Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5407

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
27-11-2015
Zaaknummer
200.125.714-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding. Stichting stelt ruimte ter beschikking aan gitaardocent, tegen betaling. Stichting zegt de overeenkomst op omdat docent bij de lessen meer dan incidenteel over zijn geloof sprak, ook bij lessen aan minderjarigen. Anders dan de eerste rechter oordeelt het hof dit niet een opzegging op een grond die de stichting schadeplichtig doet zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.125.714/01 KG

zaaknummer rechtbank : KK 13-118

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2014

inzake

de stichting STICHTING HET MUZIEKPAKHUIS,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. A.J. Zappey te Amsterdam,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna het Muziekpakhuis en [geïntimeerde] genoemd.

In deze zaak heeft het hof een tussenarrest uitgesproken op 23 juli 2013. Voor het procesverloop tot die datum verwijst het hof naar dat tussenarrest.

[geïntimeerde] heeft vervolgens een memorie van antwoord genomen, met producties, waarin hij heeft geconcludeerd tot, samengevat, bekrachtiging van het vonnis, met beslissing over de proceskosten.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis onder 1.1 t/m 1.13 de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. De grieven 1 en 2 zijn gericht tegen de weergave onder 1.2 onderscheidenlijk 1.11. Voor zover nodig zal het hof hierop terugkomen. De overige feiten zijn niet in geschil en deze (overige) feiten dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Het Muziekpakhuis is een stichting die ruimtes ter beschikking stelt aan muziekdocenten om les te geven aan leerlingen van alle leeftijden en niveaus en in verband daarmee andere faciliteiten verschaft. [geïntimeerde] is docent gitaar die sinds december 2002 bij het Muziekpakhuis twee dagen per week les geeft. Voor het gebruik van een lokaal in het pand van het Muziekpakhuis betaalt hij huur. Het lesgeld brengt hij rechtstreeks bij zijn leerlingen in rekening. [geïntimeerde] heeft blijkens een door hem voor akkoord ondertekende akte “Lespraktijk overeenkomst” van 5 januari 2011 ingestemd met de daarin vervatte voorwaarden. In de considerans van deze overeenkomst is onder andere vermeld:

“a. Het Muziekpakhuis is een stichting die ruimte en service faciliteert ten behoeve van docenten die binnen het Muziekpakhuis een zelfstandige muziekpraktijk hebben, en die onder de hoed van en in het Muziekpakhuis zelfstandig muziekles geven.

b. De docent en het Muziekpakhuis hebben uitdrukkelijk niet de bedoeling een arbeidsovereenkomst aan te gaan.”

Voorts is in deze overeenkomst bepaald:

Duur overeenkomst, opzegging, verlenging

Deze overeenkomst is geldig voor een jaar, en kan jaarlijks, zonder opgaaf van redenen, aan het einde van het jaar met een opzegtermijn van 3 maanden worden opgezegd zowel door het Muziekpakhuis als door de docent. Indien niet wordt opgezegd wordt deze overeenkomst telkens stilzwijgend verlengd met één jaar.

(…)

Opzegging overeenkomst door het Muziekpakhuis

Wanneer bij de half jaarlijkse gesprekken blijkt dat de directie van het MPH van mening is dat de docent in kwestie niet meer functioneert volgens de afspraken die gemaakt zijn kan de relatie een lessen reeks van te voren worden opgezegd. (dat is in onze praktijk 5 maanden). Onder niet meer functioneren volgens de afspraken die gemaakt zijn wordt in ieder geval, doch niet uitsluitend, verstaan: (…) het zich niet houden aan de algemene fatsoenregels die gelden in het MPH (…)”.

