Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5434

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
29-04-2015
Zaaknummer
200.150.039-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:12881, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag, geen perspectief op thuisplaatsing, gehecht bij pleegouders.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 266, geldigheid: 2015-04-29
Burgerlijk Wetboek Boek 1 268, geldigheid: 2015-04-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 2 december 2014

Zaaknummer: 200.150.039/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/208376 / FA RK 13-3934

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. A.F.M. Visscher te Volendam,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem,

gevestigd te Haarlem,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de moeder en de Raad genoemd.

1.2.

De moeder is op 26 mei 2014 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 19 maart 2014 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/208376 / FA RK 13-3934.

1.3.

De Raad heeft op 16 juli 2014 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De moeder heeft op 18 juli 2014 en 1 september 2014 nadere stukken ingediend.

1.5.

De zaak is op 15 september 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de Raad, vertegenwoordigd door mevrouw V.A.S. Regout;

- de gezinsvoogd, namens Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (hierna: BJAA).

1.7.

[…] (hierna: de vader) is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder hebben een relatie gehad. Uit hun relatie is geboren […] [in] 2010 (hierna: [de minderjarige]). De vader heeft [de minderjarige] erkend. [de minderjarige] heeft sinds 12 maart 2012 in verschillende pleeggezinnen verbleven. Sinds 8 augustus 2012 verblijft zij bij de pleegouders.

2.2.

Bij beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Haarlem van 12 maart 2012 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld en is een (spoed)machtiging verleend om haar uit huis te plaatsen, welke ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing vervolgens definitief zijn uitgesproken en thans nog voortduren tot 12 maart 2015.

2.3.

BJAA heeft op 13 december 2013 een schriftelijke aanwijzing (hierna: de schriftelijke aanwijzing) gegeven aan de moeder, waarin is besloten dat wordt overgegaan tot het stopzetten van de contacten tussen de moeder en [de minderjarige]. Voorts is opgenomen dat BJAA van mening is dat het contact tussen de moeder en [de minderjarige] alleen mogelijk is als:

1. de moeder hulpverlening accepteert gericht op het omgaan met emoties en het reguleren daarvan en daarin ook daadwerkelijk een verbetering plaatsvindt;

2. de moeder inzicht geeft in haar hulpverleningstraject en onderzoeken die gedaan zijn, en zij BJAA toestemming geeft om met haar behandelaren in gesprek te gaan;

3. de moeder aanwijzingen kan opvolgen die door BJAA gegeven worden in het kader van het contact met [de minderjarige];

4. de moeder aanwijzingen kan opvolgen die gegeven worden door Spirit Pleegzorg in het kader van het contact met [de minderjarige].

2.4.

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland van 20 maart 2014 is de schriftelijke aanwijzing, voor zover het punt 2 betreft, vervallen verklaard.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de moeder de schriftelijke aanwijzing geheel vervallen te verklaren, te bepalen dat haar verzoek schorsende werking heeft ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de schriftelijke aanwijzing en een omgangsregeling vast te stellen.

2.5.

In het dossier bevinden zich onder meer een rapport van de Raad van 29 oktober 2013 en een bereidverklaring van BJAA om de voogdij over [de minderjarige] te aanvaarden van 31 oktober 2013.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, op verzoek van de Raad, de moeder ontheven van het gezag over [de minderjarige] en is BJAA benoemd tot voogdes.

3.2.

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, primair het inleidend verzoek van de Raad alsnog af te wijzen, en subsidiair het inleidend verzoek van de Raad om BJAA met de voogdij te belasten alsnog af te wijzen en in plaats daarvan de ouders van de moeder met de voogdij te belasten. Ten slotte verzoekt zij de Raad te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.3.

De Raad verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:266 Burgerlijk Wetboek (BW) kan, mits het belang van het kind zich daartegen niet verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven op de grond dat die ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

In het geval een ouder zich verzet tegen de ontheffing over een of meer van zijn kinderen, kan op grond van artikel 1:268 lid 2, aanhef en onder a, BW ontheffing worden uitgesproken, indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

4.2.

