Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5464

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
200.126.494-01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een notaris. De kamer heeft de ambtshalve bedenkingen van de voorzitter van de kamer ten aanzien van de notaris ten dele gegrond en voor het overige ongegrond verklaard en aan de notaris de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het hof heeft op 25 maart 2014 in (onder meer) deze zaak een tussenbeslissing gegeven (ECLI:NL:GHAMS:2014:919). In de tussenbeslissing is het hof tot het oordeel gekomen dat het BFT ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Het BFT stelt zich op het standpunt dat in het jaar 2005 en in het jaar 2009 een tekort in de liquiditeits- en bewaringspositie is ontstaan die niet is toegestaan. Het hof stelt de notaris in de gelegenheid om zich vóór 30 januari 2015 uit te laten over hetgeen onder 7.11. ad b. is overwogen waarna het BFT zes weken de gelegenheid krijgt hierop te reageren en houdt iedere verdere beslissing aan.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummers : 200.126.494/01 NOT

nummer eerste aanleg : KL 13/2012

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 28 augustus 2014 en uitgesproken op 16 december 2014

inzake

Bureau Financieel Toezicht,

gevestigd te Utrecht,

appellant,

gemachtigden: drs. F. Knook en mr. M.A. Drenth,

tegen

[notaris],

notaris te [plaatsnaam],

geïntimeerde,

gemachtigde: [notaris] te [plaatsnaam].

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: het BFT) heeft op 12 april 2013 een beroepschrift ter griffie van het hof ingediend tegen de – aan deze beslissing gehechte – beslissing van de Kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Roermond (hierna: de KvT Roermond) van 14 maart 2013.

1.2.

De KvT Roermond heeft in de bestreden beslissing de ambtshalve bedenkingen van de voorzitter van de Kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Maastricht (hierna: de KvT Maastricht) ten aanzien van geïntimeerde (hierna: de notaris) van 14 augustus 2012, zoals deze door laatstgenoemde op 17 augustus 2012 ter behandeling – op de voet van artikel 98 en verder (oud) Wet op het notarisambt (hierna: Wna) – aan de KvT Roermond zijn voorgelegd, ten dele gegrond en voor het overige ongegrond verklaard en aan de notaris de maatregel van waarschuwing opgelegd.

1.3.

Het BFT heeft op 31 mei 2013 een nadere toelichting op de ontvankelijkheid van zijn hoger beroep ter griffie van het hof ingediend.

1.4.

De notaris heeft op 1 juli 2013 een verweerschrift ter griffie van het hof ingediend waarin uitsluitend is ingegaan op de kwestie van de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

1.5.

De zaak is (tezamen met de zaken met nummers: 200.125.625/01 NOT, 200.126.490/01 NOT, 200.126.492/01 NOT, 200.126.493/01 NOT en 200.126.495/01 NOT, daar zij op hetzelfde onderwerp betrekking hebben) voor zover het de ontvankelijkheid van het hoger beroep betreft, behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 21 november 2013. Namens het BFT is mr. R. Wisse verschenen, die het woord heeft gevoerd aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. De notaris en haar gemachtigde zijn – onder opgaaf van redenen – niet verschenen.

1.6.

Het hof heeft op 25 maart 2014 in (onder meer) deze zaak een tussenbeslissing gegeven (ECLI:NL:GHAMS:2014:919) hierna: de tussenbeslissing. In de tussenbeslissing is het hof tot het oordeel gekomen dat het BFT ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

1.7.

Daartoe door het hof in de gelegenheid gesteld, heeft het BFT op 24 april 2014 de inhoudelijke gronden van zijn beroep bij het hof ingediend. De notaris heeft daarop op 26 mei 2014 een inhoudelijk verweerschrift bij het hof ingediend.

1.8.

In (uitsluitend) de zaken met nummers 200.125.625/01 NOT, 200.126.492/01 NOT en 200.126.495/01 NOT heeft het BFT op 27 mei 2014 een brief ter griffie van het hof ingediend waarin het BFT zijn hoger beroep intrekt. Bij beslissing van 8 juli 2014 heeft het hof het BFT (alsnog) niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep in deze zaken.

1.9.

