Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5392

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
200.149.184/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2014:4601
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding. Huur woonruimte. Na descente oordeelt het hof dat de wijze waarop huurder de woning bewoont niet zodanig onveilig of onhygiënisch is dat ontruiming in kort geding is gerechtvaardigd, ook niet in samenhang met de bedreiging door de huurder van een medewerkster van de verhuurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: SKG 200.149.184/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/558102/KG ZA 14-104

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 december 2014

inzake

[APPELLANT],

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. E.H.J. Slager te Amsterdam,

tegen

de coöperatie COÖPERATIEVE WOONVEREENIGING “HET NIEUWE HUIS”,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.M. Meijerink te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna weer [appellant] en Het Nieuwe Huis genoemd.

Het hof heeft in deze zaak op 4 november 2014 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot die datum wordt naar dat arrest verwezen.

Bij het tussenarrest heeft het hof een descente tevens comparitie van partijen gelast, ter plaatse in de door [appellant] van Het Nieuwe Huis gehuurde woning (hierna: de woning). De zitting heeft op 15 december 2014 plaatsgevonden.

Ter zitting zijn verschenen [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. Slager voornoemd en namens Het Nieuwe Huis [A], bestuurslid, bijgestaan door mr. Meijerink voornoemd. Eveneens is verschenen [B], inspecteur bij de GGD Amsterdam. Het hof heeft met instemming van partijen ervan afgezien van het verhandelde ter zitting proces-verbaal op te maken.

Ten slotte is weer arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling

2.1

Het hof heeft bij gelegenheid van de descente/comparitie het volgende vastgesteld. In de woning zijn de gang, de woon-/slaapkamer, de kitchenette en de slaap-/opslagkamer volgepakt met allerhande spullen. Vanaf de voordeur door de gang naar de woon-/slaapkamer is een looppad vrijgelaten. In de woonkamer is zoveel ruimte vrijgelaten dat een man of vijf daar kan staan. In de slaap-/opslagkamer is tussen de spullen geen looppad (meer) aanwezig naar de aldaar aanwezige wastafel, die nu dus onbruikbaar is. Slapen doet [appellant] volgens zijn verklaring op de in de woonkamer aanwezig bank, die (grotendeels) vrij is van spullen. Op een stoel naast de bank lag tijdens de zitting een zak brood. De kitchenette wordt kennelijk slechts gebruikt als opslagruimte. [appellant] verklaart te koken op een elektrisch kookstel in de gang, dat is geplaatst op een koelkast. Vlak boven het kookstel hangen aan de muur enige kledingstukken. Op het kookstel staan opgestapelde pannen, rondom het kookstel is het redelijk opgeruimd. Het toilet is redelijk opgeruimd en schoon. Ook de rest van de woning maakt een redelijk schone indruk en stinkt niet. Afgezien van het brood slingeren er geen levensmiddelen rond in de woning. Her en der op de vloer liggen elektriciteitskabels.

2.2

[B] heeft ter zitting verklaard dat hij in het verleden twee keer betrokken is geweest bij ingrijpen van de GGD in de woning. In de slaap-/opslagkamer zijn er inmiddels meer spullen bijgekomen, maar de huidige situatie is volgens hem niet gevaarlijk of onhygiënisch en zou voor de GGD geen reden zijn om in te grijpen. Ook het koken in de gang achtte hij niet gevaarlijk.

2.3

Op grond van hetgeen het hof zelf bij gelegenheid van de descente heeft waargenomen en de verklaring van [B] concludeert het hof dat de huidige situatie in de woning niet zodanig onhygiënisch of (brand)gevaarlijk is dat dat grond oplevert voor acuut ingrijpen.

2.4

Het hof realiseert zich uiteraard dat de situatie op 15 december 2014 een momentopname was. Het is goed mogelijk dat de situatie ten tijde van het pleidooi in hoger beroep, toen [appellant] onwillig bleek het hof diezelfde dag nog te ontvangen, veel slechter was. Na het tussenvonnis heeft [appellant] ruim een maand de tijd gehad de woning presentabel te maken. Gelet op het verleden (reeds blijkend uit het herhaaldelijk ingrijpen van de GGD) is ook niet uitgesloten, en zelfs waarschijnlijk, dat de toestand na de zitting weer zal verslechteren. Dit een en ander brengt het hof echter niet tot het oordeel dat [appellant] zijn woning thans zou moeten ontruimen. Voor een dergelijke ordemaatregel in kort geding is de situatie op dit moment eenvoudig niet ernstig genoeg. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat bij het Nieuwe Huis nooit klachten zijn binnengekomen van medebewoners en dat juist voor iemand met de persoonlijkheid van [appellant] het verlies van de eigen woning zeer ingrijpend is en wellicht zelfs de eerste stap vormt naar de totale teloorgang.