De moeder stelt dat niet aan de gronden voor ontheffing van het gezag is voldaan. Zij is op de hoogte van de problematiek van [de minderjarige] en heeft altijd medewerking verleend aan medische en psychologische onderzoeken en daar toestemming voor gegeven. De belangen van [de minderjarige] worden niet geschaad als de moeder belast blijft met het gezag. Gelet op haar leeftijd, zal [de minderjarige] niet betrokken worden bij de jaarlijkse verlengingen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, zodat zij daar ook geen last van ondervindt. De moeder misbruikt het gezag niet. Haar is geen gelegenheid gegeven zich te bewijzen, terwijl zij gedurende een langere termijn behandelsessies heeft gehad en thans veel beter met haar emoties kan omgaan. Zij wil voorts medewerking verlenen aan een traject bij de Bascule waarin wordt bepaald dat zij wel voor [de minderjarige] kan zorgen. Tijdens het contact met [de minderjarige] op 25 februari 2013 waren er geen problemen. Sindsdien heeft zij echter geen contact meer met [de minderjarige] gehad en ontvangt zij sporadisch foto’s en informatie. Zij heeft zich voorts begeleidbaar opgesteld door medewerking te verlenen aan gesprekken met het Jeugdriagg over de verstoorde seksuele ontwikkeling van [de minderjarige]. Zij probeert er alles aan te doen om een toekomst voor zichzelf en [de minderjarige] op te bouwen. Zo heeft zij een woning gevonden bij woonstichting [a], waar zij hoopt ooit met [de minderjarige] te kunnen gaan wonen. Ten slotte is de relatie tussen de moeder en BJAA beschadigd, en zij heeft weinig vertrouwen in het herstel daarvan, aldus de moeder.

4.3.

De Raad voert aan dat zowel de problematiek van de moeder als de problematiek van [de minderjarige] ervoor zorgt dat de moeder niet voor [de minderjarige] kan zorgen. Gedurende de periode dat [de minderjarige] bij de moeder verbleef, waren er ernstige zorgen over [de minderjarige]; zij vertoonde externaliserend en angstig gedrag. De moeder was onvoorspelbaar en onberekenbaar voor [de minderjarige], zij kampt met stemmingswisselingen en kan agressief zijn. Hoewel [de minderjarige] zich aan de pleegouders heeft gehecht, blijven er zorgen bestaan. Zo loopt zij achter in haar ontwikkeling, heeft problemen met emotieregulatie en vertoont zorgelijk gedrag op het gebied van seksuele ontwikkeling. De moeder stelt zich onbegeleidbaar op voor BJAA, negeert adviezen en diskwalificeert pleegouders en hulpverleners. De moeder heeft in eerste instantie geen toestemming voor behandeling door het Kinder en Jeugd Trauma Centrum (hierna: KJTC) gegeven, deze is pas later, via haar advocaat, gegeven. De moeder heeft hierbij bovendien beperkingen gesteld om haar eigen betrokkenheid en wensen te garanderen. De moeder heeft weinig inzicht in haar eigen problematiek en weinig controle over haar stemmingswisselingen. De moeder is niet in staat [de minderjarige] een veilige en stabiele omgeving te bieden, ook niet met begeleiding van [a] en de Bascule. Er is geen perspectief op terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder. [de minderjarige] heeft recht op duidelijkheid over haar toekomstperspectief en een ongestoorde hechting in het pleeggezin. Bovendien is de moeder niet in staat het belang van [de minderjarige] voorop te stellen. Ten slotte lukt het de grootouders niet de moeder voldoende op afstand te houden. De grootvader heeft zich meerdere keren agressief uitgelaten tegenover hulpverleners en de moeder, waardoor de veiligheid van [de minderjarige] in gevaar zou kunnen komen als de grootouders met het gezag zouden worden belast, aldus de Raad.

4.4.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken.