Op 17 januari 2011 heeft zakelijk directrice [X] een gesprek met [geïntimeerde] gehad over zijn lespraktijk en de wijze waarop hij deze combineerde met zijn levensovertuiging. In dat gesprek uitte [X] haar zorg over de mate waarin [geïntimeerde] in zijn lessen blijk gaf van zijn ideologie. Nadat [X] nog enige gesprekken met hem gevoerd had, verbood zij [geïntimeerde] om tijdens de lessen aan minderjarigen te verwijzen naar de bijbel. Op 24 januari 2012 vond nogmaals een gesprek tussen [X] en [geïntimeerde] plaats. Bij e-mail van 25 januari 2012 heeft het Muziekpakhuis de tussen partijen bestaande overeenkomst opgezegd tegen 1 juli 2012 met als belangrijkste redenen een onoverbrugbaar verschil van visie op (neutraal) muziekonderwijs, haar inschatting dat [geïntimeerde] niet in staat was om zijn persoonlijke levensovertuiging en professionele rol te scheiden en haar streven en verantwoordelijkheid om (met name jonge) leerlingen (en ouders) te beschermen tegen zijn, in haar ogen, fanatieke geloofsovertuiging. Eind mei 2012 heeft [X] bij brieven die zij eerst in concept aan [geïntimeerde] had voorgelegd en waarmee [geïntimeerde] (naar hij kenbaar had gemaakt) niet kon instemmen, aan de leerlingen en de andere docenten meegedeeld dat [geïntimeerde] zijn praktijk bij het Muziekpakhuis in de zomer zou stoppen. Enige tijd na de opzegging van de overeenkomst heeft [geïntimeerde] de lessen aan zijn minderjarige leerlingen gestaakt. Het Muziekpakhuis heeft een bedrag terugbetaald aan een ouder van een van de leerlingen van [geïntimeerde] wegens vooruit betaalde doch niet gegeven lessen.

3.2.

Bij inleidende dagvaarding heeft [geïntimeerde] in dit kort geding gevorderd, kort gezegd, dat het Muziekpakhuis wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 17.500,- als voorschot op materiële schadevergoeding en van € 5.000,- als voorschot op immateriële schadevergoeding, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente. Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] het volgende, samengevat, ten grondslag gelegd. Tussen partijen is niet sprake van een arbeidsovereenkomst en dus niet van een gezagsverhouding. De inhoud en opbouw van de praktijk zijn geheel aan het inzicht van de docent overgelaten en het Muziekpakhuis had zich dan ook van elk oordeel omtrent de inhoud van de muzieklessen van [geïntimeerde] moeten onthouden. Tevens heeft het Muziekpakhuis inbreuk gemaakt op het recht van [geïntimeerde] als zelfstandige ondernemer onderwijs te kunnen geven met eerbiediging van zijn godsdienst of levensovertuiging en de vrijheid van richting zoals bedoeld in artikel 23 leden 2, 3, 5 en 6 van de Grondwet en het recht van gelijke behandeling. De opzegging is bovendien onregelmatig geweest omdat de overeenkomst ingevolge de Lespraktijk overeenkomst slechts opgezegd had kunnen worden tegen het einde van het (kalender)jaar. Door de verzending van brieven aan de leerlingen en andere docenten waarin niet vermeld stond dat er geen enkele klacht over [geïntimeerde] was binnengekomen, heeft het Muziekpakhuis zijn eer en goede naam geschonden.

3.3.

In reconventie vorderde het Muziekpakhuis in eerste aanleg veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 1.203,- wegens lesgelden, kopieerkosten en huur.

3.4.

