Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5398

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
200.159.257/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest in incident ex art. 351 Rv. Rolverwijzing voor uitlating appellant over de stand van zaken m.b.t. (eventueel) executie kort geding ex art. 438 lid 2 Rv.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2015:903 en ECLI:NL:GHAMS:2015:5167.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2015/22

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.159.257/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : CV 14-9225

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 december 2014

inzake

[APPELLANT] ,

wonend te [woonplaats],

appellant in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

1 [GEÏNTIMEERDE SUB 1],

wonend te [woonplaats],

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

wonend te [woonplaats],

3. [GEÏNTIMEERDE SUB 3],

wonend te [woonplaats],

4. [GEÏNTIMEERDE SUB 4],

wonend te [woonplaats],

geïntimeerden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat: mr. E.T. van den Hout te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 23 oktober 2014 in hoger beroep gekomen van een (deel)vonnis van de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team kanton (hierna: de kantonrechter) van 5 augustus 2014, dat onder bovenvermeld zaaknummer is gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers in conventie, tevens verweerders in (voorwaardelijke) reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie tevens eiser in (voorwaardelijke) reconventie. De appeldagvaarding bevat de grieven. [appellant] heeft daarbij producties overgelegd en bewijs aangeboden.

Tevens heeft [appellant] incidenteel gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep, althans de daarbij toegewezen vordering tot ontruiming op de voet van artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal schorsen totdat het hof eindarrest heeft gewezen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het incident.

[geïntimeerden] hebben bij memorie van antwoord in het incident, met producties, geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering van [appellant] zal afwijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident.

2 Beoordeling

2.1.

Bij het bestreden (deel)vonnis heeft de kantonrechter, voor zover thans van

belang, de huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan de [adres] (hierna: de woning) tussen [appellant] als huurder en [geïntimeerden] als verhuurders, voor zover deze nog bestaat, beëindigd en [appellant] veroordeeld tot ontruiming van de woning uiterlijk per 1 december 2014. Daarnaast heeft de kantonrechter [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerden] ten titel van voorschot een bedrag van € 400,00 per maand of gedeelte daarvan als schadevergoeding te betalen vanaf 1 maart 2014 tot het door hem bewoonde gedeelte van de woning zal zijn ontruimd, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

2.2.

Ter onderbouwing van zijn incidentele vordering heeft [appellant], kort gezegd,

aangevoerd dat de kantonrechter op verschillende punten buiten de rechtsstrijd is getreden en dat het bestreden deelvonnis (derhalve) op een aantal feitelijke juridische misslagen berust. Daarnaast heeft [appellant] aangevoerd dat tenuitvoerlegging van het deelvonnis een noodtoestand bij hem zal doen ontstaan.

2.3.

[geïntimeerden] hebben verweer gevoerd en hebben daarbij onder meer (in punt

14 van hun memorie van antwoord in incident) gesteld dat [appellant] ook in kort geding heeft gevorderd dat de tenuitvoerlegging van het bestreden deelvonnis zal worden geschorst. Onder punt 15 van de memorie van antwoord in incident hebben [geïntimeerden] aangegeven dat de behandeling van dit kort geding is gepland voor 24 november 2014.

2.4.

Het hof stelt voorop dat een veroordeelde in beginsel naast het recht in kort

geding een vordering tot schorsing of staking van de executie in te stellen krachtens artikel 438 lid 2 Rv, tevens het recht heeft om op grond van artikel 351 Rv een soortgelijke vordering bij wege van incident in te stellen in de hoofdzaak in hoger beroep. Is echter, voordat in het incident in hoger beroep uitspraak is gedaan, de vordering tot schorsing of staking krachtens artikel 438 lid 2 Rv afgewezen en zijn door de veroordeelde geen feiten of omstandigheden gesteld die een hernieuwde beoordeling van een dergelijke vordering rechtvaardigen, dan kan het hof aan een inhoudelijke beoordeling van de incidentele vordering krachtens artikel 351 Rv niet toekomen omdat deze in dat geval als in strijd met de goede procesorde moet worden afgewezen. In dat geval zou immers dezelfde vordering wederom aan de rechter worden voorgelegd zonder dat daarvoor een deugdelijke rechtvaardiging bestaat.

2.5.

Nu [appellant] op voornoemde stelling van [geïntimeerden] niet heeft kunnen

reageren zal het hof hem daartoe, in het licht van het hiervoor overwogene, in de gelegenheid stellen. Indien de stelling van [geïntimeerden] juist is, verlangt het hof van [appellant] dat hij het hof zal inlichten over het verloop van het executie kort geding, zulks onder overlegging van een eventueel kort geding vonnis, proces-verbaal van de meest recente zitting en/of andere van de rechtbank afkomstige bescheiden. Het hof wenst in ieder geval van [appellant] de laatste stand van zaken te vernemen met betrekking tot vorenbedoelde executie kort geding. [geïntimeerden] zullen in de gelegenheid worden gesteld op de akte van [appellant] te reageren.

2.6.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 Beslissing

Het hof:

in het incident:

verwijst de zaak naar de rol van 6 januari 2015 voor akte zoals bedoeld in overweging 2.5 aan de zijde van [appellant], waarop [geïntimeerden] op een termijn van twee weken zullen mogen reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan;

in de hoofdzaak:

houdt iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, R.H. de Bock en M.L.D. Akkaya en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 december 2014.