Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5471

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2014
Datum publicatie
03-08-2016
Zaaknummer
23-000011-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling. Plaatsing psychiatrisch ziekenhuis. Artikel 37 Sr

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000011-12

datum uitspraak: 13 oktober 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 22 december 2011 in de strafzaak onder parketnummer 15-221490-11 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1990,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

25 maart 2014 en 29 september 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair:

hij op of omstreeks 27 september 2011 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) met de (geschoeide) voet(en) tegen het (achter)hoofd en/of de knie, in elk geval het lichaam, heeft geschopt en/of getrapt en/of

- ( met kracht) een fiets, in elk geval een hard/zwaar voorwerp, tegen de benen, in elk geval het lichaam, heeft gegooid en/of

- ( met kracht) met de (tot vuist gebalde) hand(en) tegen het (voor)hoofd, in elk geval het lichaam, heeft gestompt en/of geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair:
hij op of omstreeks 27 september 2011 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]),

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) met de (geschoeide) voet(en) tegen het (achter)hoofd) en/of de knie, in elk geval het lichaam, heeft geschopt en/of getrapt en/of

- ( met kracht) een fiets, in elk geval een hard/zwaar voorwerp, tegen de benen, in elk geval het lichaam, heeft gegooid en/of

- ( met kracht) met de (tot vuist gebalde) hand(en) tegen het (voor)hoofd, in elk geval het lichaam, heeft gestompt en/of geslagen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof, anders dan de politierechter, de verdachte wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid zal ontslaan van alle rechtsvervolging ten aanzien van het bewezen verklaarde.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting van 29 september 2014 bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Zakelijk weergegeven heeft de raadsvrouw daartoe aangevoerd dat volledige ontoerekeningsvatbaarheid bij dit opzetdelict dient te leiden tot vrijspraak, doordat de opzet niet bewezen kan worden verklaard.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad staat het hebben van een ernstige geestelijke stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg indien bij de betrokkene ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen heeft ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn (HR 9 december 2008, LJN BD2775, NJ 2009, 157).

Uit de beschrijving van de aangever, de getuige en de verklaring van de verdachte zelf volgt dat de verdachte een doelgerichte aanval uitvoerde op het slachtoffer. Het hof is van oordeel dat uit voorgaande verklaringen kan worden afgeleid dat de verdachte besef had van de draagwijdte en van de mogelijke gevolgen van zijn handelen. De uitzonderlijke situatie dat hem elk besef hieromtrent heeft ontbroken kan in het licht van deze verklaringen niet worden aangenomen. Dat de redenen waarom de verdachte zo heeft gehandeld zijn gelegen in zijn psychotische belevingen en niet in wat er in werkelijkheid gebeurde, is een kwestie die eerst bij de verwijtbaarheid van het bewezenverklaarde aan de orde komt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 september 2011 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- meermalen, met kracht, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, die [slachtoffer] met de geschoeide voeten tegen het achterhoofd en de knie heeft geschopt en getrapt en

- met kracht een fiets tegen de benen van die [slachtoffer] heeft gegooid en

- met kracht met de tot vuist gebalde hand tegen het voorhoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op: poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Bij de beslissing over de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof acht geslagen op onderstaande rapportages.

Op 19 juni 2014 heeft psychiater [psychiater] een Pro Justitia rapport over verdachte uitgebracht. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

“(…) Onderzochte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van paranoïde schizofrenie. Blijkens informatie van behandelaars en van zijn moeder was onderzochte ook ten tijde van het thans ten laste gelegde al meerdere maanden ernstig psychotisch. Blijkens de bevindingen van het onderzoek en gegevens in de stukken heeft onderzochte het ten laste gelegde begaan vanuit psychotische belevingen. Hij dacht door het slachtoffer te worden uitgescholden en heeft daar vanuit achtervolgingswaan impulsief agressief op gereageerd. Geadviseerd wordt onderzochte te beschouwen als ontoerekeningsvatbaar voor het ten laste gelegde.(…)”

Op 24 juni 2014 heeft psycholoog [psycholoog] een Pro Justitia rapport over verdachte uitgebracht. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

“(…) Onderzochte is al meerdere jaren – mogelijk vanaf ruwweg zijn zestiende levensjaar; in ieder geval vanaf april 2011 – lijdende aan een (zich destijds ontwikkelende) chronische psychotische stoornis, in diagnostische zin te omschrijven als schizofrenie van het paranoïde type. (…) Bovenstaande stoornis(sen) was c.q. waren ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig. Onderzochte verkeerde in een eerste psychotische episode, die reeds maanden gaande was en af en toe verergering en uitbarstingen (exacerbaties) kende. De paranoïde component speelde in de periode van het tenlastegelegde sterk op; mede versterkt door stresserende omgevingsfactoren voortvloeiend uit het gebrek aan een sociaal ondersteunende structuur (onderdak, financiën, dagbesteding, betekenisvolle sociale contacten). In het tenlastegelegde feit dat gepleegd werd d.d. 27-9-2011 vertekent onderzochte de werkelijkheid vanuit hallucinatie en paranoïde betrekkingswanen. De realiteitstoetsing is ernstig verstoord. (…) Ondergetekende meent dat er voldoende redenen zijn het verband tussen stoornis en tenlastegelegde feiten te stellen op volledig; leidende tot gerichte agressie van onderzochte. Op grond hiervan moge uw college worden geadviseerd om onderzochte ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten – indien en voorzover bewezen – te beschouwen als ontoerekeningsvatbaar.(…)”

Het hof neemt de voormelde inhoud van de rapporten over en is op grond hiervan van oordeel dat de verdachte niet strafbaar is ten aanzien van het primair bewezen verklaarde, nu dit feit hem niet kan worden toegerekend. Het hof zal de verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.

