat de voorzichtigheidsclausule van toepassing is. Grief 1 in principaal hoger beroep slaagt. De door de rechtbank verlangde bewijslevering kan achterwege blijven. De grieven 2 tot en met 6 slagen daarmee eveneens. Dit alles leidt tot de conclusie dat de door Hiscox aangevoerde dekkingsverweren geen doel treffen en de vordering van [appellant] in hoofdsom toewijsbaar is.

3.19

Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente geldt het volgende. [appellant] vordert nakoming van de verzekering. Als nakoming niet blijvend onmogelijk is – zoals in dit geval – treedt verzuim als hoofregel in na een ingebrekestelling. De wettelijke rente is daarmee niet toewijsbaar vanaf de datum van het plaatsvinden van het schadevoorval. Het hof zal de wettelijke rente toewijzen vanaf 11 februari 2013 als de door Hiscox erkende datum waartegen zij bij brief van 3 februari 2013 van de advocaat van [appellant] in gebreke is gesteld.

3.20

[appellant] heeft aan de hand van specificaties van zijn advocaat gesteld dat voorafgaand aan de procedure buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Het hof is van oordeel dat [appellant] onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de werkzaamheden waarvoor hij een vergoeding claimt de gebruikelijke buitengerechtelijke werkzaamheden – zoals een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen, of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier – te buiten zijn gegaan. Deze kosten zullen daarom worden afgewezen.

3.21

De bewijsaanbiedingen hebben geen betrekking op voldoende concrete feitelijke stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Voor bewijslevering is daarom geen plaats.

3.22

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Hiscox worden verwezen in de kosten van het geding in eerste aanleg en in principaal en incidenteel hoger beroep, zoals hierna zal worden vermeld.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Hiscox € 340.000,00 aan [appellant] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2013 tot aan de dag van algehele betaling;

veroordeelt Hiscox in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.569,85 aan verschotten en € 4.000,00 voor salaris en in hoger beroep tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.648,85 aan verschotten, € 3.263,00 voor salaris in principaal hoger beroep, € 1.631,50 voor salaris in incidenteel hoger beroep en op € 131,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,00 voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.R. van Harinxma thoe Slooten, J.W. Hoekzema en J. Blokland en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 december 2014.