Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5393

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
18-12-2014
Zaaknummer
200.154.845/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot schorsing van concurrentbeding. Uitleg van dat beding. Onderzoek naar activiteiten van werknemer in oude functie. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-1087
AR 2014/996
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: 200.154.845/01 SKG

zaaknummer rechtbank Amsterdam: 3238310 KK EXPL 14-1150

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 december 2014

inzake

[APPELLANT],

wonend te [woonplaats],

appellant in principaal appel, tevens geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. E.W. Kingma te Leeuwarden,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RANDSTAD NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. W.H. van Baren te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Randstad genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 22 augustus 2014 in hoger beroep gekomen van het onder bovengenoemd zaaknummer uitgesproken vonnis in kort geding van 13 augustus 2014 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (verder: de kantonrechter), gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie/verweerder in reconventie en Randstad als gedaagde in conventie/eiseres in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel, tevens akte overlegging producties, met producties.

Partijen hebben de zaak ter terechtzitting van 29 oktober 2014 aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities doen bepleiten, [appellant] door zijn hierboven genoemde advocaat, Randstad door mr. S.J. Kremer, advocaat te Amsterdam.

Nadat partijen twee weken hadden getracht hun geschil minnelijk te beëindigen, hebben zij ten slotte arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis zal vernietigen, de vordering van [appellant] alsnog zal toewijzen en - naar het hof begrijpt - die van Randstad alsnog zal afwijzen, met verwijzing van Randstad in de kosten van het geding in beide instanties.

Randstad heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, zakelijk en naar het hof begrijpt, het principaal appel zal verwerpen en onder verbetering van gronden het bestreden vonnis zal bekrachtigen, een en ander met verwijzing van [appellant] in de kosten van het principaal appel en van het voorwaardelijk incidenteel appel, met nakosten en rente.

[appellant] heeft in het incidenteel appel geconcludeerd tot, naar het hof begrijpt, verwerping van dat beroep met verwijzing van Randstad in de kosten daarvan.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in de overwegingen 1.1 tot en met 1.12 van het bestreden vonnis een aantal feiten tot uitgangspunt genomen. Omdat deze feiten tussen partijen niet in geschil zijn, zal ook het hof daarvan uitgaan.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( a) [appellant], geboren op [geboortedatum], is met ingang van 8 januari 2008 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van Randstad in de functie van Business Controller. Sinds juli 2011 vervulde hij de functie van Senior Business Controller, zulks tegen een salaris van € 6.604,= bruto per maand exclusief vakantiegeld, bonussen en andere emolumenten. In deze laatste functie was [appellant] verantwoordelijk voor de bedrijfsonderdelen Randstad Inhouse Services, Randstad Callflex, Randstad Transport en Randstad Zorg.

( b) In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is het volgende concurrentiebeding (verder: het concurrentiebeding) opgenomen:

“De medewerker verplicht zich hierbij binnen een tijdvak van 18 maanden na het einde van de dienstbetrekking met Randstad zelf geen zaak, hetzij direct, hetzij indirect, te vestigen, te drijven, mede te drijven of te doen drijven, die op enigerlei wijze gelijk of aanverwant is aan de zaken waarin Randstad deelneemt of gaat deelnemen en waarbij medewerker betrokken is geweest tijdens de dienstbetrekking. Medewerker verplicht zich eveneens noch bij dergelijke zaken direct belang te hebben, noch hierin een aandeel van welke aard dan ook te hebben of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn.”

Daarnaast zijn in de arbeidsovereenkomst onder andere een relatiebeding en een geheimhoudingsbeding opgenomen.

( c) De direct leidinggevende van [appellant] was [X], Chief Financial Officer (CFO) van Randstad. [appellant] had tweewekelijks overleg met de vijf andere Senior Business Controllers en de CFO. Daarnaast nam hij periodiek deel aan het Landelijk Directeurenoverleg (LDO) van Randstad, waaraan de circa 50 belangrijkste managers deelnamen.

( d) In februari 2014 heeft [appellant] Randstad te kennen gegeven toe te zijn aan een volgende stap in zijn carrière. Partijen hebben vervolgens gesproken over de mogelijkheid dat [appellant] een functie bij Randstad in Singapore respectievelijk in Duitsland zou gaan vervullen maar zijn ter zake niet tot overeenstemming gekomen.

( e) Bij brief van 3 juni 2014 heeft [appellant] Randstad onder meer het volgende doen weten:

“De afgelopen dagen heb ik de afweging gemaakt tussen de mogelijkheden bij Randstad Duitsland en een stap buiten Randstad. Uiteindelijk heb ik de keuze gemaakt om mijn carrière buiten Randstad voort te zetten. (…)

Daarnaast ben ik inmiddels ver gevorderd om een nieuwe uitdaging aan te gaan in de positie van financieel directeur bij Conclusion in Utrecht. (…)

Uitgaande van de contractuele opzegtermijn van 3 maanden zal einde contractdatum zijn per 3 september 2014 (of per einde maand 31 augustus 2014) (…)”.