Het hof heeft – in een gewijzigde samenstelling – de mondelinge behandeling in deze zaak, (tezamen met de zaken met nummers 200.126.490/01 NOT en 200.126.493/01 NOT, daar zij op hetzelfde onderwerp betrekking hebben) voortgezet ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2014. De beide gemachtigden van het BFT en de gemachtigde van de notaris zijn verschenen. De notaris is met berichtgeving niet verschenen. Mrs. Drenth en [notaris] voornoemd hebben namens partijen het woord gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Het verloop van de procedure in eerste aanleg

3.1.

[notaris] heeft op 9 augustus 2010 op zijn eigen verzoek een gesprek gehad met de plaatsvervangend voorzitter en secretaris van de KvT Roermond. Dit gesprek hield verband met een bij [notaris] gerezen vermoeden van onregelmatigheden, gepleegd door twee leden van de maatschap [maatschap] te [plaatsnaam] (van welke maatschap de notaris ook deel uitmaakte).

3.2.

De voorzitter van de KvT Roermond achtte de door [notaris] gemelde onregelmatigheden dermate ernstig, dat deze een onderzoek als bedoeld in artikel 96 (oud) Wna rechtvaardigden.

3.3.

Op 26 augustus 2010 heeft de voorzitter van de KvT Roermond een verwijzingsverzoek als bedoeld in artikel 98 lid 3 (oud) Wna ter griffie van het hof ingediend. Dit verzoek betrof de verwijzing van een onderzoek als bedoeld in artikel 96 lid 2 (oud) Wna naar een andere kamer van toezicht. De president van het hof heeft bij beslissing van 13 september 2010 op voormeld verzoek beslist. In deze beslissing (hierna: de verwijzingsbeslissing) heeft de president, voor zover hier relevant, het volgende overwogen:

“1. Het verzoek

1.1. (…)

Dit verzoek betreft de verwijzing van een onderzoek in de zin van artikel 96 lid 2 Wna naar een andere kamer van toezicht.

(…)

2. Beoordeling

(…)

2.2. (…)

Gelet hierop zal het hof de voorzitter van een andere kamer van toezicht belasten met de uitoefening van bedoeld toezicht en de daaruit voortvloeiende bevoegdheid om ingevolge het tweede lid van artikel 96 Wna een onderzoek te gelasten.

(…)

3. De beslissing

De president:

belast de (voorzitter van) de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Maastricht met de behandeling van deze zaak.”

3.4.

De voorzitter van de KvT Maastricht heeft bij beslissing van 28 oktober 2010 een onderzoek als bedoeld in artikel 96 lid 2 (oud) Wna gelast op het kantoor van (onder andere) de notaris en de uitvoering van dat onderzoek opgedragen aan een plaatsvervangend voorzitter van de KvT Maastricht.

3.5.

De plaatsvervangend voorzitter van de KvT Maastricht heeft bij beslissing van eveneens 28 oktober 2010 het feitelijk onderzoek als bedoeld in de beslissing van de voorzitter van de KvT Maastricht opgedragen aan het BFT. Op 30 maart 2011 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de KvT Maastricht de voorzitter van de KvT Maastricht schriftelijk meegedeeld (bijlage bij het rapport van het BFT, genummerd als pagina A2.20 en volgende) dat hij het wenselijk achtte het onderzoek uit te breiden tot andere (kandidaat-)notarissen van de maatschap [maatschap] te [plaatsnaam]. Bij diens beslissing van 12 april 2011 heeft de voorzitter van de KvT Maastricht bepaald dat het onderzoek als bedoeld in zijn brief van 28 oktober 2010 uitgebreid werd ‘tot alle notarissen van kantoor [maatschap] en andere notarissen voor zover deze een aandeel hebben (gehad) bij een of meer genoemde onregelmatigheden’.

3.6.

Bij brief van 5 juni 2012 heeft het BFT een rapport met bijlagen met betrekking tot het handelen en/of nalaten van (onder andere) de notaris aangeboden aan de plaatsvervangend voorzitter van de KvT Maastricht.

3.7.

Bij beslissing van 14 augustus 2012 heeft de voorzitter van de KvT Maastricht het rapport van het BFT op de voet van artikel 96 lid 6 (oud) Wna voorgelegd aan de KvT Roermond ten einde de daarin genoemde aangelegenheden te behandelen op de voet van artikel 98 en verder (oud) Wna. Bij beslissing van 14 maart 2013 heeft de KvT Roermond uitspraak gedaan.