De kantonrechter heeft het Muziekpakhuis veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 12.000,- ter zake van materiële schadevergoeding (te voldoen in twaalf maandelijkse termijnen) en van een bedrag van € 2.500,- ter zake van immateriële schadevergoeding. De reconventionele vordering is afgewezen. Hetgeen de kantonrechter daartoe heeft overwogen, kan als volgt worden samengevat. Tussen partijen is geen sprake geweest van een arbeidsovereenkomst maar van een overeenkomst van eigen aard. De vraag is of het Muziekpakhuis van [geïntimeerde] mocht verwachten dat hij zijn visie op het muziekonderwijs en de uitvoering daarvan zou aanpassen aan die van het Muziekpakhuis en met name zijn persoonlijke levensovertuiging en professionele rol van elkaar zou scheiden, gelet op het streven en de verantwoordelijkheid van het Muziekpakhuis om met name jonge leerlingen te beschermen tegen zijn (in de ogen van het Muziekpakhuis) fanatieke geloofsovertuiging. De kantonrechter beantwoordt deze vraag voorshands ontkennend. Daargelaten dat de overtuiging dat onderwijs neutraal moet zijn evengoed een overtuiging is als een overtuiging dat onderwijs vanuit een bepaalde geloofsovertuiging gegeven dient te worden, blijkt uit de considerans van de Lespraktijk overeenkomst en ook uit de feitelijke gang van zaken dat de docenten een zelfstandige muziekpraktijk uitvoeren. Dat [geïntimeerde] met zijn minderjarige leerlingen over zijn geloof sprak, heeft het Muziekpakhuis niet aannemelijk weten te maken. De eisen van redelijkheid en billijkheid brachten mee dat het Muziekpakhuis niet gerechtigd was zonder een goede reden de al tien jaar bestaande overeenkomst met [geïntimeerde] op te zeggen. [geïntimeerde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor zowel materiële als immateriële schade geleden heeft. Ook heeft hij voldoende aannemelijk gemaakt dat het Muziekpakhuis vanaf begin 2011 aanzienlijk minder leerlingen naar [geïntimeerde] doorgewezen heeft. Het Muziekpakhuis heeft niet jegens [geïntimeerde] verwijtbaar gehandeld door de wijze waarop zij het ontslag aan de mededocenten en leerlingen kenbaar gemaakt heeft. De reconventionele vordering is niet gespecificeerd en onvoldoende onderbouwd en moet daarom worden afgewezen.

3.5.

Naar aanleiding van de grieven overweegt het hof als volgt.

3.6.

In het bestreden vonnis is (onder 8) vermeld dat [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk heeft ontkend dat hij met zijn minderjarige leerlingen over zijn geloof spreekt. De kantonrechter heeft overwogen dat het Muziekpakhuis niet aannemelijk heeft weten te maken dat [geïntimeerde] met zijn minderjarige leerlingen over zijn geloof sprak. Tegen deze overweging is grief 5 gericht.

3.7.

Naar aanleiding van het hiervoor bedoelde gesprek van 17 januari 2011 tussen [geïntimeerde] en [X] heeft [X] [geïntimeerde] een e-mail gestuurd waarin het volgende valt te lezen:

“(…) Je spreekt in termen van dé waarheid en de eis aan jezelf om volstrekt eerlijk te zijn. Muziek heeft voor jou alles te maken met eerlijkheid en openheid. Jouw leerlingengroep bestaat voor 40% uit volwassenen die, naar jouw eigen zeggen, assertief zijn en aan kunnen geven of ze jouw levensvisie delen. Je hebt echter 60% kinderen als leerling en vooral voor deze groep maak ik mij zorgen. Ben je in staat om muziekles, waar leerlingen primair voor komen, en jouw geloofsovertuiging te scheiden? Kan je zelf een grens hanteren tussen spreken over hetgeen jou zo vervuld, leven volgens Gods leer, en de educatieve taak op het gebied van muziekonderwijs? Je zegt zelf misschien niet onfeilbaar te zijn maar hier zeker terughoudend in te zijn. Je bent je bewust van je taak en verantwoordelijkheid als docent. Je noemt je geloof een groot en zwaar onderwerp dat je niet met kinderen bespreekt want je vindt het een taak van ouders om kinderen hierin te begeleiden.(…) Mijn zorg over de mate waarin jij jouw ideologie meeneemt in de les is door het gesprek niet weggenomen.”

Ook op 24 januari 2012 heeft een gesprek met [geïntimeerde] plaatsgehad. In de e-mail van [X] aan [geïntimeerde] van 25 januari 2012, waarbij de overeenkomst is opgezegd, is daarover het volgende vermeld:

“Aanleiding voor dit gesprek was jouw telefonische oproep aan mij afgelopen zaterdag. Samengevat liet je mij in dit gesprek weten dat:

  • -

    je jezelf niet kon zijn,

  • -

    je je gefrustreerd voelde,

  • -

    het onwerkbaar voor je is om niet te mogen spreken over de waarheid in je lessen,

  • -

    je hart niet meer stroomt en

  • -

    je niet in het moment kunt leven omdat wij eerder de afspraak hebben gemaakt dat jij muziekles en je levensovertuiging scheidt in je lessen.

