Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5418

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
29-04-2015
Zaaknummer
200.131.839-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur van woonruimte. De gevorderde rente over de achterstallige huurpenningen wordt in hoger beroep alsnog afgewezen. Het rentebeding in de algemene bepalingen (vaste rente van 1% per maand over achterstallige bedragen) is namelijk een oneerlijk beding in de zin van Richtlijn 93/13, nu deze rente in voldoende ernstige mate afwijkt van de fluctuerende wettelijke rente die de huurder/consument anders verschuldigd zou zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.131.839/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 583124 / CV EXPL 12-15407

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2014

inzake

[APPELLANT],

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.B.M. Swart te Almere,

tegen:

1 [GEÏNTIMEERDE SUB 1],

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

beiden wonend te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. B.P. van Overeem te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en (in enkelvoud) [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 31 juli 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, Sectie Kanton, locatie Haarlem (hierna: de kantonrechter), van 27 juni 2013 onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties;

- akte (met het opschrift ‘memorie van grieven’) van [appellant];

- antwoordakte.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen en – uitvoerbaar bij voorraad – de in hoger beroep deels gewijzigde vorderingen van [appellant] zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met – uitvoerbaar bij voorraad –beslissing over de proceskosten, te vermeerderen met nakosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder het kopje ‘De feiten’ de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Grief I is gericht tegen twee onderdelen van die vaststelling. Voor het overige zijn de feiten in hoger beroep niet in geschil en deze dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

2.2.

Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.2.1.

[geïntimeerde] hebben aan [appellant] verhuurd de woonruimte aan de voorzijde van de eerste etage van het pand aan de [adres] (hierna: de woonruimte). Op de huurovereenkomst zijn van toepassing de Algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte, vastgesteld in juli 2003 (hierna: de algemene bepalingen).

2.2.2.

Artikel 4.4 van de schriftelijke huurovereenkomst van 29 september 2007 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Per betaalperiode van 1 maand(en) bedraagt

- - de huurprijs € 270,00

- - de servicekosten € 35,00

- - het voorschot op de vergoeding voor de door of vanwege verhuurder

ten behoeve van huurder te verzorgen leveringen en diensten € 95,00

€ 400,=

De huurprijs is thans € 285,=, waarmee het maandelijks verschuldigde bedrag in totaal € 415,= bedraagt.

2.2.3.

Bij verstekvonnis van 15 december 2011 is [appellant] wegens een betalingsachterstand veroordeeld tot ontruiming van de woonruimte. In de naar aanleiding daarvan gevoerde verzetprocedure hebben partijen op 22 maart 2012 een vaststellingsovereenkomst gesloten over de betaling door [appellant] aan [geïntimeerde] van de betalingsachterstand en kosten (waarvan een deel nog aan hem kenbaar moet worden gemaakt) en het verhelpen van gebreken aan het gehuurde door [geïntimeerde].

2.2.4.

Vanaf mei 2012 heeft [appellant] maandelijks alleen nog € 170,= betaald ter zake van huur.

3 Beoordeling

3.1.

[geïntimeerde] heeft in de eerste aanleg, kort samengevat, de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woonruimte gevorderd en betaling door [appellant] van € 3.535,77, met rente en vaste opslag van € 15,= per vervallen maand, alsmede van € 415,= per maand vanaf 1 december 2012 tot de ontruiming. [appellant] heeft in reconventie, kort samengevat, gevorderd dat de huurprijs per 1 mei 2012 wordt bepaald op 170,= per maand totdat [geïntimeerde] alle gebreken aan de woonruimte heeft verholpen en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot openbaarmaking van de eindafrekeningen ter zake van de servicekosten in de periode van 2006 tot en met 2012 en tot betaling van € 764,44 als kosten voor telefoon, televisie en radio over 2012, met rente en kosten.

3.2.

De kantonrechter heeft de huurovereenkomst ontbonden en [appellant] veroordeeld tot ontruiming en tot betaling van € 3.669,80, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand over de huurachterstand tot een totaalbedrag van € 2.940,= en met de wettelijke rente over een bedrag van € 729,80, alsmede tot betaling van € 516,57, inclusief btw, voor buitengerechtelijke kosten. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. De vorderingen in reconventie zijn afgewezen en [appellant] is belast met de kosten van het geding in conventie en in reconventie.