( f) Bij brief van 5 juni 2014 heeft Randstad [appellant] onder meer het volgende meegedeeld:

“In je schriftelijke arbeidsovereenkomst met Randstad (is onder meer: hof) een non-concurrentiebeding (…) opgenomen. Je bent hiermee bekend. Desondanks wil je jouw carrière bij Conclusion voortzetten. (…) Mocht je voornemens blijven om in strijd te gaan handelen met je arbeidsovereenkomst dan zal Randstad niet aarzelen om rechtsmaatregelen te nemen (…).

We hebben je (…) tijdens ons gesprek op 3 juni aangegeven en bij deze herhalen we nogmaals dat Randstad (…) genoodzaakt is om haar belangen te beschermen en je per direct te schorsen tot het einde van je dienstverband met behoud van salaris. (…) De schorsing wordt uiteraard opgeheven als je terug komt op je besluit om bij Conclusion in dienst te treden en bij Randstad in dienst blijft.

(…)’.

( g) Latere correspondentie tussen (de gemachtigden van) partijen heeft niet tot een oplossing van het geschil geleid.

( h) In de eerste aanleg van dit kort geding vorderde [appellant] in conventie schorsing van het concurrentiebeding. In reconventie vorderde Randstad, kort gezegd en voor zover thans van belang, een verbod aan [appellant] (op straffe van de verbeurte van een dwangsom) bij, voor of namens Conclusion werkzaam te zijn. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] in conventie afgewezen en hem in reconventie op straffe van de verbeurte van een dwangsom verboden voor de duur van het concurrentiebeding bij, voor of namens Conclusion werkzaam te zijn. [appellant] werd zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten verwezen.

3.2.

Op zichzelf staat tussen partijen niet ter discussie dat Randstad en Conclusion zich beide bezig houden met, kort gezegd, terbeschikkingstelling van personeel onder leiding en toezicht van de opdrachtgever en dat zij in zoverre concurrerende activiteiten ontplooien. Partijen verschillen (onder meer) van mening over de vraag of Conclusion activiteiten ontplooit die - als bedoeld in het concurrentiebeding - gelijk of aanverwant zijn aan die welke worden ontwikkeld door de onder 3.1 (a) vermelde onderdelen van Randstad waarvoor [appellant] verantwoordelijk was. Volgens Randstad is dit het geval, volgens [appellant] niet. Randstad is echter ook bij een negatieve beantwoording van deze vraag de mening toegedaan dat [appellant] - in de zin van het concurrentiebeding - betrokken is geweest bij activiteiten van Randstad waarmee die van Conclusion concurreren zulks, kort gezegd, vanwege het feit dat [appellant] regelmatig overleg voerde met de andere Senior Business Controllers en deelnam aan het LDO.

3.3.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter onder meer als volgt overwogen:

“11. Een belangrijk element van het concurrentiebeding vormt de bepaling dat dit beding slechts betrekking heeft op (activiteiten in) zaken ‘waarbij de medewerker betrokken is geweest tijdens de dienstbetrekking’. Voorlopig oordelend wordt er van uit gegaan dat dit meebrengt dat het concurrentiebeding niet wordt overtreden indien Conclusion weliswaar (ook) activiteiten onderneemt die eveneens door Randstad worden ondernomen, maar waarbij [appellant] niet rechtstreeks betrokken was.

12. Vooralsnog wordt met [appellant] geoordeeld dat het enkele feit dat [appellant] deelnam aan periodiek overleg met collega Senior Business Controllers en de CFO onvoldoende is om er van uit te gaan dat [appellant] ‘betrokken’ was (als bedoeld in het concurrentiebeding) bij alle activiteiten in alle bedrijfsonderdelen waar die collega’s voor verantwoordelijk waren. Dit omdat door een dergelijke uitleg van het beding bovenbedoelde bepaling vrijwel geen onderscheidend vermogen zou hebben, aangezien in vrijwel elke organisatie vertegenwoordigers van verschillende bedrijfsonderdelen met gelijke functies periodiek plegen te overleggen. Om dezelfde reden heeft hetzelfde te gelden voor het enkele feit dat [appellant] deelnam aan het Landelijk Directeurenoverleg. (…)

Vervolgens heeft de kantonrechter in overweging 13, uitgewerkt in de overwegingen 14 tot en met 16, geoordeeld dat wel voldoende aannemelijk is geworden dat de bedrijfsonderdelen van Randstad waarvoor [appellant] verantwoordelijk was (in noemenswaardige mate) activiteiten ontplooien die, kort gezegd, gelijk zijn aan activiteiten die Conclusion (in noemenswaardige mate) ontplooit en heeft hij op die grond in overweging 17 geconcludeerd dat het concurrentiebeding betrekking heeft op werkzaamheden die [appellant] voornemens is voor Conclusion te gaan uitvoeren.