(…)

Daarbij heb ik specifiek aan je aangegeven dat ik vooral kinderen wil vrijwaren van welke levensovertuiging/religieuze invloed dan ook omdat zij zich, anders dan volwassenen, niet hiertegen kunnen verweren. Jij geeft hierop de reactie dat je kinderen geestelijk soms rijper vindt dan volwassenen en dat je niet weet waar je de grens moet trekken in het wel of niet met leerlingen spreken over je geloof. Sommige kinderen zijn in jouw ogen zo getalenteerd dat je vermoed dat je op een punt komt dat je niet meer om je geloof heen kunt en dat je wel met hen moet praten over “de waarheid”. Je zegt niet te weten of je je dan kunt beheersen.

Jouw telefonische oproep van afgelopen zaterdag betrof een dergelijke situatie. Je voelde de noodzaak om aan mij te laten weten hoe gefrustreerd je je voelde omdat je in een aankomende les met een talentvolle leerlinge van twaalf jaar niet “de waarheid” zou kunnen bespreken.”

In een e-mail van [X] aan [geïntimeerde] van 24 februari 2012, waarin [X] aan [geïntimeerde] vroeg zijn visie te geven op een concepttekst voor een brief waarin de docenten zouden worden geïnformeerd, is het volgende vermeld:

“Je hebt mij vandaag bevestigd dat jij muziek en het boek (bijbel) als één, als dezelfde waarheid, beschouwd. Bij talentvolle leerlingen wil jij de vrijheid om de, in jouw ogen, samenhang tussen de bijbel en muziekleer te bespreken. Je hebt een moeder van een talentvolle leerling gevraagd of je met de leerling kunt praten over de bijbel. De moeder beschouwt dit als cultuur en maakt geen bezwaar. Ondanks dat een moeder beslist wat haar kind al dan niet voor les geniet, vind ik jouw vraag aan de moeder al grensoverschrijdend. Op dat moment wordt de moeder geconfronteerd met een vraag die, in mijn ogen, geen verband houdt met muziekles. Jij weerspreekt dit omdat jij vindt dat de bijbel direct verband houdt met muziekles. (…) Je vindt het onbegrijpelijk dat ik deze waarheid niet zie en je vindt het dan ook discutabel of ik wel gerechtigd ben om het Muziekpakhuis te vrijwaren van “de waarheid”.”

Het hof constateert dat [geïntimeerde] de hiervoor weergegeven inhoud van deze e-mails, gespreksverslagen, niet (voldoende gemotiveerd) heeft weersproken. Het hof acht dan ook voldoende aannemelijk geworden dat het uit de e-mails naar voren komende beeld dat [geïntimeerde] zijn geloof en levensovertuiging meer dan incidenteel een rol heeft laten spelen bij het geven van muziekonderwijs, óók aan minderjarige leerlingen, juist is. Een en ander strookt overigens geheel met de door het Muziekpakhuis in eerste aanleg overgelegde verklaringen van diverse bij het Muziekpakhuis (al dan niet in het verleden) betrokken functionarissen, waarin verslag wordt gedaan van het geloof als het centrale thema in de contacten met [geïntimeerde]. Het hof wijst ten slotte op een verslag van een gesprek van [X] en [geïntimeerde] op 9 mei 2011 (in het verslag wordt melding gemaakt van de aanwezigheid van een derde als toehoorder). In dit verslag is vermeld dat de directe aanleiding voor het gesprek was het opzeggen van de lessen door twee leerlingen. In het verslag is de reactie van twee ouders weergegeven.