De moeder heeft een belast verleden en heeft waarschijnlijk een beneden gemiddelde intelligentie met extreme stemmingswisselingen. Zij geeft geen (toestemming voor) inzicht in haar problematiek. Daarnaast is zij agressief, lijkt haar impulscontrole onvoldoende ontwikkeld te zijn en heeft zij weinig probleembesef. Bij hevige emoties is gebleken dat zij primair handelt, uitgaat van haar eigen behoeften en niet aan het belang van [de minderjarige] kan denken. Voorts heeft de moeder een dreigende houding jegens de vader en diens familie en jegens de hulpverlening. De moeder is regelmatig in aanraking geweest met de politie, in maart 2012 voor buurtoverlast, waar [de minderjarige] veel van heeft meegekregen. Voorts krijste en sloeg de moeder gericht naar [de minderjarige]. Zij kwam in haar benadering naar [de minderjarige] agressief over en vertoonde wisselend opvoedgedrag, zoals eerst knuffelen, daarna schreeuwen. [de minderjarige] liet ernstige gedragsproblemen zien, zoals bijten, gillen, slaan, bonken met haar hoofd en stompen van haar moeder. Zij kroop in elkaar als met stemverheffing werd gesproken. Deze zorgen waren aanleiding voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] in maart 2012.

De moeder is in 2012 opgepakt en heeft drie dagen vastgezeten vanwege meerdere aangiftes van bedreiging. Zij heeft tevens contact met de politie gehad over dierenmishandeling. Voorts is zij in de periode juni-juli 2012 twee weken opgenomen geweest bij de Geestelijke Gezondheidszorg omdat zij suïcidaal zou zijn en gedreigd had de buren iets aan te zullen doen.

In 2013 is haar een tijdelijk huisverbod opgelegd ten aanzien van haar partner, omdat zij heftige ruzie hadden. De moeder is onvoorspelbaar en onberekenbaar in haar gedrag en vaak niet in staat tot adequate communicatie. Zij reageert emotioneel en legt de schuld buiten zichzelf. Zij kan zich niet goed verplaatsen in [de minderjarige] en inspelen op de bij de leeftijd van [de minderjarige] passende wensen en behoeften.

[de minderjarige] heeft na haar uithuisplaatsing op 12 maart 2012 eerst in een crisispleeggezin gewoond, waarna zij op 18 april 2012 bij de grootouders moederszijde is geplaatst. Vanwege de complexe relatie met de moeder en haar psychiatrische kenmerken lukte het de grootouders onvoldoende om de moeder op afstand te houden en de emotionele veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen, en zijn zij door Spirit afgekeurd als perspectief biedend pleeggezin. Op 18 juli 2012 is [de minderjarige] eerst (wederom) in een crisispleeggezin geplaatst, waarna zij op 8 augustus 2012 in het perspectief biedende pleeggezin is geplaatst waar zij thans verblijft. Er bestaan veel zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige]. Zij laat getraumatiseerd gedrag zien, zoals snel overprikkeld raken, herbelevingen hebben, heftig reageren op harde geluiden, slaan, schoppen en bijten. Voorts is haar seksuele ontwikkeling ontremd. Deze zorgen waren aanleiding voor aanmelding bij het KJTC, waar zij EMDR-therapie krijgt. Thans gaat het goed met [de minderjarige] in het pleeggezin, ze heeft zich op een positieve wijze aan de pleegouders gehecht en ontwikkelt zich leeftijdsadequaat.

De moeder heeft op 25 februari 2013 [de minderjarige] gezien onder begeleiding van BJAA. Voor die datum had zij zeven maanden geen contact gehad met [de minderjarige], omdat het haar niet lukte zich aan de afspraken met de hulpverlening te houden en het contact voor [de minderjarige] in dat geval traumatisch zou zijn. Voorts stelde de moeder zich niet begeleidbaar op, bleef zij zeggen dat zij [de minderjarige] zou meenemen tijdens een bezoek en dreigde zij de pleegouders geweld aan te doen. Gedurende het bezoek heeft de moeder onder meer hulpverleners in het bijzijn van [de minderjarige] genegeerd en trok zij haar eigen plan zonder aan te sluiten bij waar [de minderjarige] mee bezig was. De moeder vertelde [de minderjarige] voorts dat zij weer snel bij haar zou komen wonen en zij diskwalificeerde de pleegouders. [de minderjarige] had na afloop veel last van het bezoek; zij gedroeg zich zeer aanhankelijk tegenover de pleegouders, maar schopte en sloeg hen ook. Daarna is in het belang van [de minderjarige] de omgang met de moeder weer stop gezet, nu haar veiligheid niet te garanderen is. De moeder is onbetrouwbaar gebleken in het nakomen van haar afspraken, en is voorts niet te sturen of te begrenzen.

