Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:5364

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
18-12-2014
Zaaknummer
23-002615-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Faillissementsfraude. Bedrieglijke bankbreuk. Aan de verdachte is onder meer ten laste gelegd dat hij als medepleger, dan wel als opdrachtgever of feitelijk leidinggever opzettelijk de rechten van de schuldeisers van een failliete rechtspersoon heeft verkort. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002615-12

datum uitspraak: 17 december 2014

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2012 in de strafzaak onder parketnummer 13-845030-08 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

[adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 en 25 februari, 6, 8, 28 en 29 oktober, 5, 6, 10, 11, 13, 17 en 19 november en 3 december 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en diens raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij in de gemeente(n) Dongen en/of Laren en/of Leek en/of Gilze en Rijen en/of (elders) in Nederland,

a. op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 oktober 2005 tot 09 februari 2006 als bestuurder van [rechtspersoon LR] BV voorheen [rechtspersoon B] BV, tezamen en in vereniging met één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, en/of

b. op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 09 februari 2006 tot en met 01 januari 2007, tezamen en in vereniging met (de bestuurder(s) van) [rechtspersoon LR] BV voorheen [rechtspersoon B] BV en/of met één of meer (andere) rechtspersonen en/of natuurlijke personen, althans alleen,

welke rechtspersoon ([rechtspersoon LR] BV) bij vonnis van 01 augustus 2006 van de Rechtbank Breda in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van eerstgenoemde rechtspersoon, (telkens):

- ter gelegenheid van het faillissement en/of op een tijdstip waarop [rechtspersoon LR] BV voorheen [rechtspersoon B] BV en/of verdachte en/of zijn/haar/hun mededader(s) wist(en) dat het faillissement niet kon uitblijven één of meer van haar ([rechtspersoon LR] BV voorheen [rechtspersoon B] BV) schuldeisers heeft/hebben bevoordeeld, en/of -lasten heeft verdicht en/of baten niet heeft verantwoord, en/of

- enig goed aan de boedel heeft onttrokken, en/of

- enig goed hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd, door:

- een lening tot stand te (laten) brengen en/of te (laten) komen ten gevolge van een op 12 januari 2006 tussen [rechtspersoon G] BV en [rechtspersoon LR] BV voorheen [rechtspersoon B] BV afgesloten en/of gedateerde "Overeenkomst van Geldlening" voor het bedrag van EUR 1.375.000 waarin opgenomen een boeteclausule van 25%, te voldoen bij niet nakoming van de aflossingsverplichtingen door [rechtspersoon LR] BV voorheen [rechtspersoon B] BV (proces-verbaal bijlage 135, BD.0009; blz. 975) en waarbij (een) akte(s) van verpanding (proces-verbaal bijlage 136, BD.0010; blz. 982 en bijlage 137, BD.0011; blz. 998) was/waren opgemaakt waarmee [rechtspersoon G] BV en/of (later) [rechtspersoon F] BV een recht van pand verkreeg op alle voorraden en/of de bedrijfsuitrusting van [rechtspersoon LR] BV voorheen [rechtspersoon B] BV, waardoor bij een faillissement ten koste van de positie van de overige (concurrente) crediteuren voor [rechtspersoon G] BV en/of (later) [rechtspersoon F] BV en/of daarmee voor [rechtspersoon P] BV een betere positie werd gecreëerd, en/of

- van een lening/vordering ten bedrage van EUR 1.700.000 -zonder zekerheidstelling- van [rechtspersoon BG] BV aan/op [rechtspersoon LR] BV voorheen [rechtspersoon B] BV een geldbedrag van EUR 1.520.000 door laatstgenoemde af te (laten) lossen en/of (terug) te (laten) betalen en/of te storten (op rekening van [rechtspersoon PF] BV), en/of -[rechtspersoon LR] BV voorheen [rechtspersoon B] BV (rechten op) de (geregistreerde) woord- en beeldmerken [rechtspersoon Q], [rechtspersoon S] en/of [rechtspersoon B] (onverplicht) te (laten) verkopen en/of over te (laten) dragen aan [rechtspersoon PM] BV (proces-verbaal bijlage 143, BD.0013; blz. 1032-1034) en/of

