Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5399

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
18-12-2014
Zaaknummer
200.160.139/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Aangezien de wet niet voorziet in de mogelijkheid een rechter te wraken nadat deze uitspraak heeft gedaan, dient het verzoek op deze grond kennelijk niet-ontvankelijk te worden verklaard

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

zaaknummer: 200.127.062/01

rekestnummer: 200.160.139/01

Beslissing van de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam van 16 december 2014 op het

door de wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag naar dit hof verwezen verzoek tot wraking

in de zaak van:

[verzoeker], appellant,

adres: [adres],

hierna te noemen: verzoeker

tegen:

[geintimeerde], geïntimeerde,

gevestigd te [vestigingsplaats].

1 Het geding

Bij arrest van 15 april 2014 heeft de familiekamer van het gerechtshof Den Haag, waarin zitting hadden de raadsheren mr. Mink, mr. Lückers en mr. Van Kempen, uitspraak gedaan op het hoger beroep in de zaak van de verzoeker met zaaknummer 200.127.062/01.

Verzoeker heeft bij brief van 9 november 2014, welke brief bij het gerechtshof Den Haag is

ingekomen op 10 november 2014, verzocht om verwijzing naar een ander hof teneinde de

meervoudige familiekamer te wraken.

De wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag heeft bij beslissing van 18 november 2014,

op grond van artikel 62b van de Wet op de rechtelijke organisatie, de wrakingszaak ter verdere behandeling verwezen naar de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam, waarbij is gelet

op artikel 8.3 van het wrakingsprotocol van het gerechtshof Amsterdam en het gerechtshof Den Haag.

2 Het verzoek

Het schriftelijke verzoek tot wraking houdt samengevat het volgende in. Verzoeker verwijst in zijn verzoek naar een e-mailbericht van zijn toenmalige advocaat van 11 april 2014, waarin die advocaat

aan de verzoeker mededeelt dat: ‘Het hoger beroep zal worden behandeld door raadsheer

mr. J.A. van Kempen’. In zijn schriftelijk verzoek schrijft verzoeker, kennelijk op basis van voornoemd e-mailbericht, dat op 11 april 2014 hem en zijn advocaat slechts de naam van één rechter is medegedeeld. Waarom de andere twee namen geheim werden gehouden is verzoeker tot op heden onduidelijk. De andere twee raadsheren die het arrest van 15 april 2014 hebben gewezen, te weten mr. Mink en Lückers, waren eerder betrokken bij het beoordelen van wat volgens verzoeker in principe één langslepende zaak is, namelijk de terugplaatsing van verzoekers zoon. Verzoeker trekt in zijn schriftelijke verzoek

de onpartijdigheid en deskundigheid van laatstgenoemde raadsheren in twijfel.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid

Vaststaat dat het verzoek tot wraking bij de brief van 9 november 2014 is gedaan nadat – onder meer – mr. Mink en mr. Lückers bij arrest van 15 april 2014 uitspraak hebben gedaan. Aangezien de wet niet voorziet in de mogelijkheid een rechter te wraken nadat deze uitspraak heeft gedaan, dient het verzoek op deze grond kennelijk niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Gelet hierop, en gezien artikel 11 lid 1 van het wrakingsprotocol van het gerechtshof Amsterdam en

het gerechtshof Den Haag, is bepaald dat geen mondelinge behandeling van het verzoek plaatsvindt.

4 BESLISSING

De wrakingskamer:

verklaart verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk in het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.A.G. van der Ouderaa, mr. S. Clement, mr. A.M.J.G. van Amsterdam, en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 december 2014.