4 De feiten

4.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Voor zover partijen tegen de vaststelling van die feiten bezwaar hebben gemaakt, als zijnde onjuist en/of onvolledig, zal het hof hiermee (voor zover relevant) bij de beoordeling rekening houden.

4.2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.

Tot 1 juli 2010 vormde de notaris samen met notaris [notaris A], notaris [notaris] en een aantal andere notarissen de maatschap [maatschap]. Zowel in 2005 als in 2009-2010 is er op de derdengeldrekening van de maatschap [maatschap] een negatieve bewaringspositie ontstaan in verband met/als gevolg van de hieronder genoemde transacties.

De aandelenoverdracht [B.V.] (2005)

i. In de maand juni 2005 is op derdengeldrekening van de maatschap [maatschap] een bedrag van € 2.266.666,67 ontvangen van 22 kopers en/of beleggers, betrekking hebbend op de overdracht van aandelen in [B.V.] Notaris [notaris A] was de dossierbehandelaar.

ii. Op 30 juni 2005 is in opdracht van notaris [notaris A] een bedrag van € 1.763.599,63 van de derdengeldrekening van de maatschap [maatschap] overgeboekt naar de derdengeldrekening van [naam] Advocaten onder vermelding van “inz. [X]”.

iii. Op 8 juli 2005 is het resterende door de kopers en/of beleggers gestorte bedrag van € 503.067,04 van de derdengeldrekening van de maatschap [maatschap] overgeboekt naar [B.V.]

iv. De maatschap [maatschap] beschikte over een volmacht van ieder van de 22 kopers en/of beleggers om de aandelen over te dragen. De datum van al deze volmachten is evenwel gelegen na 8 juli 2005.

v. Eerst op 23 augustus 2005 heeft notaris [notaris A] de akte verleden waarin de aandelen in [B.V.] werden overgedragen, waarbij de door de kopers en/of beleggers aan de maatschap [maatschap] verstrekte volmachten zijn gebruikt.

De [Bank]-rekening (2009-2010)

i. Op 13 augustus 2009 is een bedrag van € 500.000 van de derdengeldrekening van de maatschap [maatschap] overgemaakt naar een rekening bij de [Bank]-bank. Deze rekening (hierna: de [Bank]-rekening) betrof een beleggingsoriëntatierekening van de [Bank]-bank inzake “[maatschap] Derdengeld” en stond op naam en (privé)adres van notaris [notaris A]. Notaris [notaris A] was als enige gemachtigd om over de gelden op die rekening te beschikken.

ii. Alle leden van de maatschap [maatschap] (onder wie de notaris) waren op de hoogte van de opening en het bestaan van de [Bank]-rekening; zij hadden notaris [notaris A] toestemming gegeven om die rekening te openen.

iii. Nadat in oktober 2009 bleek dat de [Bank]-rekening uitsluitend op naam van notaris [notaris A] stond, heeft de maatschap [maatschap] notaris [notaris A] meermalen verzocht de tenaamstelling van de [Bank]-rekening te wijzigen, hetgeen (uiteindelijk) niet mogelijk bleek te zijn.

iv. In december 2009 heeft de maatschap [maatschap] notaris [notaris A] gevraagd met betrekking tot de [Bank]-rekening te zorgen voor een volmacht voor alle notarissen en voor een verklaring van de [Bank]-bank dat de desbetreffende rekening een kwaliteitsrekening was. Eind december 2009 zijn de volmachten geregeld. De [Bank]-bank heeft aan de maatschap [maatschap] geen verklaring verstrekt dat de [Bank]-rekening een kwaliteitsrekening was.

v. De bewaringspositie van de maatschap [maatschap] was als gevolg van het voorgaande op 30 september 2009 € 153.683 negatief en op 31 december 2009 € 325.815 negatief. De negatieve bewaringspositie van 31 december 2009 heeft voortgeduurd tot 16 maart 2010. Pas toen zijn de gelden van de [Bank]-rekening teruggeboekt naar de derdengeldrekening van de maatschap [maatschap].