- ( op 28 juli 2006) een (schijn) openbare veiling -via het internet- te (laten) organiseren en/of houden waarbij activa (magazijn-, kantoor- en/of bedrijfsinventaris en/of voorraden grondstoffen en/of producten en/of onderhanden werk) van [rechtspersoon LR] BV voorheen [rechtspersoon B] BV werden geveild/verkocht en/of (vervolgens) de opbrengst van die veiling(verkoop), zijnde (in totaal) ongeveer EUR 984.956 excl. btw, althans enig geldbedrag te (laten) betalen en/of over te (laten) maken aan [rechtspersoon FG] BV en/of [rechtspersoon H] BV, en/of (daarna) -evengenoemde vennootschap(pen) (delen van) de bedoelde activa te (laten) verkopen/leveren aan [rechtspersoon P] BV waarbij door [rechtspersoon FG] BV een winst/voordeel is behaald van ongeveer EUR 70.300 excl. btw, althans enig geldbedrag en voor [rechtspersoon H] BV een winst/voordeel is behaald van ongeveer EUR 116.882 excl. btw, althans enig geldbedrag, ten gevolge waarvan laatstgenoemde geldbedragen uit het zicht en/of buiten het bereik van de curator zijn gebracht en/of gehouden;

subsidiair:
[rechtspersoon LR] BV voorheen [rechtspersoon B] BV op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 oktober 2005 tot en met 01 januari 2007 in de gemeente(n) Dongen en/of Laren en/of Leek en/of Gilze en Rijen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer (andere) rechtspersonen en/of natuurlijke personen, althans alleen, welke rechtspersoon, zijnde [rechtspersoon LR] BV bij vonnis van 01 augustus 2006 van de Rechtbank Breda in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van laatstgenoemde rechtspersoon, (telkens):

- ter gelegenheid van het faillissement en/of op een tijdstip waarop [rechtspersoon LR] BV voorheen [rechtspersoon B] BV en/of verdachte en/of haar/zijn/hun mededader(s) wist(en) dat het faillissement niet kon uitblijven één of meer van haar ([rechtspersoon LR] BV voorheen [rechtspersoon B] BV) schuldeiser(s) heeft bevoordeeld, en/of

- lasten heeft verdicht en/of baten niet heeft verantwoord, en/of

- enig goed aan de boedel heeft onttrokken, en/of

- enig goed hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd, door:

- een lening tot stand te (laten) brengen en/of te (laten) komen ten gevolge van een op 12 januari 2006 tussen [rechtspersoon G] BV en [rechtspersoon LR] BV voorheen [rechtspersoon B] BV afgesloten en/of gedateerde "Overeenkomst van Geldlening" voor het bedrag van EUR 1.375.000 waarin opgenomen een boeteclausule van 25%, te voldoen bij niet nakoming van de aflossingsverplichtingen door [rechtspersoon LR] BV voorheen [rechtspersoon B] BV (proces-verbaal bijlage 135, BD.0009; blz. 975) en waarbij (een) akte(s) van verpanding (proces-verbaal bijlage 136, BD.0010; blz. 982 en bijlage 137, BD.0011; blz. 998) was/waren opgemaakt waarmee de [rechtspersoon G] BV en/of (later) [rechtspersoon F] BV een recht van pand verkreeg op alle voorraden en/of de bedrijfsuitrusting van [rechtspersoon LR] BV voorheen [rechtspersoon B] BV, waardoor bij een faillissement ten koste van de positie van de overige (concurrente) crediteuren voor [rechtspersoon G] BV en/of (later) [rechtspersoon F] BV en/of daarmee voor [rechtspersoon P] BV een betere positie werd gecreëerd, en/of

- van een lening/vordering ten bedrage van EUR 1.700.000 -zonder zekerheidstelling- van [rechtspersoon BG] BV aan [rechtspersoon LR] BV voorheen [rechtspersoon B] BV een geldbedrag van EUR 1.520.000 af te (laten) lossen en/of (terug) te (laten) betalen en/of te storten (op rekening van [rechtspersoon PF] BV), en/of -(rechten op) de (geregistreerde) woord- en beeldmerken [rechtspersoon Q], [rechtspersoon S] en/of [rechtspersoon B] (onverplicht) te (laten) verkopen en/of over te (laten) dragen aan [rechtspersoon PM] BV (proces-verbaal bijlage 143, BD.0013; blz. 1032-1034), en/of