3.4.

Tegen de overwegingen 11 en 12 zijn de grieven 1 tot en met 3 in voorwaardelijk incidenteel appel -, tegen de overwegingen 13 tot en met 17 is grief I in principaal appel gericht. Om praktische redenen zal het hof eerst deze incidentele grieven behandelen.

3.5.1.

Het hof stelt voorop dat het bij de uitleg van het onderhavige concurrentiebeding aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan dat beding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij een beding als het onderhavige, dat (eenzijdig) door Randstad is opgesteld en waarover tussen partijen niet is onderhandeld, is de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen van groot belang.

3.5.2.

De bewoordingen van het concurrentiebeding geven geen enkele aanleiding te veronderstellen dat met het woord “betrokken” wordt bedoeld “rechtstreeks betrokken” in de betekenis als door de kantonrechter is aangenomen, ook niet als daarbij de overige bepalingen van de arbeidsovereenkomst, in het bijzonder het relatiebeding en het geheimhoudingsbeding, in ogenschouw worden genomen. Dat het concurrentiebeding aldus een “ruim” karakter heeft, doet daaraan niet af. Dit neemt niet weg dat bij de beoordeling van de vorderingen over en weer - vanzelfsprekend - van belang is of de in het concurrentiebeding bedoelde betrokkenheid van [appellant] bij de activiteiten van Randstad, waarmee die van Conclusion concurreren, tenminste enigszins substantieel was. In het navolgende zal worden onderzocht of dit het geval is.

3.5.3.

Randstad heeft in eerste aanleg, namelijk in een zich bij de stukken bevindende brief van 4 augustus 2014 van haar advocaat aan de kantonrechter, onder meer het volgende aangevoerd. De functie van Senior Business Controller heeft een de verschillende operationele eenheden (van Randstad) overlappend karakter. In het tweewekelijkse overleg dat zij hebben, praten de vijf Senior Business Controllers en de CFO elkaar bij over het financiële reilen en zeilen van alle operationele eenheden, wisselen zij ervaringen uit en denken zij na over mogelijke aandachtspunten en verbeteringen met betrekking tot alle operationele eenheden. De vijf Senior Business Controllers en de Senior Financial Controller vormen samen met de CFO de leiding over de gehele financiële huishouding van Randstad. De vijf Senior Business Controllers stellen maandelijks samen een gecombineerd rapport op voor het management van Randstad en voor dat van Randstad Holding N.V., waarin de financiële positie en prestatie van (heel) Randstad wordt geanalyseerd. In deze rapportages wordt niet alleen de performance van de (destijds) onder [appellant] verantwoordelijkheid vallende operationele eenheden uiteengezet, maar komen ook de financiële performance en strategie van de andere operationele eenheden uitvoerig aan de orde. Het betreft zeer vertrouwelijke en koersgevoelige informatie die alleen voor het management op het hoogste niveau zichtbaar is binnen de organisatie. Ook bij het LDO, waaraan [appellant] deelnam, worden de financiële en operationele performance en de hoofdlijnen van de strategie van Randstad besproken. Deze informatie is niet openbaar beschikbaar en zeer concurrentiegevoelig. Aldus Randstad in genoemde brief.

3.5.4.

Randstad heeft deze stellingen in hoger beroep in vergelijkbare bewoordingen herhaald. Zij heeft daaraan toegevoegd dat geen strikte scheiding bestaat tussen de soorten werkzaamheden die onder de verschillende operationele eenheden vallen, dat sommige soorten werkzaamheden door meerdere operationele eenheden worden uitgevoerd, afhankelijk van waar het werk toevallig binnenkomt, dat de (Senior) Business Controllers geen deel uit maken van de verschillende operationele eenheden, maar een zelfstandig team vormen, dat binnen dat team weliswaar werkverdelingen zijn gemaakt, maar dat dit niet betekent dat de ene Controller gespecialiseerd is in één specifieke activiteit en de andere in een andere, dat losse projecten binnen Randstad over de Business Controllers worden verdeeld, dat de functie van Senior Business Controller een senior management positie is, dat de Senior Business Controllers allen inzetbaar zijn binnen heel Randstad en gedetailleerde kennis hebben van alles wat er binnen Randstad gebeurt en, ten slotte, dat [appellant] kennis heeft van haar (unieke) prijsstrategie, welke in alle operationele eenheden op dezelfde manier wordt toegepast.

3.5.5.