5 Het standpunt van het BFT

Het BFT stelt zich op het standpunt dat door overboeking van de bedragen van € 1.763.599,63 en € 503.067,04 (in verband met de aandelenoverdracht [B.V.] in het jaar 2005) en van € 500.000 (naar de [Bank]-rekening in het jaar 2009) van de derdengeldrekening van de maatschap [maatschap], een tekort in de liquiditeits- en bewaringspositie is ontstaan die niet is toegestaan. Dit is een overtreding van onder meer artikel 25 (oud) Wna en artikel 15 lid 1 Verordening beroeps- en gedragsregels (Vbg).

6 Het standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

7 De beoordeling

Formele aspecten

7.1.

Het hof zal eerst de door de notaris opgeworpen formele verweren behandelen.

Klacht niet op juiste wijze ingediend

7.2.

De notaris is van mening dat de voorzitter van de KvT Maastricht door het rapport van het BFT aan de KvT Roermond toe te zenden, maar daarbij te vermelden dat hij geen eigen conclusies wil trekken, niet heeft voldaan aan artikel 96 lid 6 (oud) Wna, omdat daarin is bepaald dat de voorlegging van de zaak aan de kamer dient te geschieden in de vorm van een met redenen omklede schriftelijke klacht. Deze klacht is niet op de juiste wijze ingediend en kan daarom niet worden behandeld, aldus de notaris.

7.3.

Het hof verwerpt dit betoog. Met de KvT Roermond in de bestreden beslissing is het hof van oordeel dat het feit dat de voorzitter van de KvT Maastricht het rapport op de voet van artikel 96, lid 6 (oud) Wna heeft voorgelegd aan de KvT Roermond ten einde de daarin genoemde aangelegenheden te behandelen op de voet van artikel 98 en volgende (oud) Wna, redelijkerwijs niet anders kan worden begrepen dan dat de voorzitter de bedoeling heeft gehad op die wijze een klacht in te dienen. Voorts blijkt uit de beslissing van 14 augustus 2012 ook zonder dat de voorzitter van de KvT Roermond daarin een eigen oordeel heeft gegeven over de beschreven gedragingen – waarin hij ook niet was geroepen – voldoende duidelijk op welke gronden hij tot het indienen van de klacht heeft besloten.

BFT-onderzoek op grond van een ongeldige opdracht

7.4.

De notaris voert aan dat het onderzoek van het BFT niet mag worden gebruikt voor de klachtbehandeling. De verwijzingsbeslissing waarbij de (voorzitter van de) KvT Maastricht is belast met het onderzoek naar (het vermoeden van) onregelmatigheden, had immers alleen betrekking op het handelen van de notarissen [notaris A] en [notaris] en niet op het handelen van alle (andere) leden van de maatschap [maatschap]. Omdat de beslissing van de voorzitter van de KvT Maastricht van 12 april 2011 tot uitbreiding van het onderzoek naar alle leden van de maatschap [maatschap] niet rechtsgeldig is genomen, zijn de onderzoeksresultaten in het rapport van het BFT jegens de notaris ontoelaatbaar.

7.5.

Het hof volgt de notaris niet in haar stellingname. Uit rechtsoverweging 2.2. van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzing van de zaak naar de voorzitter van de KvT Maastricht, zag op “de uitoefening van bedoeld toezicht en de daaruit voortvloeiende bevoegdheid om ingevolge het tweede lid van artikel 96 Wna een onderzoek te gelasten”. Daarmee is het aan de voorzitter van die kamer om de omvang van dit onderzoek te bepalen en, indien deze voorzitter dit noodzakelijk acht, dit onderzoek verder uit te breiden.

Beslissing genomen door een onbevoegde kamer

7.6.

Daarnaast voert de notaris aan dat de voorzitter van de KvT Maastricht het rapport van het BFT ten onrechte op de voet van artikel 96 lid 6 (oud) Wna heeft toegezonden aan de KvT Roermond. Door de verwijzingsbeslissing was de (voorzitter van de) KvT Maastricht belast met de behandeling van deze zaak. De KvT Roermond was daardoor niet meer bevoegd om te beslissen op een klacht (ingediend naar aanleiding van het rapport van het BFT) zodat de bestreden beslissing door een onbevoegde kamer is gegeven en daartegen geen hoger beroep kan worden ingesteld.

7.7.