- ( op 28 juli 2006) een (schijn) openbare veiling -via het internet- te (laten) organiseren en/of houden waarbij activa (magazijn-, kantoor- en/of bedrijfsinventaris en/of voorraden grondstoffen en/of producten en/of onderhanden werk) van [rechtspersoon LR] BV voorheen [rechtspersoon B] BV werden geveild/verkocht en/of (vervolgens) de opbrengst van die veiling(verkoop), zijnde (in totaal) ongeveer EUR 984.956 excl. btw, althans enig geldbedrag te (laten) betalen en/of over te (laten) maken aan [rechtspersoon FG] BV en/of [rechtspersoon H] BV, en/of (daarna) -evengenoemde vennootschap(pen) (delen van) de bedoelde activa te (laten) verkopen/leveren aan [rechtspersoon P] BV waarbij door [rechtspersoon FG] BV een winst/voordeel is behaald van ongeveer EUR 70.300 excl. btw, althans enig geldbedrag en voor [rechtspersoon H] BV een winst/voordeel is behaald van ongeveer EUR 116.882 excl. btw, althans enig geldbedrag, tengevolge waarvan laatstgenoemde geldbedragen uit het zicht en/of buiten het bereik van de curator zijn gebracht en/of gehouden,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte tezamen en in vereniging met één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte tezamen en in vereniging met één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

meer subsidiair:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 juli 2006 tot en met 01 januari 2007, in de gemeente(n) Dongen en/of Leek en/of Gilze en Rijen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met [rechtspersoon P] BV en/of [rechtspersoon PF] BV en/of [rechtspersoon L] BV en/of met één of meer (andere) rechtspersonen behorende tot het [rechtspersoon PC] en/of met één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, (telkens) één of meer voorwerpen, te weten:

- één of meer geldbedragen van EUR 362.950 en/of EUR 440.485,64 en/of EUR 368.662, althans enig(e) geldbedrag(en), en/of

- bedrijfsuitrusting en/of voorraden welke waren gekocht/verkregen (uit de faillissementsboedel van [rechtspersoon LR] BV ) middels een (internet)veiling en/of door tussenkomst van [rechtspersoon H] BV en/of [rechtspersoon FGC] BV voor één of meer geldbedragen van EUR 362.950 en/of EUR 440.485,64 en/of EUR 368.662, althans enig(e) geldbedrag(en),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

meest subsidiair:
[rechtspersoon P] BV en/of [rechtspersoon PF] BV en/of [rechtspersoon L] BV en/of één of meer (andere) rechtspersonen behorende tot het [rechtspersoon PC] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 juli 2006 tot en met 01 januari 2007 in de gemeente(n) Dongen en/of Leek en/of Gilze en Rijen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer (andere) natuurlijke personen, althans alleen, (telkens) één of meer voorwerpen, te weten:

- één of meer geldbedragen van EUR 362.950 en/of EUR 440.485,64 en/of EUR 368.662, althans enig(e) geldbedrag(en), en/of

- bedrijfsuitrusting en/of voorraden welke waren gekocht/verkregen (uit de faillissementsboedel van [rechtspersoon LR] BV ) middels een (internet)veiling en/of door tussenkomst van [rechtspersoon H] BV en/of [rechtspersoon FGC] BV voor één of meer geldbedragen van EUR 362.950 en/of EUR 440.485,64 en/of EUR 368.662, althans enig(e) geldbedrag(en),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl [rechtspersoon P] BV en/of [rechtspersoon PF] BV en/of [rechtspersoon L] BV en/of één of meer (andere) rechtspersonen behorende tot het [rechtspersoon PC] en/of verdachte en/of zijn/haar/hun mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte tezamen en in vereniging met één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte tezamen en in vereniging met één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Inleidende overwegingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd, kort gezegd, dat hij (primair) als bestuurder en/of medepleger en (subsidiair) als opdrachtgever of feitelijk leidinggever, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van [rechtspersoon LR] B.V. de in de tenlastelegging genoemde gedragingen heeft verricht, dan wel dat hij (meer subsidiair) als medepleger en (meest subsidiair) als opdrachtgever of feitelijk leidinggever de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor wat betreft het primair en subsidiair ten laste gelegde geldt dat deze zijn toegesneden op het bepaalde in de artikelen 341, eerste lid, en/of 343, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), waarin de zogenaamde bedrieglijke bankbreuk strafbaar is gesteld.