2.5

Het Nieuwe Huis heeft in hoger beroep haar vordering tot ontruiming tevens doen steunen op de bedreiging en poging tot mishandeling door [appellant] van haar medewerkster [X]. Aan de betwisting van [appellant] dat deze bedreiging heeft plaatsgevonden hecht het hof, gelet op de getuigenverklaring van de buurvrouw, geen geloof. Het Nieuwe Huis heeft daarom het gelijk aan haar zijde met de stelling dat [appellant] zich (ook) in dit opzicht niet als goed huurder heeft gedragen. Het hof heeft begrip voor de door Het Nieuwe Huis gevoelde noodzaak haar medewerkster te beschermen. Niettemin geeft ook deze gebeurtenis, in samenhang met hetgeen hiervoor is overwogen, het hof geen grond om, vooruitlopend op een eventueel in te stellen bodemprocedure, thans de ontruiming van de woning te gelasten. In dit verband is van belang dat het gebeurde kennelijk het gevolg was van de spanning die de onderhavige procedure voor [appellant] met zich brengt en sindsdien meer dan acht maanden zijn verstreken, kennelijk zonder verdere incidenten van gelijksoortige aard.

2.6

De huidige situatie in de woning van [appellant] acht het hof de maximaal nog aanvaardbare situatie wat betreft veiligheid en hygiëne. Zoals hiervoor reeds werd overwogen maken de gebeurtenissen in het verleden aannemelijk dat [appellant] niet in staat zal zijn de huidige, nog net aanvaardbare, situatie te handhaven. Dat Het Nieuwe Huis behoefte heeft de vinger aan de pols te houden is dan ook volkomen gerechtvaardigd. Door ondertekening van de brief van 5 april 2013 heeft [appellant] zich onder meer ertoe verplicht minstens twee keer per jaar inspectie van de woning door Het Nieuwe Huis toe te staan. [appellant] heeft weliswaar aangevoerd dat de akkoordverklaring onder ongepaste druk zijdens Het Nieuwe Huis is tot stand gekomen, maar dat verweer komt het hof niet overtuigend voor. Het hof gaat dan ook voorshands ervan uit dat [appellant] aan die overeenkomst kan worden gehouden, in ieder geval waar het betreft de verplichting inspecties toe te staan.

2.7

Welke consequenties moeten worden verbonden aan het feit dat [appellant] zich niet heeft gehouden aan het totaal van de verplichtingen uit de overeenkomst in de brief van 5 april 2013 is een vraag die in een eventuele bodemprocedure zal moeten worden beantwoord. Het is niet uitgesloten dat de bodemrechter oordeelt dat zonder de mogelijkheid van controle niet van Het Nieuwe Huis kan worden gevergd de huurovereenkomst voort te zetten. Het hof wil op die afweging echter niet vooruitlopen.

2.8

Het hof stelt vast dat Het Nieuwe Huis geen incidenteel appel heeft ingesteld tegen het door [appellant] in reconventie gevorderde en door de voorzieningenrechter als onvoldoende weersproken toegewezen verbod tot het verrichten van inspecties in de woning. Dat verbod blijft dus staan, ook al heeft het Nieuwe Huis in het geval van afwijzing van de vordering tot ontruiming wel belang bij die inspecties. Als [appellant] meewerkt aan de inspecties, zoals hij op grond van zijn akkoordverklaring naar het voorshandse oordeel van het hof in ieder geval verplicht is, hoeft Het Nieuwe Huis van dat verbod echter geen last te hebben.

2.9

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd, voor zover in conventie gewezen. De vordering tot ontruiming zal alsnog worden afgewezen, met veroordeling van Het Nieuwe Huis in de kosten van het geding in beide instanties.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 7 april 2014, voor zover gewezen tussen Het Nieuwe Huis als eiseres in conventie en [appellant] als gedaagde in conventie;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering tot ontruiming af;

veroordeelt Het Nieuwe Huis in de kosten van het geding in conventie in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] begroot op € 262,= aan verschotten en € 816,= voor salaris advocaat en in hoger beroep, tot heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 385,52 aan verschotten en € 2.682,= voor salaris advocaat salaris en op € 131,= voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,= voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, C. Uriot en R.H.C. van Harmelen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 december 2014.