Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5534

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
27-01-2015
Zaaknummer
200.139.943- 01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het overlaten van de invulling van de omgangsregeling aan de 14-jarige minderjarige wordt niet in diens belang geacht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2015/52.9

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 23 december 2014

Zaaknummer: 200.139.943/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/539654 FA RK 13-2513 (LBA TJ)

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. D.H. Bialkowski te Amsterdam (onttrokken),

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.R.P. Hoppenbrouwers te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna wederom respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in zijn tussenbeschikking van 17 juni 2014. Bij die beschikking is, onder aanhouding van de behandeling van de zaak en van iedere verdere beslissing, de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzocht een onderzoek te verrichten naar de vraag of het in het belang van [minderjarige] wenselijk is dat de man wordt bekleed met het ouderlijk gezag over haar, dan wel of gezamenlijk gezag van beide ouders tot de mogelijkheden behoort. Voorts heeft het hof de Raad verzocht te onderzoeken welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken het meest in het belang van [minderjarige] is.

1.3.

Ter griffie van dit hof is op 15 september 2014 het rapport van de Raad van 10 september 2014 binnengekomen.

1.4.

De mondelinge behandeling van de zaak is op 10 november 2014 voortgezet, alwaar zijn verschenen:

- de vrouw;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw [X] namens de Raad.

1.5.

Voorafgaand aan de zitting is [minderjarige] afzonderlijk door de voorzitter gehoord.

2 Verdere beoordeling van het hoger beroep

In principaal en incidenteel hoger beroep

2.1.

In het rapport van de Raad is onder meer het volgende vermeld.

[minderjarige] zit al jaren klem tussen haar ouders. Er is sprake van een groot onderling wantrouwen tussen de ouders en van een gebrek aan communicatie en samenwerking tussen hen. Het belasten van de ouders met het gezamenlijk gezag komt daarom niet tegemoet aan de belangen van [minderjarige]. Gevreesd moet worden dat [minderjarige] dan nog meer klem komt te zitten. Het is in haar belang wenselijk dat één ouder met het gezag belast blijft. Op dit moment is de man met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] belast. Naar het oordeel van de Raad handelt de man in het belang van [minderjarige]. De man staat open voor contact tussen de vrouw en [minderjarige], indien dit veilig en leuk is voor [minderjarige], en hij staat open voor hulpverlening. De Raad acht het niet in het belang van [minderjarige] om de vrouw met het eenhoofdig gezag te belasten aangezien er bij de vrouw geen mogelijkheden zijn om de samenwerking aan te gaan en het contact tussen de vrouw en [minderjarige] is verstoord.

Contact tussen een kind en haar ouders is van groot belang voor een evenwichtige ontwikkeling van een kind, maar dat moet dan wel onbelast en veilig zijn. Gelet op de incidenten die zich bij de vrouw hebben afgespeeld, acht de Raad omgang tussen de vrouw en [minderjarige] op dit moment niet in [minderjarige]’s belang, tenzij er aandacht komt voor de wijze waarop de vrouw vorm geeft aan deze contacten en het herstellen van de beschadigde band. Een minimale dag(deel)regeling wordt in dat geval in het belang van [minderjarige] geacht, waarbij [minderjarige] twee uur per twee weken bij haar moeder verblijft, bij voorkeur op een vaste dag en met een vast ritme. De ouders dienen daar verder zelf vorm aan te geven. De Raad adviseert geen overnachting te laten plaatsvinden en [minderjarige] niet bij de vrouw te laten eten. Ook een vakantieregeling is niet in het belang van [minderjarige]. Indien [minderjarige] langer bij haar moeder zou willen zijn, kan zij zelf naar haar toe gaan.

Deze minimale regeling kan echter alleen plaatsvinden indien de vrouw open staat voor hulpverlening, bijvoorbeeld van Altra Signs of Safety. Tijdens de inzagetermijn na het versturen van het raadsrapport is gebleken dat de vrouw bij Vangnet en Advies en de crisisdienst van de GGZ is geweest en dat er mogelijk sprake is van psychische problematiek bij haar. De Raad adviseert dat de vrouw verder psychisch onderzocht wordt door de GGZ en dat zij de geïndiceerde behandeling volgt. De Raad vindt dit een voorwaarde om het contact tussen de vrouw en [minderjarige] te laten plaatsvinden.

Bijzondere curator

2.2.

[minderjarige], die thans veertien jaar is, is voorafgaand aan de zittingen in hoger beroep van respectievelijk 17 april 2014 en 10 november 2014 in de gelegenheid gesteld haar mening met betrekking tot het gezag over haar en de omgangsregeling met de vrouw kenbaar te maken aan het hof. Beide keren heeft zij van die gelegenheid gebruikt gemaakt. Zij is bij die gelegenheden in staat gebleken haar standpunt duidelijk uiteen te zetten en heeft dat ook gedaan. In dat licht bezien is de noodzaak om in het belang van [minderjarige] een bijzondere curator te benoemen, zoals de vrouw heeft verzocht, niet aannemelijk geworden. Het hof zal het verzoek dan ook afwijzen.