Bij de beantwoording van de vraag of bewezen is dat het primair of subsidiair ten laste gelegde feit door de verdachte is begaan, stelt het hof voorop dat volgens vaste rechtspraak onder handelen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ zoals bedoeld in de artikelen 341 en 343 Sr, moet worden verstaan handelen met het opzet om de rechten van schuldeisers te verkorten. Onder dit opzet is mede voorwaardelijke opzet begrepen. Voor het bewijs van dat opzet is vereist dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan (o.a. HR 9 februari 2010, NJ 2010/104).

Bij de beantwoording van die vraag stelt het hof voorts voorop, gelet ook op hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat de ten laste gedragingen in hun onderlinge verband en samenhang worden beoordeeld, hetgeen met zich kan brengen dat voor een samenhangend geheel van gedragingen geldt dat deze zijn verricht ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers, terwijl dat niet voor iedere afzonderlijke gedraging geldt.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:

hij in de gemeente Dongen en elders in Nederland

a. in de periode van 1 oktober 2005 tot 9 februari 2006 als bestuurder van [rechtspersoon LR] B.V. (voorheen [rechtspersoon B] B.V.), tezamen en in vereniging met F.J.M [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]), en

b. in de periode van 9 februari 2006 tot en met 1 januari 2007, tezamen en in vereniging met F.J.M. [medeverdachte] en met [rechtspersoon LR] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis van 1 augustus 2006 van de Rechtbank Breda in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van genoemde rechtspersoon,

op een tijdstip waarop [rechtspersoon LR] B.V., de verdachte en [medeverdachte] wisten dat het faillissement niet kon worden voorkomen schuldeisers van [rechtspersoon LR] B.V. heeft bevoordeeld, door:

  • -

    een lening tot stand te brengen ten gevolge van een op 12 januari 2006 tussen [rechtspersoon G] B.V. en [rechtspersoon B] B.V. afgesloten en gedateerde ‘Overeenkomst van Geldlening’ voor het bedrag van € 1.375.000,00 waarin opgenomen een boeteclausule van 25%, te voldoen bij niet nakoming van de aflossingsverplichtingen door [rechtspersoon B] B.V., en waarbij aktes van verpanding waren opgemaakt waarmee [rechtspersoon G] en later [rechtspersoon F] BV een recht van pand verkreeg op alle voorraden en bedrijfsuitrusting van [rechtspersoon LR] B.V., waardoor bij een faillissement ten koste van de positie van de overige (concurrente) crediteuren voor [rechtspersoon G] B.V. en later [rechtspersoon F] B.V. een betere positie werd gecreëerd,

  • -

    van een vordering ten bedrage van € 1.700.000,00 van [rechtspersoon P] B.V., althans één van haar dochtervennootschappen, op [rechtspersoon B] B.V. een geldbedrag van € 1.520.000,00 af te lossen op rekening van [rechtspersoon PF] B.V.,

  • -

    rechten op de geregistreerde woord- en beeldmerken [rechtspersoon Q], [rechtspersoon S] en [rechtspersoon B] te verkopen en over te dragen aan [rechtspersoon PM] B.V., en

  • -

    op 28 juli 2006 een openbare veiling via het internet te laten organiseren waarbij activa (bedrijfsinventaris, voorraden grondstoffen en producten) van [rechtspersoon LR] B.V. werden geveild en vervolgens de opbrengst van de veiling, zijnde in totaal € 984.956,00 excl. BTW, te betalen aan [rechtspersoon FG] B.V., en daarna [rechtspersoon FG] B.V. en [rechtspersoon H] B.V. de bedoelde activa te laten verkopen aan [rechtspersoon P] B.V. waarbij door[rechtspersoon FG] een voordeel is behaald van ongeveer 70.300 excl. BTW en voor [rechtspersoon H] B.V. een voordeel is behaald van ongeveer € 116.882,00 excl. BTW.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en op hetgeen het hof hierna overweegt.

Met de advocaat-generaal en anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat uit de stukken in het dossier blijkt dat de verdachte heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van [rechtspersoon LR] B.V., voorheen [rechtspersoon B] B.V., (hierna: [rechtspersoon LR]).