3.3.

Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op.

3.4.

Grief I is allereerst gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat het gehuurde ‘(onzelfstandige) woonruimte’ betreft. Nu [appellant] niet heeft toegelicht welke betekenis de aard van de woonruimte (zelfstandig, zoals hij betoogt, of onzelfstandig) voor de beoordeling van het geschil heeft, behoeft dit onderdeel van de grief geen bespreking. Hiervoor onder 2.2.2 is de inhoud van artikel 4.4 van de, voor het eerst in hoger beroep in het geding gebrachte, schriftelijke huurovereenkomst weergegeven. Daarmee is tegemoet gekomen aan het tweede onderdeel van de grief over de aard van de maandelijkse betalingsverplichting. Deze grief kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.

3.5.

De grieven IIa en IIb betreffen de verwerping door de kantonrechter van het beroep op de gedeeltelijke opschorting door [appellant] van zijn verplichting de huur te betalen in verband met de door hem gestelde gebreken aan het gehuurde en het passeren van het eveneens gedane beroep op huurprijsvermindering vanaf 1 mei 2012. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.5.1.

De kantonrechter heeft als volgt overwogen. Bij de door [appellant] opgevoerde onderhoudsgebreken is ter comparitiezitting foto voor foto stil gestaan. Wat van die gebreken ook precies moge zijn, in de verste verte vormen deze geen grond voor de door [appellant] gepretendeerde bevoegdheid zijn betalingsverplichtingen zo drastisch op te schorten als hij nu reeds een jaar doet. Evenmin is komen vast te staan dat de onderhoudsgebreken vanaf 1 mei 2012 voor [appellant] een zodanige derving van huurgenot hebben opgeleverd dat vanaf die datum de huurprijs niet meer dan € 170,= zou (hebben) mogen bedragen. Gebleken is immers dat de verhuurders na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst een nieuw keukenblok hebben doen plaatsen en onderzoek hebben laten doen naar de gestelde lekkage, zoals in die overeenkomst bepaald. Voorts heeft [appellant] ter comparitiezitting erkend dat hij Azarov (degene aan wie [geïntimeerde] opdracht had gegeven om de door [appellant] gestelde gebreken te verhelpen) meermalen toegang tot de woonruimte heeft geweigerd.

3.5.2.

[appellant] heeft in de toelichting op de grieven aangevoerd dat hij in verband met de onderhoudsgebreken vanaf 1 mei 2012 € 115,=, zijnde 40,35%, van de totale som der huurpenningen heeft opgeschort. Volgens [appellant] is dit een gerechtvaardigde en evenredige opschorting in het licht van de door hem in de conclusie van antwoord opgesomde gebreken en daarbij in het geding gebrachte foto’s.

3.5.3.

De summiere omschrijving van de gebreken in de conclusie van antwoord (herhaald in de memorie van grieven) en de toelichting op de foto’s bij gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg, zoals deze blijkt uit het van de comparitie opgemaakte proces-verbaal, bieden echter, naar het oordeel van het hof, onvoldoende aanknopingspunten voor de door [appellant] gebezigde kwalificaties als onhygiënische woonruimte, achteruitgang van het aangezicht van de woonruimte en onveilige situaties. [appellant] heeft in hoger beroep nog gesteld dat de lekkage als bedoeld in de vaststellingsovereenkomst niet adequaat is verholpen. Uit het proces-verbaal van comparitie blijkt echter dat daartoe wel pogingen zijn ondernomen – volgens [geïntimeerde] ook met succes – en dat [appellant] heeft erkend dat hij in ieder geval daags voor de comparitie in eerste aanleg heeft geweigerd toegang te verlenen aan Azarov. Uit het proces-verbaal van comparitie blijkt dat [appellant] dat heeft geweigerd omdat het, zoals hij heeft verklaard, ‘toch niet zo [kan] zijn dat op de dag van de zitting ineens alles wordt gerepareerd, zodat er straks bij een eventuele bezichtiging niets meer te zien is’. Dat is een handelwijze en opvatting die voor zijn rekening en risico komt. Het niet passen van de kookplaat van [appellant] op het nieuw geplaatste keukenblok, kan, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet tot de conclusie leiden dat het gehuurde in zoverre een gebrek vertoont. Hoe dan ook valt uit de stellingen van [appellant] niet af te leiden dat het gehuurde gebreken vertoont die van dien aard zijn dat een huurprijsvermindering van 40,35%, respectievelijk een onafgebroken dienovereenkomstige gedeeltelijke opschorting van de betaling van de huurpenningen vanaf 1 mei 2012 daardoor wordt gerechtvaardigd. Dit betekent reeds dat de grieven falen.