Gezag

2.3.

Het hof onderschrijft het advies van de Raad met betrekking tot het gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige]. Ter zitting in hoger beroep heeft ook de vrouw zich achter de conclusie uit het raadsrapport geschaard dat gezamenlijk gezag niet in het belang van [minderjarige] is. Derhalve zal het betreffende verzoek van de vrouw worden afgewezen en ligt ter beoordeling aan het hof thans uitsluitend nog voor de vraag of de rechtbank terecht de man met het gezag over [minderjarige] heeft belast. De vrouw heeft verzocht haar weer alleen met het gezag over [minderjarige] te belasten.

2.4.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253c lid 3 Burgerlijk Wetboek wordt het verzoek van de man hem alleen met het gezag te belasten slechts toegewezen, indien dit in het belang van het kind wenselijk wordt geoordeeld.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank de man terecht alleen met het gezag over [minderjarige] belast. [minderjarige] woont sinds 4 december 2012 bij de man. Uit het raadsrapport blijkt dat zij het goed heeft bij de man en dat er over de opvoedvaardigheden van de man geen zorgen zijn, de verstoorde relatie tussen hem en de vrouw daargelaten. Voldoende aannemelijk is dat de man het contact tussen [minderjarige] en de vrouw, mits goed en veilig, wil stimuleren en dat hij open staat voor hulpverlening. [minderjarige] heeft te kennen gegeven graag bij de man te willen blijven wonen. Niet in geschil is dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man is, zoals bij de bestreden beschikking is bepaald. Gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige] is, zoals hiervoor is overwogen, niet aan de orde. Bij deze stand van zaken is het in [minderjarige]’s belang aangewezen dat de man met het gezag over haar wordt belast, zodat hij in staat is om beslissingen over haar te nemen. Het hof zal de beschikking waarvan beroep op dit punt dan ook bekrachtigen.

Omgang

2.5.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw betoogd dat zij het in het belang van [minderjarige] acht dat er geen omgangsregeling wordt vastgelegd, zodat [minderjarige] zelf kan bepalen wanneer zij de vrouw ziet. De vrouw heeft desgevraagd ontkend dat zij druk zou uitoefenen op [minderjarige] in het geval dat het niet vastleggen van een omgangsregeling ertoe zou leiden dat [minderjarige] (enige tijd) niet bij haar komt. De vrouw vertrouwt erop dat de omgang goed verloopt wanneer de invulling ervan aan [minderjarige] wordt overgelaten en de man zich erbuiten houdt. De man heeft de omgang van meet af aan gefrustreerd en hij heeft [minderjarige] belast met zijn negatieve gevoelens jegens de vrouw. Het belang van [minderjarige] wordt er niet mee gediend als de vrouw zich psychisch laat onderzoeken en een op grond van dat onderzoek geïndiceerde behandeling zou volgen, zoals de Raad voorstaat. De vrouw is derhalve niet voornemens aan de door de Raad voorgestelde voorwaarden te voldoen, aldus haar betoog ter zitting.

2.6.

De man heeft ter zitting in hoger beroep verklaard zich te kunnen verenigen met het advies in het raadsrapport. Hij gaat er echter vanuit dat [minderjarige] haar moeder zal willen blijven zien, ook indien de vrouw niet aan de voorwaarden van de Raad voldoet. Wanneer een minimale regeling wordt bepaald zonder daaraan voorwaarden te verbinden, vreest de man dat de vrouw een kort geding zal aanspannen zodra [minderjarige] de regeling niet naleeft. De man kan zich, gelet op het voorgaande, vinden in het verzoek van de vrouw om geen omgangsregeling te bepalen.

2.7.

De Raad heeft het advies als vermeld in zijn rapport ter zitting in hoger beroep gehandhaafd. Er heeft zich in het verleden een aantal incidenten voorgedaan waarbij de vrouw zich ten opzichte van [minderjarige] onveilig en onvoorspelbaar in haar gedrag heeft getoond. Aangezien de veiligheid van [minderjarige] voorop staat, blijft de Raad erbij dat Signs of Safety dient te worden ingezet voordat een omgangsregeling wordt bepaald. Ook dient er meer zicht te komen op de persoonlijke problematiek van de vrouw, zodat er zo nodig hulp kan worden ingezet. Om een langdurige, stabiele omgangsregeling mogelijk te maken, acht de Raad voldoening aan de voorwaarden (onderzoek en behandeling) dus nog steeds noodzakelijk. Indien de voorwaarden niet worden vervuld, zal het contact en dus de omgangsregeling vermoedelijk wisselend verlopen, hetgeen niet in het belang van [minderjarige] is.