Uit de stukken in het dossier, zoals opgenomen in de aanvulling op dit arrest, blijkt dat de verdachte, als bestuurder van [rechtspersoon LR], tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] van een vordering ten bedrage van € 1.700.000,00 van [rechtspersoon P] B.V. ([rechtspersoon P]) of één van haar dochtervennootschappen op [rechtspersoon LR] een geldbedrag van € 1.520.000,00 heeft afgelost.

Uit die stukken blijkt voorts dat die aflossing heeft plaatsgevonden in het kader van de in de bewezenverklaring genoemde geldlening, verpanding van voorraden en bedrijfsuitrusting van [rechtspersoon LR], verkoop van woord- en beeldmerken en verkoop van activa van [rechtspersoon LR] aan [rechtspersoon P]. Dit blijkt, behoudens de verkoop van woord- en beeldmerken, met name uit een concept overeenkomst van opdracht tussen [rechtspersoon F] B.V. ([rechtspersoon F]), vertegenwoordigd door [medeverdachte], en [rechtspersoon P], vertegenwoordigd door de verdachte, van januari of februari 2006 ([rechtspersoon B] bijlage 120, p. 879).

Verder blijkt uit die stukken dat die aflossing, geldlening, verpanding van voorraden en bedrijfsuitrusting van [rechtspersoon LR], verkoop van woord- en beeldmerken en verkoop van activa van [rechtspersoon LR] aan [rechtspersoon P] (de facto) tot gevolg hadden dat een vordering van [rechtspersoon P] of één van haar dochtervennootschappen op [rechtspersoon B] gedeeltelijk werd afgelost door middel van een - met pandrechten gesecureerde - geldlening van [rechtspersoon P] of één van haar dochtervennootschappen en door middel van de verkoop van woord- en beeldmerken [rechtspersoon Q], [rechtspersoon S] en [rechtspersoon B], welke geldlening op zijn beurt is afgelost door middel van het uitwinnen van de pandrechten op de voorraden en bedrijfsuitrusting van [rechtspersoon LR] ten behoeve van [rechtspersoon P].

Uit de voormelde concept overeenkomst, uit een brief van [medeverdachte] aan de verdachte van 22 december 2005 en uit aantekeningen van de verdachte blijkt dat de verdachte die aflossing heeft gedaan op een moment waarop hij ervan uitging dat [rechtspersoon LR] failliet zou gaan en dat de pandrechten op de voorraden en bedrijfsuitrusting van [rechtspersoon LR] zouden worden uitgewonnen ten behoeve van [rechtspersoon P] ([rechtspersoon B] bijlagen 120, p. 879 en 107, p. 730-731, 121, p. 889, en 122, p. 890). Uit die brief blijkt voorts dat de verdachte wist dat [rechtspersoon LR] - tenminste - één andere schuldeiser dan [rechtspersoon P] had, te weten de Belastingdienst (bijlage 107, p. 730).

Daarmee heeft de verdachte, naar het oordeel van het hof, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van [rechtspersoon LR], op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen schuldeisers van [rechtspersoon LR] bevoordeeld.

Het betoog van de raadsman, dat de verdachte niet heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van [rechtspersoon LR], leidt niet tot een ander oordeel nu hetgeen de raadsman ter onderbouwing van zijn betoog heeft aangevoerd niet aannemelijk is geworden.

Als eerste is niet aannemelijk geworden dat de verdachte, nadat hij in januari 2006 de voormelde brief en concept overeenkomst aan een advocaat en een accountant had voorgelegd en nadat die advocaat en die accountant daartoe hadden geadviseerd, afstand heeft genomen van de uitvoering van hetgeen in die brief en concept overeenkomst is vermeld, reeds nu de verdachte namens [rechtspersoon P] - overeenkomstig die concept overeenkomst - de (verpande) activa van [rechtspersoon LR] heeft (terug)gekocht.