4.5.

Hoewel het te prijzen valt dat de moeder er alles aan probeert te doen om een toekomst voor zichzelf op te bouwen, acht het hof op grond van het voorgaande voldoende aannemelijk geworden dat zij ongeschikt is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te vervullen. Daar komt bij dat [de minderjarige] sinds haar tweede jaar niet meer bij de moeder woont en inmiddels ruim twee jaar bij de pleegouders verblijft; zij is daar gehecht en ontwikkelt zich leeftijdsadequaat. Het perspectief op plaatsing van [de minderjarige] bij de moeder ontbreekt. De moeder heeft onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden.

Voorts is voldoende aannemelijk geworden dat de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige] onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden. De moeder heeft ter zitting meegedeeld niet te begrijpen waarom een machtiging voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] is gegeven, en van mening te zijn dat een terugkeer van [de minderjarige] bij haar wellicht tot de mogelijkheden behoort. Alhoewel deze wens begrijpelijk is, ligt het belang van [de minderjarige] elders. Aan haar belang bij duidelijkheid over haar opvoedperspectief en bij stabiliteit en continuïteit in haar opvoedingssituatie bij de pleegouders dient met het oog op haar verdere ontwikkeling zwaarwegende betekenis te worden toegekend. Dat belang weegt zwaarder dan het belang van de moeder bij afwijzing van het verzoek tot ontheffing.

De moeder heeft gesteld medewerking te willen verlenen aan een traject bij de Bascule, waarin wordt beoordeeld of zij weer voor [de minderjarige] zou kunnen zorgen. Het hof overweegt dat een dergelijk gezinsbehandelingstraject in het verleden niet tot de mogelijkheden heeft behoord, nu de moeder, zoals de Raad heeft aangevoerd, geen openheid heeft willen geven over haar behandeling. Dit laatste had de Bascule als voorwaarde gesteld voor een opname, om de veiligheid van de moeder, [de minderjarige] en de andere bewoners te kunnen garanderen. Gelet op het vorenoverwogene, en met name de omstandigheid dat het perspectief op plaatsing van [de minderjarige] bij de moeder ontbreekt, behoort een dergelijk gezinsbehandeltraject thans niet meer tot de mogelijkheden.

Het hof volgt de moeder evenmin in haar standpunt dat [de minderjarige], gezien haar nog jonge leeftijd, geen nadeel ondervindt van de verlengingen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. [de minderjarige] is inmiddels vier jaar en zal zich, naarmate zij ouder wordt, steeds meer bewust worden van de jaarlijks terugkerende verlengingen. Een jaarlijkse verlenging van de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zal derhalve steeds weer onzekerheid over haar toekomstperspectief meebrengen. Hiermee wordt niet tegemoet gekomen aan haar belang als hiervoor omschreven. Uit het voorgaande volgt tevens dat het belang van [de minderjarige] zich niet tegen de ontheffing verzet.

Gezien het voorgaande is aan de voorwaarden voor ontheffing van de moeder van het gezag over [de minderjarige] voldaan.

4.6.

De moeder heeft verzocht om, in plaats van BJAA, de grootouders moederszijde met de voogdij over [de minderjarige] te belasten. Het hof overweegt dat dit, nu de grootouders moederszijde onvoldoende in staat zijn de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen doordat het hen niet lukt de moeder op afstand te houden, niet in het belang van [de minderjarige] is. Dit verzoek van de moeder zal derhalve worden afgewezen.

4.7.

De moeder heeft ten slotte verzocht de Raad te veroordelen in de kosten van de procedure. Het hof overweegt dat gelet op de aard en de uitkomst van de procedure geen aanleiding bestaat om de Raad te veroordelen in de proceskosten. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.

4.8.

Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de beschikking waarvan beroep dient te worden bekrachtigd.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. A. van Haeringen en mr. J.W. Brunt in tegenwoordigheid van mr. D.M. Jansen als griffier, en in het openbaar door de oudste raadsheer uitgesproken op 2 december 2014.