3.6.

[appellant] heeft de servicekosten en het voorschot op de vergoeding voor leveringen en diensten van in totaal € 130,= per maand vanaf 1 mei 2012 in het geheel niet meer betaald. Ook ter zake daarvan heeft hij een beroep op opschorting gedaan, daartoe stellende dat hij nooit eindafrekeningen van [geïntimeerde] had ontvangen. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg vervolgens een aantal producties in het geding gebracht. Naar aanleiding daarvan en naar aanleiding van het debat dat partijen over de servicekosten hebben gevoerd, heeft de kantonrechter voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen. Uit het door verhuurders in het geding gebrachte servicekosten-overzicht kan worden afgeleid dat daarin een vaste bijdrage van de huurders wordt gevraagd ter bestrijding van de basiskosten die aan UPC moet worden voldaan voor televisie- en telefoon/internetaansluiting. Niet voor de hand ligt dat verhuurders tevens de kosten die het gevolg zijn van het individuele gebruik door huurders van telefoon, internet en televisie voor hun rekening zouden moeten nemen. De door [appellant] gevorderde openbaarmaking van de eindafrekeningen in de periode 2006 tot en met 2012 heeft inmiddels plaatsgevonden. Verhuurders hebben de jaaroverzichten waterverbruik vanaf december 2006 tot november 2012 en energie (gas en elektriciteit) vanaf 18 januari 2007 tot en met 15 januari 2013 in het geding gebracht. Uit niets blijkt dat [appellant] in het verleden al enige malen met klem bij verhuurders om bedoelde kostenoverzichten heeft verzocht, zodat hij aan het ontbreken van die overzichten geen opschortingsbevoegdheid heeft kunnen ontlenen, aldus het bestreden vonnis.

3.7.

De grieven IIIa, IIIb en VIII zijn gericht tegen voornoemde overweging van de kantonrechter.

3.7.1.

Bij de beoordeling hiervan is allereerst van belang dat [appellant] in hoger beroep niet langer de openbaarmaking vordert van de eindafrekeningen ter zake van de servicekosten in de periode van 2006 tot en met 2012, noch de betaling van het bedrag van € 764,44 voor de kosten van telefoon, televisie en radio in 2012.

3.7.2.

Vast staat dat [appellant] in eerste aanleg eindafrekeningen heeft ontvangen met betrekking tot het verbruik van gas, licht en water. Deze eindafrekeningen en de verdeelsleutel waarmee de desbetreffende kosten door [geïntimeerde] zijn verdeeld over de huurders heeft [appellant] in hoger beroep niet meer aan de orde gesteld.

3.7.3.

Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] geen eindafrekening verstrekt met betrekking tot de ‘overige servicekosten (onderhoud e.d.)’. Het door [geïntimeerde] in eerste aanleg overgelegde stuk met opschrift ‘Specificatie Servicekosten Kleine Houtstraat 123 rd’ is volgens [appellant] slechts een overzicht van de wijze waarop [geïntimeerde] de overige servicekosten heeft berekend, niet een eindafrekening waaruit blijkt dat het in dat overzicht genoemde totaalbedrag van € 52,75 daadwerkelijk de gemaakte kosten betreft voor ieder jaar sinds de aanvang van de huurovereenkomst. Daarom vindt [appellant] dat moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] naast de kosten voor het gebruik van gas, licht en water geen kosten heeft gemaakt en heeft hij in hoger beroep terugbetaling gevorderd van € 3.013,93 wegens door hem tot 1 mei 2012 onverschuldigd betaalde servicekosten.