Verder is niet aannemelijk geworden dat de gedragingen van de verdachte niet tot de verkorting van de rechten van de schuldeisers hebben kunnen leiden nu die schuldeisers zich niet hadden kunnen verhalen op (een deel van) de voorraden van [rechtspersoon LR]. Anders dan de raadsman stelt, blijkt uit de stukken in het dossier niet dat ‘zekerheden waren gevestigd op voorraden […] door [verdachte] en diverse financiers en andere leveranciers’. Voorts brengt de omstandigheid dat [rechtspersoon PF] B.V. en [rechtspersoon A] B.V. mogelijk, op grond van door hen gebruikte algemene voorwaarden, een eigendomsvoorbehoud op de door hen aan [rechtspersoon B] geleverde producten hadden - het dossier bevat wat dat betreft onvoldoende stukken om deze vaststelling met zekerheid te kunnen doen - niet mee dat de schuldeisers van [rechtspersoon LR] zich niet hadden kunnen verhalen op (een deel van) de voorraden van [rechtspersoon LR]. Uit de tekst van de algemene voorwaarden blijkt in dit kader dat het eigendomsvoorbehoud rust op geleverde halffabricaten (algemene verkoopvoorwaarden van [Stichting], ordner met opschrift ‘[medeverdachte]/OM’, bijlage 34; proces-verbaal van verhoor van [getuige R] van 15 juni 2010, Rechter-commissaris verhoren bijlage 16). Niet gesteld noch anderszins aannemelijk is geworden dat onder die producten, behalve halffabricaten, ook grondstoffen begrepen moeten worden. Blijkens een saldibalans voor de periode december 2005 bedroeg de voorraad grondstoffen van [rechtspersoon B] op dat moment € 707.156,06 (saldibalans van [rechtspersoon B] voor de periode december 2005, [rechtspersoon B] bijlage 180A, p. 1181).

daderschap [rechtspersoon LR]

Het hof is van oordeel dat de gedragingen die de verdachte als bestuurder van [rechtspersoon B] heeft verricht, kunnen worden toegerekend aan [rechtspersoon LR]. De omstandigheid dat [getuige R] per 8 februari 2006 bestuurder is geworden van [rechtspersoon B] doet daar niet aan af nu [getuige R] niet eerder bestuurder van [rechtspersoon LR] werd dan nadat de verdachte de in de bewezenverklaring genoemde overeenkomst van geldlening en aktes van verpanding heeft ondertekend, wetende dat deze ertoe strekten dat de pandrechten op de voorraden en bedrijfsuitrusting van [rechtspersoon LR] zouden worden uitgewonnen en ervan uitgaande dat [rechtspersoon LR] failliet zou gaan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het primair bewezen verklaarde levert op:

de voortgezette handeling van medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen een van de schuldeisers op enige wijze bevoordeeld hebben en medeplegen van bedrieglijke bankbreuk.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het benadelen van schuldeisers in het faillissement van [rechtspersoon LR] B.V., voorheen [rechtspersoon B] B.V. ([rechtspersoon LR]). Die benadeling bestond daaruit dat een aanzienlijke vordering van een vennootschap van de verdachte op [rechtspersoon LR], een andere (voormalige) vennootschap van de verdachte, voor een groot deel werd voldaan ten koste van de faillissementsschuldeisers van [rechtspersoon LR]. Daartoe heeft de verdachte met zijn mededader(s) een - met pandrechten gesecureerde - geldlening van (de facto) de vennootschap van de verdachte aan [rechtspersoon LR] tot stand gebracht, welke geldlening zou worden afgelost doormiddel van de uitwinning van die pandrechten.

Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk, waarbij bepaalde schuldeisers aanzienlijk zijn bevoordeeld ten koste van de schuldeisers in het - vooropgezette - faillissement. Het hof rekent dit de verdachte ernstig aan, met name omdat hij met het plan van [medeverdachte], waarvan hij tot in detail op de hoogte moet zijn geweest, mee is gegaan, ook nadat hij het strafbare karakter daarvan moet hebben begrepen.

Anderzijds heeft het hof acht geslagen op de, ten opzichte van medeverdachte [medeverdachte], beperkte(re) rol van de verdachte als (mede-)uitvoerder van de door [medeverdachte] bedachte en hiervoor omschreven financieringsconstructie, op de leeftijd van de verdachte en op het feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Ten slotte heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

Met de rechtbank acht het hof, alles afwegende, een gevangenisstraf van 4 maanden passend en geboden. Indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, dan had het hof een gevangenisstraf van 5 maanden opgelegd.

Een andere of lagere straf doet, naar het oordeel van het hof, geen recht aan de ernst van het feit.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 56, 341 en 343 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. A.M.P. Geelhoed en mr. M.J.L. Mastboom, in tegenwoordigheid van mr. C. Beuze, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 december 2014.