Ouder 1: “(…) Het ging fijn, maar uiteindelijk zijn we besloten om niet door te gaan omdat het niet een echt handig tijd was (X speelt ook voetbal op die zelfde dag, dus het was een beetje rennen). Zelf vond ik [geïntimeerde] ([geïntimeerde]; hof) een leuk docent, en X vond het super, maar ik vond het raar dat toen we maakte om weg te gaan, begon hij me te vragen over god en kerken en dat soort dingen. Ik vond het niet erg, maar wel niet de juiste moment voor dat soort discussie. Voor iemand anders misschien gewoon een leuk discussie, maar voor mij een beetje raar. (…)”.

Ouder 2: “(…) De moeder vindt jou een uitstekende docent maar op dit moment een verwarde indruk maken en in toenemende mate fanatiek in je geloofsuitingen. Zij gaf aan zich zorgen over je te maken.”

3.8.

Op grond van het voorgaande acht het hof, anders dan de kantonrechter, in voldoende mate aannemelijk geworden dat [geïntimeerde] met zijn leerlingen, óók met minderjarige leerlingen, over zijn geloof sprak. Het hof oordeelt grief 5 derhalve gegrond.

3.9.

Het hof is voorshands van oordeel dat het Muziekpakhuis gerechtigd was van [geïntimeerde] te vergen dat hij zijn persoonlijke levensovertuiging gescheiden zou houden van de inhoud van het door hem te geven muziekonderwijs, in het bijzonder betreffende minderjarige leerlingen en dat [geïntimeerde] daarom de uitvoering van zijn onderwijs zou aanpassen. Van belang hierbij is dat het Muziekpakhuis, naar tussen partijen niet in geschil is, een neutrale muziekonderwijsinstelling is en derhalve niet enigerlei godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag heeft. De omstandigheid dat de docenten binnen het Muziekpakhuis een zelfstandige muziekpraktijk hebben en in het Muziekpakhuis zelfstandig muziekles geven en dat tussen partijen niet een arbeidsovereenkomst bestond, leidt niet tot een ander oordeel. Een en ander neemt immers niet weg dat het het Muziekpakhuis als onderwijsinstelling vrij staat op godsdienstig/levensbeschouwelijk terrein een neutrale signatuur te hebben. Evenmin acht het hof hierbij van belang dat [geïntimeerde], naar hij stelt, niet in het bezit was van de op schrift gestelde “Ethische codes docenten Muziekpakhuis”. Ook zonder zodanige schriftelijke code behoorde [geïntimeerde] zich ervan bewust te zijn dat de (meer dan incidentele en/of zijdelingse) rol van zijn godsdienst/levensovertuiging in zijn lespraktijk – óók indien, zoals [geïntimeerde] naar voren heeft gebracht, die rol niet kan worden aangemerkt als het opdringen van zijn geloof/levensovertuiging – zich niet verdroeg met de neutrale signatuur van het Muziekpakhuis. [geïntimeerde] heeft nog een beroep gedaan op de hiervoor onder 3.2 genoemde grondrechten, maar dat beroep faalt. Tegenover het door [geïntimeerde] ingeroepen belang staat het belang van het Muziekpakhuis om haar neutrale signatuur te behouden. Afweging van de wederzijdse belangen leidt het hof niet tot het oordeel dat het belang van [geïntimeerde] te dezen zwaarder dient te wegen. Ook grief 4 slaagt daarom.

3.10.

Uit de stukken komt genoegzaam naar voren dat het Muziekpakhuis [geïntimeerde] bij herhaling en nadrukkelijk heeft aangesproken op zijn wijze van onderwijs en dat [geïntimeerde] heeft volhard in zijn gedrag. Onder die omstandigheden heeft het Muziekpakhuis de overeenkomst met [geïntimeerde] naar het voorlopig oordeel van het hof niet opgezegd op een grond die het Muziekpakhuis schadeplichtig doet zijn. Het hof volgt [geïntimeerde] niet in zijn betoog dat de overeenkomst slechts tegen het einde van het jaar, hoe ook bedoeld, kon worden opgezegd, zoals bepaald in de Lespraktijk overeenkomst onder het kopje “Duur overeenkomst, opzegging, verlenging”. Te dezen deed zich een opzeggingsgrond voor die valt binnen het bereik van de bepaling onder het kopje “Opzegging overeenkomst door het Muziekpakhuis” – in het bijzonder de grond “het zich niet houden aan de algemene fatsoensregels die gelden in het MPH” -, welke bepaling een andere opzegtermijn kent (“een lessen reeks van te voren”). In zoverre is grief 6 gegrond.