3.7.4.

Op voornoemde specificatie staat vermeld:

- Onderhoud CV & Boiler € 4,00

- Schoorsteenventilator & service € 2,50

- Ontstoppingsfonds € 2,50

- Schoonhouden goten/HWA € 3,00

- Stoffering woning € 9,50

- Stoffering trappen & algemene ruimten € 5,00

- CAI inwendig net € 2,75

- CAI versterker & montage € 1,50

- Onderhoud & service belinstallatie € 3,50

- Onderhoud gemeenschappelijke ruimten € 4,00

- Leegstandsderving € 4,00

- Glasfonds € 2,50

- Beheer & Administratie € 2,50

- UPC € 5,50

3.7.5.

Het hof is, anders dan [appellant], van oordeel dat het hierbij gaat om een naar soort uitgesplitst overzicht van de per kalenderjaar in rekening gebrachte (overige) servicekosten en de wijze van berekening daarvan, aan de hand waarvan [appellant] in de gelegenheid is gesteld te controleren of is voldaan aan het bepaalde in artikel 7:259 lid 1 BW. Dat [geïntimeerde] dit overzicht pas in de loop van de procedure in eerste aanleg heeft verstrekt, ontslaat [appellant] niet van zijn betalingsverplichting. De bedragen die hij voor 1 mei 2012 ter zake van servicekosten heeft voldaan zijn niet onverschuldigd betaald.

3.7.6.

[appellant] heeft niet concreet gemaakt op welke grond volgens hem het overeengekomen bedrag van in totaal € 130,= per maand voor het jaar 2013 zou moeten worden aangepast. Reeds daarom kan hij zich niet beroepen op opschorting van zijn betalingsverplichting met betrekking tot dat bedrag wegens het uitblijven van een voorstel tot aanpassing van [geïntimeerde].

3.7.7.

De slotsom is dat de kantonrechter het beroep op opschorting van [appellant] met betrekking tot het maandelijks door hem te betalen bedrag van € 130,= terecht heeft verworpen en dat de grieven IIIa en IIIb reeds daarom falen.

3.7.8.

[appellant] heeft in hoger beroep gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 99,= omdat [appellant], zo heeft hij in het kader van grief VIII toegelicht, in de periode van 1 mei 2012 tot en met oktober 2013 het bedrag van € 5,50 per maand zelf aan UPC heeft voldaan. [geïntimeerde] heeft naar aanleiding hiervan te kennen gegeven dat het bedrag van € 5,50 per maand ten behoeve van UPC vanaf 1 mei 2012 buiten beschouwing kan worden gelaten. Dit betekent dat grief VIII slaagt. De vordering van [appellant] tot betaling van € 99,= is evenwel niet toewijsbaar omdat hij vanaf 1 mei 2012 nu juist is gestopt met de betaling van het door hem verschuldigde bedrag van in totaal € 130,= voor servicekosten en voorschot op de vergoeding van leveringen en diensten en daarmee vanaf die datum dus ook geen bedrag van € 5,50 per maand ten behoeve van UPC heeft voldaan aan [geïntimeerde]. Aan grief VIII wordt tegemoetgekomen doordat [appellant] vanaf 1 mei 2012 dit onderdeel van de servicekosten niet behoeft te voldoen, zodat hij vanaf 1 mei 2012 ter zake van servicekosten een bedrag van € 124,50 is verschuldigd in plaats van € 130,=.

3.8.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende conclusies.

(i) De kantonrechter heeft terecht de vordering van [appellant] tot huurprijsvermindering afgewezen.

(ii) [appellant] heeft ten onrechte sinds 1 mei 2012 slechts € 170,= aan [geïntimeerde] betaald, in plaats van het door hem totaal verschuldigde bedrag van € 409,50 per maand

(€ 415,= minus € 5,50 ten behoeve van UPC). De betalingsachterstand van [appellant] bedraagt derhalve € 239,50 per maand. Ten tijde van het bestreden vonnis was de betalingsachterstand in totaal € 2.874,= (12 x 239,50) in plaats van het door de kantonrechter toegewezen bedrag van € 2.940,= (12 x € 245,=).