[appellant] heeft hiertegen in hoger beroep niet meer aangevoerd dan dat het overleg van de vijf Senior Business Controllers en de CFO alleen bedoeld was voor werkoverleg, maar niet leidde tot inzicht in de andere operationele eenheden, laat staan tot uitwisseling van zeer vertrouwelijke en koersgevoelige informatie, alsmede dat deze laatste stelling door Randstad niet wordt uitgewerkt en bij gebrek aan wetenschap wordt betwist. Het hof is van oordeel dat [appellant] aldus de hiervoor weergegeven (uitvoerige) feitelijke stellingen van Randstad onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, reden waarom van de juistheid daarvan wordt uitgegaan.

3.5.6.

Bij deze stand van zaken concludeert het hof dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] (substantieel) betrokken is geweest bij activiteiten van Randstad waarmee die van Conclusion concurreren. Met de kantonrechter, zij het op andere gronden, is het hof dan ook van oordeel dat het concurrentiebeding betrekking heeft op de werkzaamheden die [appellant] voornemens is voor Conclusion te gaan uitvoeren. De onderhavige grieven zijn dus gegrond.

3.6.

Gelet op het voorgaande behoeft grief 4 in incidenteel appel, waarin Randstad be-toogt dat Conclusion concurreert met Randstad Inhouse Services, geen bespreking meer en heeft [appellant] geen belang bij een bespreking van grief I in principaal appel, gericht tegen de overwegingen 13 tot en met 16 van het bestreden vonnis, omdat de eventuele gegrondheid van die grief niet tot een andere conclusie zal kunnen kan leiden.

3.7.1.

Grief II in principaal appel is gericht tegen de door de kantonrechter in de overwegingen 19 tot en met 22 van het bestreden vonnis uitgevoerde belangenafweging. In dit verband betoogt [appellant], kort gezegd, dat de kantonrechter heeft miskend dat Randstad geen concreet en specifiek belang bij nakoming van het concurrentiebeding heeft, in aanmerking genomen dat hij geen specifieke kennis, competenties of verantwoordelijkheden bij Randstad heeft verkregen die in handen van Conclusion buitengewoon schadelijk zouden kunnen zijn. Verder meent [appellant] dat de kantonrechter onvoldoende aandacht heeft besteed aan de argumenten die hij heeft aangevoerd voor zijn standpunt dat indiensttreding bij Conclusion een vooruitgang is.

3.7.2.

Reeds vanwege de hiervoor besproken betrokkenheid van [appellant] bij activiteiten van Randstad waarmee die van Conclusion concurreren, is voldoende aannemelijk i) dat [appellant] kennis heeft van specifieke en niet openbare (financiële) bedrijfsgegevens van Randstad en ii) dat Randstad er (groot) belang bij heeft dat Conclusion noch van die bedrijfsgegevens kennis neemt noch anderszins profijt kan hebben van het feit dat [appellant] over die kennis beschikt. Het hof onderschrijft in dat verband overweging 22 van het bestreden vonnis, waar de kantonrechter opmerkt, zakelijk, dat het relatiebeding en het geheimhoudingsbeding Randstad te dezen onvoldoende beschermen.

3.7.3.

Ook indien het hof er - ondanks de desbetreffende betwisting van Randstad - (bij wege van veronderstelling) van uitgaat dat [appellant] bij Conclusion de door hem in de toelichting op de grief gestelde vooruitgang zal maken, acht het hof de zojuist genoemde belangen van Randstad bij handhaving van het concurrentiebeding dusdanig zwaarwegend dat dit belang van [appellant] daarvoor moet wijken. Het hof merkt in dit verband nog op dat [appellant] niet althans niet voldoende gemotiveerd naar voren heeft gebracht dat en waarom de overwegingen 19 tot en met 21 van het bestreden vonnis onjuist zijn.

3.7.4.

De conclusie is dat de grief faalt.

3.8.

Gezien al het voorgaande, zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. [appellant] zal, als de in principaal appel in het ongelijk gestelde partij, in de kosten daarvan worden verwezen. In het incidenteel appel zal geen kostenveroordeling worden uitgesproken, kort gezegd, omdat dat appel niet tot een ander dictum strekte en dus in verband met de devolutieve werking van het hoger beroep onnodig was. Naar vaste jurisprudentie leidt dit ertoe dat, ongeacht welke partij gelijk krijgt, in zoverre geen kostenveroordeling wordt opgelegd.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis wat betreft zowel de conventie als de reconventie;

verwijst [appellant] in de kosten van het principaal appel, aan de zijde van Randstad gevallen en tot op heden begroot op € 704,= aan verschotten en € 2.682,= aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest ten aanzien van deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, R.J.M. Smit en L.A.J. Dun en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2014 door de rolraadsheer.