Gelet op de overwegingen in de verwijzingsbeslissing acht het hof de handelwijze van de voorzitter van de KvT Maastricht de juiste. De verwijzing zag immers op “de uitoefening van bedoeld toezicht en de daaruit voortvloeiende bevoegdheid om ingevolge het tweede lid van artikel 96 Wna een onderzoek te gelasten”. Daaronder kan niet worden begrepen de bevoegdheid de zaak (verder) te behandelen als bedoeld in artikel 96 (oud) Wna. Op het moment dat het onderzoek was voltooid moest de voorzitter van de KvT Maastricht de zaak dan ook terugsturen naar de (in beginsel) bevoegde KvT Roermond.

7.8.

Wel zou kunnen worden betoogd dat de voorzitter van de KvT Roermond bij ontvangst van de onderzoeksresultaten door de KvT Roermond op grond van het bepaalde in artikel 98 lid 3 (oud) Wna die onderzoeksresultaten niet aan de eigen kamer had behoren voor te leggen voor behandeling van de zaak overeenkomstig de artikelen 98 en verder (oud) Wna, maar (wederom) een verzoek had moeten indienen bij de president van dit hof om een andere kamer van toezicht te belasten met de behandeling van de ambtshalve bedenkingen van de voorzitter van de KvT Maastricht, omdat notaris [notaris A] (plaatsvervangend) lid was van de KvT Roermond. Wat daarvan zij, die kwestie kan in het midden blijven omdat het hof de zaak thans opnieuw en in volle omvang behandelt.

Inhoudelijke beoordeling

De aandelenoverdracht [B.V.] (2005)

7.9.

Het BFT verwijt (onder meer) de notaris dat in 2005 door de overboeking van bedragen van € 1.763.599,63 en € 503.067,04 (in verband met de – ten tijde van de overboeking nog niet plaatsgevonden hebbende – aandelenoverdracht [B.V.]) van de derdengeldrekening van de maatschap [maatschap], een tekort in de liquiditeits- en bewaringspositie is ontstaan.

7.10.

De notaris voert een tweeledig verweer:

a. Het door het BFT geconstateerde tekort betrof enkel een administratief tekort en geen feitelijk tekort in de bewarings- en liquiditeitspositie van de maatschap [maatschap]. Het tekort is ontstaan doordat notaris [notaris A] reeds op 30 juni 2005 respectievelijk 8 juli 2005 opdracht heeft gegeven de op de derdengeldrekening van de maatschap [maatschap] ontvangen gelden van de kopers van de aandelen over te boeken naar een door de verkoper opgegeven rekening, terwijl hij de akte van levering pas op 23 augustus 2005 heeft gepasseerd. Tussentijds hadden de kopers primair een vordering tot levering van de gekochte aandelen. Pas als de verkoper daaraan niet had kunnen of willen voldoen en de koopovereenkomst op grond daarvan was ontbonden, zouden de kopers een vordering tot terugbetaling van de op de derdengeldrekening van de maatschap [maatschap] gestorte gelden hebben gekregen. Nu alle kopers de desbetreffende aandelen correct geleverd hebben gekregen, is in feite van een tekort in de bewarings- en liquiditeitspositie nooit sprake geweest.

b. Voor zover er in 2005 wel een tekort in de liquiditeits- en bewaringspositie van de maatschap [maatschap] geconstateerd kan worden, valt hiervan niet alle leden van de maatschap (en in elk geval niet de notaris) een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Het tekort is niet terug te voeren op enig gebrek in de organisatie en/of administratie van de maatschap [maatschap]. Behalve notaris [notaris A] heeft geen van de andere leden van de maatschap [maatschap] het ontstaan van het tekort kunnen verhinderen. Bovendien hebben de overige notarissen van de maatschap onmiddellijk nadat hun bekend werd dat de overboekingen (door de boekhouder in opdracht van notaris [notaris A]) waren gedaan, de nodige maatregelen genomen. Daardoor is binnen enkele uren nadat het tekort was geconstateerd dit tekort weer opgeheven.

7.11.

Ad a. Het hof volgt de notaris niet in dit verweer. Het hof is van oordeel dat in de periode 30 juni 2005 tot en met 23 augustus 2005 een reëel tekort in de bewarings- en liquiditeitspositie van de maatschap [maatschap] heeft bestaan nu de kopers ook na doorbetaling van de gelden door notaris [notaris A] nog een vordering op de maatschap [maatschap] hadden. Immers, de notaris hield de ontvangen gelden nog voor de kopers, zonder wier toestemming zij niet tot uitbetaling aan de verkopers had mogen overgaan.