(iii) De ontstane aanzienlijke betalingsachterstand van [appellant] rechtvaardigt de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woonruimte.

(iv) De vorderingen van [appellant] tot betaling van € 3.013,93 en € 99,= zijn niet toewijsbaar.

3.9.1.

Voor zover [appellant] in het kader van grief IV in het verlengde van zijn eerdere grieven andere door hem verschuldigde bedragen tot uitgangspunt heeft genomen dan hiervoor onder 3.8 zijn genoemd, faalt deze grief.

3.9.2.

[appellant] heeft in de toelichting op deze grief voorts gesteld dat het contractuele rentebeding (1% per maand) in artikel 20.2 van de algemene bepalingen onredelijk bezwarend is, omdat hij daardoor ruim drie keer meer aan rente betaalt dan hij op grond van de wettelijke rente verschuldigd zou zijn, zodat sprake is van een woekerrente. [geïntimeerde] heeft in reactie daarop volstaan met de stelling dat geen aanleiding bestaat het beding te vernietigen.

3.9.3.

Artikel 20.2 van de algemene bepalingen luidt als volgt: ‘Voor elk geval dat huurder in verzuim is met de tijdige en volledige betaling van een geldsom, is hij 1% rente per maand verschuldigd over de verschuldigde hoofdsom vanaf de vervaldatum tot aan de dag van algehele voldoening van de hoofdsom. Hierbij wordt een gedeelte van een maand als volle maand aangemerkt.’

3.9.4.

Aan de orde is de vraag of dit rentebeding moet worden aangemerkt als een oneerlijk beding in de zin van artikel 1 Aanhef en onder e van de bijlage van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: Richtlijn 93/13), op grond waarvan het opleggen van een onevenredig hoge schadevergoeding wegens het niet nakomen van verbintenissen door een consument wordt aangemerkt als een oneerlijk beding. De huurovereenkomst is gesloten tussen [geïntimeerde] optredende als bedrijfsmatige verhuurder en [appellant] als consument, een en ander in de zin van Richtlijn 93/13. In het rentebeding zijn geen dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van nationaal recht overgenomen zodat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat het boetebeding valt onder het bereik van Richtlijn 93/13. Over het in de toepasselijke algemene bepalingen opgenomen rentebeding is niet apart onderhandeld in de zin van artikel 3 lid 1 van Richtlijn 93/13. Verder is het geen kernbeding in de zin van artikel 4 lid 2 van Richtlijn 93/13. Een aanzienlijke verstoring van het evenwicht in de zin van artikel 3 van Richtlijn 93/13 tussen een consument en een bedrijfsmatige verhuurder kan al bestaan als de rechtspositie van de consument onder de overeenkomst in voldoende ernstige mate afwijkt van de rechtspositie van de consument onder de wet. Nu [appellant] als huurder op grond van artikel 20.2 van de algemene bepalingen een vaste rente van 1% per maand is verschuldigd in tegenstelling tot de fluctuerende wettelijke rente die hij zonder het beding verschuldigd zou zijn, is het hof van oordeel dat de rechtspositie van [appellant] onder de overeenkomst in voldoende ernstige mate afwijkt van zijn positie onder de wet en dat het rentebeding in de algemene bepalingen een oneerlijk beding is in de zin van Richtlijn 93/13. Dat betekent dat het beding wordt vernietigd en de daarop gebaseerde vordering tot betaling van de bedongen rente zal worden afgewezen. In zoverre slaagt grief IV.

3.10.

Nu [appellant] al eerder een huurachterstand heeft laten ontstaan, bestaat geen aanleiding hem een terme de grâce te gunnen, zoals hij in het kader van grief VII heeft bepleit. De tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst heeft niet tot gevolg dat bij een nieuwe betalingsachterstand moet worden gedaan alsof dat de eerste is. Voor het overige borduurt de toelichting op grief VII voort op hiervoor besproken en verworpen stellingen van [appellant]. De grief faalt.

