Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:555

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
27-02-2014
Zaaknummer
200.119.009/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht ook in hoger beroep ongegrond. Klager heeft de notaris gevraagd hem te adviseren bij de afwikkeling van twee nalatenschappen. Rol van de notaris hierin is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt, geldigheid: 2014-02-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.119.009/01 NOT

nummer eerste aanleg : 14/2012

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 25 februari 2014

inzake

[klager],

wonende te[woonplaats],

appellant,

tegen:

[notaris],

notaris te[vestigingsplaats]

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. L.C. Dufour, advocaat te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Van de zijde van appellant, verder klager, is bij een op 21 december 2012 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlage – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen in het arrondissement Utrecht, verder de kamer, van 4 december 2012, waarbij de kamer de klacht van klager, tegen geïntimeerde, verder de notaris, ongegrond heeft verklaard.

1.2.

Klager heeft de gronden van het beroep aangevuld bij brief van 15 januari 2013.

1.3.

Van de zijde van de notaris is op 27 februari 2013 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.4.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 19 december 2013. Klager, de notaris en zijn advocaat zijn verschenen en hebben het woord gevoerd, klager en de advocaat van de notaris aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnota’s.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende. Er zijn twee nalatenschappen opengevallen; één van de vader van klager en één van zijn tante. Vanaf begin 1995 heeft notaris mr. [A] (verder notaris [A]) regelmatig akten verleden waarbij onroerende zaken uit de nalatenschappen werden geleverd. Erfgenamen zijn (onder meer) klager, zijn broer [B] (verder [B]) en [C] (verder[C]). [B] is tevens de voormalig associé van notaris [A]. Klager heeft de notaris gevraagd hem te adviseren bij de afwikkeling van de nalatenschappen. In dat kader heeft op 26 november 2009 een gesprek bij notaris [A] plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren: klager, de notaris, [B] en notaris [A].

4 Het standpunt van klager

4.1.

Klager verwijt de notaris dat hij:

  1. geen deugdelijke gespreksverslagen heeft gemaakt van de bespreking van 26 november 2009;

  2. klagers onderhandelingspositie heeft verzwakt tijdens de bespreking van 26 november 2009 door te wijzen op een arrest dat voor de positie van klager ongunstig was;

  3. zich niet als zijn belangenbehartiger heeft opgesteld, maar zich meer als mediator heeft gedragen;

  4. e e-mails van[C] niet tijdig heeft doorgestuurd, waardoor er een belangrijk ultimatum is verstreken;

  5. niet vooraf inzicht heeft gegeven aan de door hem voor zijn werkzaamheden verbonden kosten;

  6. niet heeft gereageerd op het door klager gedane voorstel om 50% van de declaratie te voldoen en geen stappen heeft ondernomen om zijn declaratie te innen totdat klager hem om de stukken vroeg en zich toen ten onrechte op een retentierecht beriep;

  7. ten onrechte een beroep doet op zijn geheimhoudingsplicht bij zijn weigering tot afgifte van de door klager gewenste stukken.

5 Het standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd.

6 De beoordeling

6.1.

Het hof behandelt de zaak in hoger beroep opnieuw in volle omvang. Daarbij worden alleen in beschouwing genomen de klachten die ook in de procedure in eerste aanleg aan de orde zijn geweest. Voor zover het beroepschrift van klager klachten bevat die voor het eerst in hoger beroep naar voren zijn gebracht, kan het hof daarvan geen kennis nemen. De gang van zaken met betrekking tot het niet meer beschikbaar zijn van een fysiek dossier en van aantekeningen van het gesprek van 26 november 2009 is voor het eerst in hoger beroep aan de orde gesteld. Het hof zal klager in de klachten die daarop betrekking hebben, niet-ontvankelijk verklaren.

6.2.

Het meest verstrekkende verweer van de notaris is dat klager niet in zijn klachten kan worden ontvangen, omdat hij als juridisch adviseur en niet in zijn hoedanigheid van notaris is opgetreden. Het hof verenigt zich met het oordeel dat de kamer daarover heeft gegeven, zodat klager in zijn klachten kan worden ontvangen.

6.3.

Met betrekking tot het hiervoor onder 4.1.a weergegeven klachtonderdeel overweegt het hof dat gebleken is dat de notaris aan klager een gespreksverslag in concept heeft toegezonden en dat dit verslag na commentaar van klager is aangepast en definitief is vastgesteld. Daarmee heeft er naar behoren verslaglegging plaatsgevonden. Voor zover klager meende dat daarin een afspraak met betrekking tot het terugtreden van notaris [A] niet of niet duidelijk was opgenomen, lag het op zijn weg daarvan melding te maken in zijn commentaar op het concept.

6.4.

Het hof deelt het oordeel van de kamer met betrekking tot de hiervoor onder 4.1.b, 4.1.c en 4.1.d weergegeven klachtonderdelen.

6.5.

Het hof stelt vast dat de kamer klachtonderdeel 4.1.e niet heeft behandeld en daarover geen oordeel heeft gegeven. Het hof zal dit alsnog doen. De notaris heeft erkend dat hij klager bij aanvang van zijn werkzaamheden niet op de hoogte heeft gesteld van zijn uurtarief. Hij heeft echter een gebruikelijk tarief zonder toeslagen in rekening gebracht en van klager, ook jurist en verbonden aan een makelaarskantoor en betrokken bij de afwikkeling van nalatenschappen, mocht worden verwacht dat hij bij benadering bekend was met de tarieven die notarissen voor hun dienstverlening vragen, aldus de notaris. Klager heeft dat niet voldoende weersproken. Hoewel de notaris op dit punt zijn verplichting ingevolge artikel 10 van de Verordening beroeps- en gedragsregels – zoals die destijds gold – niet is nagekomen, acht het hof de tekortkoming van de notaris in de gegeven omstandigheden jegens klager van onvoldoende gewicht om die aan te merken als tuchtrechtelijk laakbaar. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

6.6.

Klachtonderdeel 4.1.f ziet op de discussie tussen partijen over de betaling van een declaratie en de afgifte van het dossier. Volgens de notaris is overigens geen sprake geweest van een beroep op een retentierecht, maar van een voorschot voor de kosten van afgifte van het dossier. Hoewel aan klager kan worden toegegeven dat het standpunt van de notaris niet altijd helder is geweest, is er geen reden om aan te nemen dat de notaris hier klachtwaardig heeft gehandeld.

6.7.

Klager heeft geen belang meer bij het hiervoor onder 4.1.g weergegeven klachtonderdeel, omdat de notaris het beroep op zijn ambtsgeheim al vóór het indienen van de klacht heeft laten varen.

6.8.

De conclusie is dat de klacht ongegrond is. Dat brengt mee dat de beslissing van de kamer moet worden bevestigd.

6.9.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.10.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 De beslissing

Het hof:

- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn in hoger beroep geformuleerde nieuwe klachten;

- bevestigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. W.J.J. Los, A.D.R.M. Bouwmans en G. Kleykamp-van der Ben en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 25 februari 2014 door de rolraadsheer.