Ad b. Met betrekking tot de vraag of de notaris van het tekort tuchtrechtelijk een verwijt valt te maken, overweegt het hof het volgende. Volgens vaste rechtspraak ligt de verantwoordelijkheid voor een (positieve bewaringspositie op een) gezamenlijke kwaliteitsrekening op naam van een maatschap in beginsel bij elk van de maten afzonderlijk. Het hof verwijst in dit verband naar zijn beslissingen van 1 september 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK1552) en 21 september 2010 (ECLI:NL:GHAMS:2010:BN9441), welke beide beslissingen zien op de verantwoordelijkheden van notarissen in een samenwerkingsverband ten aanzien van kantoorbankrekeningen. Dat de notaris als gevolg van het samenwerkingsverband waarin zij zich heeft begeven de zeggenschap over onderdelen van haar praktijkvoering uit handen heeft gegeven (zoals aan notaris [notaris A]) ontslaat haar niet van haar wettelijke verplichtingen en verantwoordelijkheden. Het was aan de notaris om vóór het aangaan en tijdens het bestaan van het samenwerkingsverband, zich ervan te vergewissen dat de organisatie en administratie van het samenwerkingsverband op orde was en haar in staat stelde haar wettelijke verplichtingen te kunnen nakomen.

Op vragen van het hof heeft de gemachtigde van de notaris tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep op 28 augustus 2014 een nadere toelichting gegeven op de kantoororganisatie van [maatschap] zoals die in 2005 was ingericht. De gemachtigde van de notaris heeft in dat verband verklaard dat de boekhouder van de maatschap [maatschap] opdracht had (en heeft) ter zake van de levering van registergoederen te controleren dat geen gelden werden overgeboekt, voordat alle gelden binnen waren en alle noodzakelijke inzagen waren gedaan en akkoord bevonden. In andere gevallen, zoals de onderhavige aandelenoverdracht, mocht slechts tot overboeking van gelden worden overgegaan indien de verantwoordelijke notaris daartoe opdracht had gegeven en de gelden daadwerkelijk op de derdengeldrekening waren ontvangen. Van een boekhouder kan en mag, aldus (de gemachtigde van) de notaris, in dergelijke andere gevallen, waarin niet aan de hand van een recherche in de openbare registers kan worden gecontroleerd of de transactie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, echter niet worden verlangd dat hij ook nog juridisch-inhoudelijk onderzoekt of de door de verantwoordelijke notaris gegeven opdracht tot overboeking juist is. Desondanks heeft volgens (de gemachtigde van) de notaris de maatschap [maatschap] lering getrokken uit dit voorval en de kantoororganisatie nog verder aangescherpt teneinde te voorkomen dat gelden ten onrechte en/of te vroeg door de boekhouder worden overgeboekt.

Het hof volgt de notaris in haar verweer dat van een boekhouder niet mag worden verwacht dat hij iedere opdracht van de verantwoordelijk notaris juridisch-inhoudelijk toetst, voor hij tot overboeking overgaat. Het hof heeft in onderhavige zaak echter aanleiding om te veronderstellen dat het voor de boekhouder duidelijk moet kunnen zijn geweest dat het hier een overboeking van gelden betrof, terwijl de onderliggende akte nog niet was getekend. Het hof verwijst hiervoor naar de brief van de plaatsvervangend voorzitter aan de voorzitter van de KvT Maastricht van 30 maart 2011 (bijlage bij het rapport van het BFT, genummerd als pagina A2.20 en volgende) waarin hij onder meer schrijft dat de notariële kosten separaat door [maatschap] zijn gedeclareerd en dat op de declaraties aan kopers en verkoper staat vermeld dat de aandelenoverdracht pas op 19 september 2005 heeft plaatsgevonden. Als dit inderdaad op die declaraties stond vermeld, had dit binnen de organisatie en dan in het bijzonder bij de boekhouder vragen moeten oproepen. Ten einde te kunnen beoordelen of hier wellicht sprake is van een tekortkoming in de kantoororganisatie, dient het hof de beschikking te krijgen over de desbetreffende declaraties. Deze declaraties maken thans geen onderdeel uit van het procesdossier. Het hof zal, alvorens op dit punt een beslissing te geven, de notaris daarom in de gelegenheid stellen deze declaraties in te brengen in de procedure en uiteen te zetten op basis van welke gegevens de boekhouder tot overboeking van de beide bedragen heeft kunnen besluiten.