3.11.

Voor zover de vordering is gebaseerd op de stellingen dat de overeenkomst tussen partijen niet op een toereikende grond en niet met inachtneming van de geldende opzegtermijn is opgezegd, moet de vordering alsnog worden afgewezen.

3.12.

De vordering is (ten dele) mede gebaseerd op de stelling van [geïntimeerde] dat hij door toedoen van het Muziekpakhuis sinds begin 2011 leerlingen is misgelopen. De kantonrechter heeft overwogen dat [geïntimeerde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het Muziekpakhuis al vanaf begin 2011 aanzienlijk minder leerlingen naar [geïntimeerde] doorgewezen heeft. Het Muziekpakhuis heeft hier tegen in gebracht dat het aantal leerlingen wegens de financiële crisis terugliep, dat, voor zover leerlingen via het Muziekpakhuis werden verdeeld, gekeken werd naar de keuze van de leerling, dat een andere docent meer uren ging lesgeven waardoor hij ook meer leerlingen kreeg dan daarvoor en dat [geïntimeerde] in 2012 zijn praktijk zou gaan afbouwen, om welke reden hij geen nieuwe leerlingen meer heeft gekregen. Bovendien heeft [geïntimeerde], aldus het Muziekpakhuis, in de eerste helft van 2012 nimmer verzocht om meer leerlingen. De door [geïntimeerde] overgelegde lijst van leerlingen is daarom in de visie van het Muziekpakhuis geen bewijs van de stelling dat [geïntimeerde] minder leerlingen toegewezen heeft gekregen. [geïntimeerde], op zijn beurt, heeft de stellingen die het Muziekpakhuis aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd, betwist. Naar het oordeel van het hof kan op basis van de wederzijdse stellingen en overgelegde stukken in dit kort geding niet worden beoordeeld wie van partijen op dit punt gelijk heeft, terwijl nader onderzoek het bestek van dit kort geding te buiten gaat. Dit betekent dat de vordering op deze grond evenmin toewijsbaar is en dat grief 8 slaagt.

3.13.

Bespreking behoeft nog de in hoger beroep gewijzigde tegenvordering van het Muziekpakhuis op [geïntimeerde]. De voorwaarde waaronder een deel van deze vordering is ingesteld, is niet vervuld, zodat slechts het onvoorwaardelijk ingestelde gedeelte van de vordering ten bedrage van € 322,- wegens door het Muziekpakhuis aan een leerling geretourneerd lesgeld respectievelijk € 4,50 wegens kopieerkosten aan de orde is. Reeds wegens gebrek aan spoedeisend belang is deze vordering echter niet voor toewijzing vatbaar.

4 Slotsom en kosten

Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat het bestreden vonnis voor zover in conventie gewezen niet in stand kan blijven en dat de vordering van [geïntimeerde] alsnog zal worden afgewezen. [geïntimeerde] zal alsnog worden veroordeeld in de kosten in eerste aanleg in conventie. Voor zover in reconventie gewezen, zal het vonnis worden bekrachtigd. [geïntimeerde] zal als de in hoger beroep overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten daarvan.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis voor zover in conventie gewezen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie en begroot deze aan de zijde van het Muziekpakhuis tot de datum van het bestreden vonnis op nihil wegens verschotten en € 200,- wegens salaris;

bekrachtigt het vonnis voor zover in reconventie gewezen, waarbij het salaris in reconventie aan de zijde van [geïntimeerde] - dat Het Muziekpakhuis aan hem verschuldigd is - wordt begroot op € 100,-;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep en begroot deze aan de zijde van het Muziekpakhuis tot de datum van het arrest op € 777,79 wegens verschotten en € 894,- wegens salaris;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, R.J.F. Thiessen en D. Kingma en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 december 2014.