Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5507

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
09-01-2015
Zaaknummer
200.150.745/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK: Uitkoop; tussenarrest; afwijzing incidentele vorderingen tot onbevoegd verklaring en tot aanhouding, op de voet van art. 27 en 28 EEX-Vo. Art. 2:201a BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 201a, geldigheid: 2014-12-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2015-0071
AR 2015/57
ARO 2015/59
JONDR 2015/334

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.150.745/01 OK

arrest van de Ondernemingskamer van 23 december 2014

inzake

[A] ,

wonende te [....],

EISERES,

advocaat: mr. P.J. de Jong Schouwenburg, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

[B] ,

wonende te [....],

GEDAAGDE,

advocaat: mr. S. Mol, kantoorhoudende te Utrecht.

1. Het verloop van het geding

1.1 Eiseres (hierna [A] te noemen) heeft bij exploot van 14 april 2014 gedaagde (hierna [B] te noemen) gedagvaard en gevorderd dat de Ondernemingskamer bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad,

  1. [B] veroordeelt het onbezwaarde recht op de door hem gehouden aandelen in Sirowa International Holding B.V. (hierna Sirowa te noemen) over te dragen aan [A];

  2. primair de prijs van de over te dragen aandelen per de datum van het toewijzend arrest vaststelt op € 21,15 per aandeel, dan wel subsidiair op een zodanig bedrag en per zodanige datum als door de Ondernemingskamer in goede justitie te bepalen;

  3. bepaalt dat, zolang en voor zover de prijs niet is betaald, deze wordt verhoogd met de wettelijke rente vanaf de datum van het toewijzend arrest of subsidiair vanaf de datum als door de Ondernemingskamer in goede justitie is bepaald, tot de datum van de overdracht of de dag van de consignatie overeenkomstig artikel 2:201a lid 8 BW;

  4. bepaalt dat uitkeringen op de over te dragen aandelen die in de hiervoor onder 3) bedoelde periode betaalbaar worden gesteld, op de dag van betaalbaarstelling strekken tot gedeeltelijke betaling van de prijs;

  5. [A] veroordeelt de vastgestelde prijs met rente te betalen aan [B], tegen levering van het onbezwaarde recht op de aandelen; en

  6. [B], voor zover hij in rechte verschijnt en verweer voert tegen de vordering, veroordeelt in de kosten van dit geding.

1.2 Op 17 juni 2014 heeft [A] de in de dagvaarding vermelde producties overgelegd.

1.3 Bij incidentele memorie houdende exceptie van onbevoegdheid met producties heeft [B] gevorderd dat de Ondernemingskamer (primair) zich onbevoegd verklaart en (subsidiair) de zaak aanhoudt totdat de bevoegdheid van de rechter in Letland met betrekking tot de hierna in 2.1 omschreven procedure vaststaat, zowel primair als subsidiair met veroordeling van [A] in de kosten van deze procedure.

1.4 Bij memorie van antwoord in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid met één productie heeft [A] geconcludeerd tot (primair) afwijzing van de incidentele vorderingen van [B] en (subsidiair) aanhouding van de procedure totdat de bevoegdheid van het gerechtshof in Letland met betrekking tot de hierna in 2.1 omschreven procedure vaststaat, en steeds met veroordeling van [B] in de kosten van deze procedure.

1.5 Op 9 september 2014 hebben partijen de stukken van het geding overgelegd en arrest gevraagd in het incident.

2 De gronden van de beslissing

2.1

Uit de stellingen over en weer van partijen en de door hen overgelegde stukken blijkt het volgende. Tussen [B] en [A] is sinds 17 april 2013 bij een civiele kamer van het Latvijas Republikas Augustaka Tiese (de rechter in hoger beroep in Letland) onder zaaknummer C04238708 een procedure aanhangig met betrekking tot onder meer de totstandkoming en de nakoming van een overeenkomst betreffende de verkoop van de door [B] in Sirowa gehouden aandelen aan [A]. Een daartoe strekkende vordering van [B] heeft de Rigas apgabaltiesas Civilietu tiesu kolegija (de rechtbank van Riga) in eerste aanleg op 15 maart 2013 afgewezen.

2.2

[B] heeft primair gevorderd dat de Ondernemingskamer zich op grond van artikel 27 EEX-Verordening (EEX-Vo) onbevoegd verklaart. Hij heeft daartoe gesteld dat de vordering uit de uitkoopprocedure en de vordering die [B] heeft ingesteld bij de rechter in hoger beroep in Letland hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, alsmede dat de bevoegdheid van de Letse rechter vaststaat. [A] heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd.

2.3

De Ondernemingskamer overweegt als volgt. Voor de beantwoording van de vraag of de Ondernemingskamer zich onbevoegd moet verklaren, is onder meer bepalend of de aanhangige vorderingen bij de Ondernemingskamer en bij de rechter in hoger beroep in Letland op dezelfde oorzaak berusten. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer is dat niet het geval nu de vordering tot uitkoop, waarin in feite onteigening van een minderheidsaandeelhouder wordt gevorderd, een andere grondslag heeft dan een vordering tot overdracht van aandelen uit een koopovereenkomst. De Ondernemingskamer wijst de incidentele vordering tot onbevoegd verklaring af.

2.4

[B] heeft subsidiair gevorderd dat de Ondernemingskamer op grond van artikel 28 lid 1 EEX-Vo deze uitkoopprocedure aanhoudt. De Ondernemingskamer ziet – in ieder geval in dit stadium van het geding – onvoldoende aanleiding om de uitkoopprocedure op de voet van deze bepaling in het belang van een goede rechtsbedeling aan te houden. Indien in de procedure in Letland wordt geoordeeld dat [B] op grond van de door hem gestelde overeenkomst recht heeft op een hogere prijs voor de aandelen dan de prijs die eventueel in de onderhavige uitkoopprocedure zal worden vastgesteld, valt vooralsnog niet in te zien dat dit tot onverenigbare beslissingen zal leiden.

2.5

De slotsom is dat de incidentele vorderingen van [B] worden afgewezen, en de zaak wordt verwezen naar de rol voor het nemen van een conclusie van antwoord ten principale.

3 De beslissing

De Ondernemingskamer:

wijst de vordering in het incident af;

verwijst de zaak naar de terechtzitting van de Eerste Enkelvoudige Kamer voor de Behandeling van Burgerlijke Zaken (rol van de Ondernemingskamer) van dinsdag 10 februari 2015 voor het nemen van een conclusie van antwoord aan de zijde van [B];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. P. Ingelse, voorzitter, mr. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar en
mr. M.M.M. Tillema, raadsheren, en drs. P.R. Baart en drs. M.A. Scheltema, raden, in tegenwoordigheid van mr. R. Verheggen, griffier, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 december 2014.