De [Bank]-rekening (2009-2010)

7.12.

Het BFT verwijt (onder anderen) de notaris verder dat door de overboeking op 13 augustus 2009 van een bedrag van € 500.000 van de derdengeldrekening van de maatschap [maatschap] naar een rekening bij de [Bank]-bank, een tekort in de liquiditeits- en bewaringspositie is ontstaan, dat heeft voortgeduurd tot 16 maart 2010.

7.13.

De notaris voert als verweer dat het pas in maart 2010 duidelijk werd dat de [Bank]-rekening geen kwaliteitsrekening was. Aan notaris [notaris A] was door de leden van de maatschap alleen toestemming gegeven om een nieuwe kwaliteitsrekening op naam van de maatschap te (laten) openen. Voor overboeking van gelden naar een privérekening werd nooit enige goedkeuring gegeven. Alleen omdat een medewerker van de bank heeft samengespannen met notaris [notaris A], werd niet direct na (de eerste) overboeking ontdekt dat de [Bank]-rekening geen kwaliteitsrekening was. Pas nadat in december 2009 aan de leden van de maatschap bleek dat de rekening alleen notaris [notaris A] als rekeninghouder vermeldde en de bank ondanks herhaaldelijk verzoek geen verklaring wilde afgeven dat het hier een kwaliteitsrekening betrof, heeft een medewerker van de bank aan de notaris meegedeeld dat de rekening geen kwaliteitsrekening was. Op dat moment werd pas het tekort in de bewarings- en liquiditeitspositie van de maatschap [maatschap] duidelijk. Het is echter onjuist de andere leden van een maatschap (tuchtrechtelijk) verantwoordelijk te houden voor de schadelijke gevolgen van het handelen van een lid van de maatschap dat te kwader trouw is.

7.14.

Het hof is van oordeel dat de notaris als lid van de maatschap [maatschap] het verwijt treft dat er als gevolg van de overboeking naar de [Bank]-rekening een tekort in de liquiditeits- en bewaringspositie is ontstaan en temeer dat dit tekort heeft voortbestaan tot 16 maart 2010. Op verscheidene momenten in het tijdvak van augustus 2009 tot en met maart 2010 had de notaris onmiddellijk en adequaat kunnen en moeten handelen, zoals toen de schriftelijke erkenning door de bank dat het hier een kwaliteitsrekening betrof (ondanks herhaaldelijk verzoek van de maatschapsleden) uitbleef en het moment waarop de andere maatschapsleden bleek dat de rekening alleen notaris [notaris A] als rekeninghouder vermeldde. Het vermoeden dat de [Bank]-rekening geen kwaliteitsrekening was had reeds op die momenten moeten leiden tot actief ingrijpen door (onder anderen) de notaris om te voorkomen dat het ontstane tekort in de liquiditeits- en bewaringspositie zou blijven voortduren. Het feit dat door het handelen van een ander lid van de maatschap dat te kwader trouw is, buiten haar medeweten en instemming een tekort is ontstaan, kan de notaris inderdaad niet worden verweten, maar het hof verwijt de notaris wel dat zij, toen dit tekort zich manifesteerde, niet terstond de vereiste maatregelen heeft genomen om het aan te zuiveren. Dit klachtonderdeel is gegrond.

Tussenbeslissing

7.15.

Gelet op het hiervoor onder rechtsoverweging 7.11. overwogene, komt het hof tot de volgende (tussen-)beslissing.

8 De beslissing

Het hof:

- stelt de notaris in de gelegenheid om zich vóór 30 januari 2015 uit te laten over hetgeen onder 7.11. ad b. is overwogen en de desbetreffende declaraties aan het hof over te leggen, waarna het BFT zes weken de gelegenheid krijgt hierop te reageren;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beslissing is gegeven op 28 augustus 2014 door mr. A.L.G.A. Stille, mr. J.C.W. Rang en mr. P. Blokland en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2014 door de rolraadsheer.