3.11.

Met grief VI keert [appellant] zich tegen de overweging van de kantonrechter dat hij op grond van een redelijke uitleg van de vaststellingsovereenkomst (inhoudende: [appellant] voldoet 50% van de nog aan hem kenbaar te maken kosten van ontruiming) een bedrag van € 729,80, te vermeerderen met de wettelijke rente, voor ontruimingskosten aan [geïntimeerde] is verschuldigd en dat de door derden aan hem – [appellant] – in rekening gebrachte ontruimingskosten buiten deze regeling vallen.

3.11.1.

[appellant] heeft in de toelichting op de grief onder meer gesteld dat hij ter zake van de kosten van de ontruiming al een bedrag van € 1.080,15 rechtstreeks aan Spaarnelanden heeft betaald (producties 5 en 6 bij conclusie van antwoord/eis), zodat de door [geïntimeerde] tegen hem ingestelde vordering strekkende tot betaling van € 729,80 ter zake van diezelfde kosten betekent dat [appellant] daarvoor dubbel moet betalen.

3.11.2.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg volstaan met het in het geding brengen van een brief van 13 juni 2012 van zijn incassogemachtigde. In die brief wordt opgave gedaan van de ontruimingskosten, waarvan de helft aan [appellant] wordt doorberekend. In hoger beroep heeft [geïntimeerde] slechts gesteld dat [appellant] ten onrechte meent ‘dat hij de kosten die nu door verhuurder in rekening worden gebracht al rechtstreeks aan de deurwaarder heeft voldaan. Die veronderstelling is onjuist.’ Hij heeft deze stelling op geen enkele manier nader toegelicht. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat [appellant] door toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] niet een tweede keer wordt belast met dezelfde kosten. Tegenover de gemotiveerde betwisting door [appellant] heeft [geïntimeerde] daarom onvoldoende gesteld voor toewijzing van deze vordering. Bij deze stand van zaken wordt het bewijsaanbod van [geïntimeerde] als niet ter zake dienend gepasseerd. De grief slaagt.

3.12.

Grief V betreft de toewijzing door de kantonrechter van de buitengerechtelijke kosten van € 516,57, inclusief btw. Met de toelichting op deze grief, gebaseerd op het Rapport Voor-Werk II, miskent [appellant] dat hij op grond van artikel 20.4 van de algemene bepalingen voor gemaakte buitengerechtelijke kosten tenminste 15% van het achterstallige bedrag is verschuldigd. [geïntimeerde] heeft buitengerechtelijke kosten gemaakt die niet geacht kunnen worden onder de proceskostenveroordeling te vallen. Anders dan [appellant] kennelijk meent is de brief van 4 juli 2012 van PSC Juristen niet aan te merken als een standaardbrief. De omvang van de betalingsachterstand in aanmerking genomen is het bedrag van € 516,57, inclusief btw, terecht toegewezen. De grief faalt en behoeft geen verdere bespreking.

3.13.

De grieven IV (gedeeltelijk), VI en VIII slagen. Voor het overige falen de grieven. Ter zake van het bij het eerste gedachtestreepje in het dictum van het bestreden vonnis toegewezen gedeelte van de geldvordering is (in plaats van € 3.669,80) toewijsbaar een bedrag van € 2.874,= Het verschil tussen deze bedragen (€ 795,80) en de gevorderde contractuele en wettelijke rente zullen alsnog worden afgewezen. Het vonnis zal voor het overige worden bekrachtigd. [appellant] heeft weliswaar bewijs aangeboden, maar geen feiten of omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een andere beoordeling van het geschil zouden kunnen leiden. Dat bewijsaanbod wordt daarom gepasseerd. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt [appellant] verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij in het dictum, eerste gedachtestreepje, méér is toegewezen dan € 2.874,=;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst af de desbetreffende geldvordering van [geïntimeerde] tot een bedrag van € 795,80, evenals de gevorderde contractuele en wettelijke rente;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 299,= aan verschotten en € 632,= voor salaris en op € 205,= voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,= voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, C. Uriot en D.L.M.T. Dankers-Hagenaars en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 december 2014.