Plaatsing psychiatrisch ziekenhuis

De politierechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daarnaast een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal acht het primair ten laste gelegde bewezen, maar is van mening dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde volledig ontoerekeningsvatbaar was, zodat de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging en vordert een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar.

De raadsvrouw ziet geen grond om de maatregel ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht op te leggen nu deze maatregel al in een andere strafzaak is opgelegd en thans ten uitvoer wordt gelegd. Een dubbele oplegging acht zij niet opportuun.

Het hof oordeelt als volgt.

Bij de beslissing over de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis heeft het hof acht geslagen op de hiervoor genoemde psychologische en psychiatrische rapporten.

Het rapport van psycholoog De Vries houdt onder meer in:

“(…) Op grond van bovenstaande, gezien het advies ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid, het aanwezig geachte gevaar op herhaling van geweldpleging door onderzochte vanuit paranoïde motieven en derhalve de noodzaak van forensisch psychiatrische behandeling in een beveiligde inrichting, zonder dat dit gevaar thans dermate vergaand is dat dit nu de noodzaak tot een maatregel terbeschikkingstelling met zich brengt, moge uw college worden geadviseerd om onderzochte de maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis de duur van 1 jaar niet te boven gaande op te leggen (strafrechtelijke plaatsing ex art. 37). (…) Een gedegen forensisch psychiatrische behandeling is aangewezen. Gezien het gebrekkige ziektebesef en –inzicht van onderzochte en zijn gebleken medicatie-ontrouw is instelling op depotmedicatie naar mening van ondergetekende vanuit gedragskundig oogpunt gewenst. De huidige medicatie lijkt onvoldoende effect te sorteren. Aangezien een meer langdurige behandeling onder zekere drang van een forensisch klinische context niet eerder heeft plaatsgevonden, kan thans worden volstaan met een plaatsing ex art. 37. (…)”

Het rapport van psychiater [psychiater] houdt onder meer in:

“(…)De kans op recidive is in aanzienlijke mate verhoogd door de chronische psychose van onderzochte waaruit hij sindsdien al meerdere malen vergelijkbare feiten heeft gepleegd. Het beperkte ziekte-inzicht van onderzochte en zijn verzet tegen adequate medicamenteuze behandeling vormen ongunstige factoren. De recidiefkans kan het best worden verkleind door klinische behandeling van onderzochte in een gesloten setting gedurende een langere periode, waarbij wordt getracht hem te motiveren voor adequate onderhoudsbehandeling en voor resocialisatie naar een beschermde of begeleide woonvorm met nazorg vanuit een forensisch psychiatrische polikliniek. Geadviseerd wordt de recidiefkans te verkleinen door onderzochte voor behandeling zoals bovenomschreven te plaatsen in een forensisch psychiatrische kliniek op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht.(…)”

Het hof neemt voormelde inhoud van deze rapporten over en is van oordeel dat gelet op het besproken recidiverisico de verdachte een gevaar vormt voor anderen en/of de algemene veiligheid van personen of goederen. Op grond hiervan zal het hof aan de verdachte de maatregel opleggen van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar. Het feit dat de verdachte in een andere strafzaak dezelfde maatregel is opgelegd acht het hof, nu aan de criteria voor plaatsing in deze strafzaak is voldaan, en gelet op het belang bij behandeling van de verdachte in een gesloten en forensische setting zoals dat uit de hiervoor aangehaalde rapporten blijkt, geen grond om hiervan af te zien.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 412,87. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De vordering is door de verdachte en diens raadsvrouwe behoudens ten aanzien van de reparatiekosten van de fiets, niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Ten aanzien van de reparatiekosten van de fiets overweegt het hof dat, hoewel de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat de fiets daadwerkelijk is gerepareerd, de benadeelde partij ter zake geen bedrag heeft kunnen noemen, zodat het gevorderde in zoverre als onvoldoende gesteld en onderbouwd dient te worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Gelast de plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van 1 (één) jaar.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 362,87 (driehonderdtweeënzestig euro en zevenentachtig cent) bestaande uit € 12,87 (twaalf euro en zevenentachtig cent) materiële schade en € 350,00 (driehonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 362,87 (driehonderdtweeënzestig euro en zevenentachtig cent) bestaande uit € 12,87 (twaalf euro en zevenentachtig cent) materiële schade en € 350,00 (driehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. J.L. Bruinsma en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. J.G.W. van Rede, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 oktober 2014.

Mr. J.L. Bruinsma en mr. M. Gonggrijp-van Mourik zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[.......]

.