De Raad acht het anderzijds niet in het belang van [minderjarige] om de invulling van de omgangsregeling geheel aan haar over te laten, omdat er dan een te grote verantwoordelijkheid bij haar wordt neergelegd. Nu [minderjarige] pas veertien jaar oud is, zou zij die verantwoordelijkheid niet moeten hoeven dragen, aldus de Raad.

2.8.

Het hof overweegt als volgt. Beide partijen zijn om onderling verschillende redenen van mening dat er geen omgangsregeling tussen de vrouw en [minderjarige] moet worden vastgesteld. Ook volgens het advies van de Raad dient het vastleggen van een omgangsregeling achterwege te blijven, nu duidelijk is dat de vrouw niet aan de daarvoor door de Raad genoemde voorwaarden (te weten onderzoek en behandeling) wil voldoen.

Op grond van hetgeen [minderjarige] tijdens het laatste gesprek met de voorzitter heeft verklaard, moet er echter van worden uitgegaan dat zij haar moeder zal willen blijven zien, ongeacht of er een omgangsregeling wordt bepaald en ongeacht of haar moeder zich zal laten onderzoeken en behandelen. Omgang tussen de vrouw en [minderjarige] zal naar verwachting dus hoe dan ook blijven plaatsvinden. Daarmee verhoudt zich niet dat er in het onderhavige geding geen omgangsregeling wordt bepaald. Dat veronderstelt immers dat er dan ook daadwerkelijk geen omgang plaatsvindt, wat niet het geval is. Afgezien daarvan wordt de invulling van de omgang geheel en al aan [minderjarige] overgelaten als er geen omgangsregeling wordt bepaald. Het hof is met de Raad van oordeel dat dit, in de gegeven omstandigheden en gelet op haar leeftijd, niet in het belang is van [minderjarige]. Alle verantwoordelijkheid voor de omgang wordt dan bij haar neergelegd, wat niet wenselijk is. Bovendien is – in weerwil van wat de vrouw daarover ter zitting heeft verklaard - niet te verwachten dat de vrouw [minderjarige] op het punt van de omgang geheel en al vrij zal laten. Uit de stukken, waaronder het raadsrapport, en ter zitting is duidelijk geworden dat de vrouw geen inzicht toont in haar eigen aandeel in de verstoorde relatie met de man en de daaruit voortvloeiende strijd om [minderjarige]. Zij toont evenmin inzicht in de negatieve weerslag daarvan op [minderjarige]. De vrouw wijt alle problemen die er zijn aan de man.

Het hof acht daarom een kader, waarbinnen de omgang tussen de vrouw en [minderjarige] zal plaatsvinden, noodzakelijk. Bepaald zal worden dat er omgang tussen de vrouw en [minderjarige] zal plaatsvinden, waarbij het streven is dat [minderjarige] minimaal twee uur per twee weken contact heeft met de vrouw, op een door [minderjarige] te bepalen plaats, dag en tijdstip. Dat betekent dat het [minderjarige] vrij staat de vrouw vaker te zien dan twee uur per twee weken als zij daaraan behoefte heeft. Het betekent ook dat de omgang niet afdwingbaar is, indien [minderjarige] geen behoefte heeft aan omgang of als omgang anderszins niet van haar kan worden gevergd.

Gelet op het voorgaande, zal hetgeen ieder van partijen voor het overige heeft verzocht ten aanzien van de omgang worden afgewezen.

Het hof geeft de vrouw ten stelligste in overweging om – in weerwil van het standpunt dat zij daarover ter zitting heeft ingenomen – in het belang van [minderjarige] het advies van de Raad op te volgen en mee te werken aan een onderzoek van haar psychische gesteldheid en een op grond daarvan eventueel aangewezen behandeling. Het hof onderschrijft dat advies. Tot iedere prijs moet immers worden voorkomen dat zich wederom incidenten voordoen zoals deze in het verleden hebben plaatsgevonden of dat zich anderszins een voor [minderjarige] onveilige situatie voordoet.

2.9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

3 Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel hoger beroep

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij de man is belast met de uitoefening van het gezag over [minderjarige];

vernietigt de beschikking waarvan beroep ten aanzien van de daarin bepaalde omgangsregeling, en, in zoverre opnieuw rechtdoende,

bepaalt dat er tussen de vrouw en [minderjarige] omgang zal plaatsvinden, waarbij het streven is dat [minderjarige] minimaal twee uur per twee weken contact heeft met de vrouw, op een door [minderjarige] te bepalen plaats, dag en tijdstip;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. M.M.A. Gerritzen - Gunst en mr. W.K. van Duren in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2014.